Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:382

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
13/710176-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 24 maanden voor deelname aan een criminele organisatie in 2011-2012 en het medeplegen van oplichting.

Onderzoek 13Ostara naar grootschalige phishing fraude. De rechtbank heeft onderscheid gemaakt tussen twee samenwerkingsverbanden. Het eerste samenwerkingsverband hield zich bezig met het plegen van phishing door vertrouwelijke informatie van rekeninghouders te verkrijgen met hulp van bankmedewerkers, het verspreiden van e-mails, het telefonisch ontfutselen van inlogcodes voor internetbankieren, en door vervolgens daarmee geldbedragen over te boeken naar bankrekeningen van katvangers. Deze geldbedragen werden dan contant opgenomen door katvangers die door deelnemers van de organisatie werden aangestuurd en begeleid, of door die deelnemers zelf. Het tweede samenwerkingsverband hield zich bezig met het plegen van phishing door stelselmatig poststukken te verduisteren, nieuwe betaalpassen en pincodes aan te vragen, poststukken met betaalpassen en afhaalberichten voor pincodes te verduisteren en daarna katvangers onder begeleiding de pinbrieven met nieuwe pincodes te laten ophalen. Met de onderschepte betaalpassen en verkregen pincodes werden vervolgens geldbedragen contant opgenomen door katvangers of deelnemers van de organisatie. Verdachte heeft deelgenomen aan beide samenwerkingsverbanden en met de deelnemers van die samenwerkingsverbanden een criminele organisatie gevormd. Ook heeft verdachte zich als medepleger meermalen aan oplichting van ING schuldig gemaakt.

Verdachte wordt vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie in 2010, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor een verband met de bewezen phishing fraude en de verdachten die zijn geïdentificeerd als de daders daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/710176-11 (promis)

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] (Nigeria),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [GBA-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 oktober 2016, 26 oktober 2016, 31 oktober 2016 en 10 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Vriezen-Buist, en van wat verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

[verdachte] wordt, samengevat en zakelijk weergegeven, verweten dat hij zich in verschillende plaatsen in Nederland heeft schuldig gemaakt aan

  • -

    het medeplegen van oplichting van Rabobank Nederland, ABN AMRO Bank N.V., ING Bank N.V. (hierna: ING), Fortis Bank Nederland N.V., SNS Bank N.V. en/of een postagentschap in de periode van 4 januari 2012 tot en met 19 januari 2012 (feit 1);

  • -

    het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven in de periode(s) van 8 september 2010 tot en met 26 november 2010 en/of 28 oktober 2011 tot en met 10 februari 2012 (feit 2).

De volledige tekst van de tenlastelegging is als eerste bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn verder geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Deze zaak is voortgekomen uit het onderzoek 13Ostara. In dit onderzoek draait het om een vorm van fraude die bekend staat onder de naam “phishing”. Phishing houdt kort gezegd in dat rekeninghouders of banken onder valse voorwendselen worden bewogen tot de afgifte van vertrouwelijke gegevens, die nodig zijn voor internetbankieren. Met die gegevens worden buiten weten van de rekeninghouders geldbedragen van hun bankrekeningen overgeboekt naar de bankrekeningen van katvangers. Een andere variant is het hengelen naar poststukken van rekeninghouders met daarin vertrouwelijke informatie en betaalpassen. De laatste stap in het proces van phishing is het zo snel mogelijk contant opnemen van het geld. Inherent aan phishing is de betrokkenheid van meerdere personen en een zekere mate van organisatie. De verdachten die tijdens onderzoek 13Ostara in beeld zijn gekomen en door de politie als hoofdverdachten in dit onderzoek zijn aangemerkt, zijn [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [verdachte] , [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ), [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ) en [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] ).

Uit de resultaten van onderzoek 13Ostara heeft de politie afgeleid dat organisatorisch te werk is gegaan en dat gebruik is gemaakt van voormelde twee werkwijzen. In eerste instantie zijn e-mails verspreid die van banken afkomstig leken en waarin rekeninghouders werd gevraagd om vertrouwelijke gegevens in te vullen. De rekeninghouders zijn vervolgens gebeld door een vrouw die zich als bankmedewerkster voorstelde en hun gedurende het telefoongesprek de inlogcodes voor internetbankieren ontfutselde. Met deze gegevens konden geldbedragen van de bankrekeningen van de rekeninghouders worden overgeboekt naar de bankrekeningen van katvangers en daarna door middel van pinopnames worden veiliggesteld. Volgens de politie zouden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] bij deze werkwijze zijn betrokken. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn vanwege deze vermeende betrokkenheid aangehouden. De politie vermoedt dat [verdachte] en [medeverdachte 4] na deze aanhoudingen zijn overgestapt op de andere werkwijze, waarbij vertrouwelijke gegevens van rekeninghouders zijn verkregen door het stelselmatig verduisteren van poststukken van banken. Met de verkregen betaalpassen en afhaalberichten konden katvangers bij bankfilialen pinbrieven met pincodes ophalen, waarna geldbedragen direct vanaf de bankrekeningen van rekeninghouders werden opgenomen. Voor deze werkwijze zouden [verdachte] en [medeverdachte 4] contact hebben gezocht met PostNL-medewerker [medeverdachte 6] en hebben samengewerkt met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 9] en later ook [medeverdachte 2] . Voor beide werkwijzen werd verder gebruik gemaakt van de diensten en informatie van [medeverdachte 5] en verscheidene bankmedewerkers.

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van phishing fraude. Volgens de politie zou [verdachte] binnen deze organisatie een centrale rol hebben vervuld. Daarnaast is aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij samen met andere deelnemers van de criminele organisatie was betrokken bij de oplichting van verschillende banken. De vraag die voorligt, is of op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting bewezen kan worden dat [verdachte] zich aan deze strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie heeft zij daartoe het volgende betoogd.

Op basis van de inhoud van het dossier, met name zaakdossier 140 [naam dossier] , kan worden bewezen dat de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] samen met [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en andere onbekend gebleven personen een georganiseerd en duurzaam samenwerkingsverband hebben gevormd. Dit samenwerkingsverband was gericht op het plegen van misdrijven, zoals het oplichten van banken, verduisteren van poststukken en witwassen van de opbrengsten uit deze misdrijven, om snel veel geld te verdienen. Uit het dossier is een interne structuur af te leiden van onder andere leiders, ronselaars, begeleiders van katvangers, corrupte postmedewerkers en bankmedewerkers, pinners, de beller en de overschrijver. De verdachten hadden in de criminele organisatie ieder hun eigen rol en taak, die cruciaal was voor het welslagen van de door de organisatie beoogde misdrijven. Zij waren, anders dan de katvangers, niet volledig inwisselbaar en gingen op in hun rol. De verdachten waren zich ervan bewust dat zij betrokken waren bij een groter samenwerkingsverband dat strafbare feiten pleegde. Zonder hun gedragingen zouden de beoogde misdrijven niet, dan wel niet zo succesvol, zijn gepleegd.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] integraal van de ten laste gelegde feiten moeten worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

De belastende verklaringen van [medeverdachte 7] moeten als onbetrouwbaar worden beschouwd en van het bewijs worden uitgesloten. Immers, [medeverdachte 7] heeft wisselend verklaard en haar lezing over de betrokkenheid van [verdachte] bij de onder 1 ten laste gelegde oplichting vindt geen steun in de overige inhoud van het dossier. De verklaringen moeten bovendien van het bewijs worden uitgesloten, omdat [medeverdachte 7] zich als getuige op haar verschoningsrecht heeft beroepen, waardoor de verdediging geen reële gelegenheid heeft gehad haar als getuige te horen. Het dossier bevat voor het overige geen bewijs dat [verdachte] als medepleger bij die oplichting was betrokken. Evenmin kan het onder 2 ten laste gelegde feit worden bewezen, omdat het dossier geen bewijs bevat dat sprake is geweest van een structureel en duurzaam samenwerkingsverband tussen de verdachten.

Als de rechtbank aan deze verweren voorbij gaat en van oordeel is dat de verklaringen van [medeverdachte 7] tot het bewijs kunnen meewerken en tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde kunnen leiden, moet [verdachte] niettemin van het onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken, omdat zijn kortstondige betrokkenheid bij de onder 1 ten laste gelegde oplichting onvoldoende is voor een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie. Dat geldt vooral omdat het bewijs voor de betrokkenheid van [verdachte] bij andere gevallen van phishing fraude in het dossier ontbreekt.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de ten gelegde feiten acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, in het bijzonder de bewijsmiddelen die in de tweede bijlage bij dit vonnis zijn vervat, en overweegt als volgt.

4.4.1.

Oplichting (feit 1)

[verdachte] wordt verweten dat hij als medepleger betrokken was bij de oplichting van ING ten aanzien van de rekeninghouders [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ) en [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ).

Op basis van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat ING onder valse voorwendselen ertoe is bewogen geldbedragen, betaalpassen en pinbrieven af te geven aan een ander dan aan de daartoe gerechtigde rekeninghouders [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] . Daarbij betrof het oogmerk van de daders het wederrechtelijk bevoordelen van zichzelf en/of (een) ander(en). In dit verband wordt onder meer naar de volgende feiten en omstandigheden verwezen.

Ten aanzien van [persoon 2] en [persoon 3]

Op 4 januari 2012 zijn zonder dat de rekeninghouder dit wist betaalpassen met pincode voor de bankrekening van [naam BV] op naam van [persoon 2] en [persoon 3] aangevraagd. De nieuwe betaalpassen en de afhaalberichten voor de pincodes zijn door de bank afgegeven en op 6 januari 2012 verzonden naar het adres van [naam BV] in Amsterdam, waarna in ieder geval de betaalpas en het afhaalbericht op naam van [persoon 2] door de fraudeur(s) zijn onderschept. De bij de betaalpassen behorende pincodes zijn op 9 januari 2012 door de bank verstrekt en verzonden naar ING filiaal [filiaal 1] in Amsterdam. Op 16 januari 2012 heeft [medeverdachte 7] bij dit filiaal de pinbrief op naam van [persoon 2] op vertoon van het originele afhaalbericht en een vals of vervalst Brits legitimatiebewijs op naam van [persoon 2] opgehaald. Daarna is in Leidschendam geprobeerd om met de betaalpas van de bankrekening van [naam BV] een geldbedrag op te nemen, waarbij de betaalpas door de pinautomaat is ingenomen.

Ten aanzien van [persoon 4]

Op 2 januari 2012 heeft [persoon 4] een nieuwe betaalpas voor de bankrekening van haar bedrijf, [naam bedrijf] aangevraagd. De nieuwe betaalpas en het afhaalbericht voor de pincode zijn door de bank afgegeven en op 5 januari 2012 verzonden naar het huisadres van [persoon 4] , waarna de betaalpas en het afhaalbericht door de fraudeur(s) zijn onderschept. De bij de betaalpas behorende pincode is op 5 januari 2012 door de bank verstrekt en verzonden naar ING filiaal [filiaal 2] in Amsterdam. Op 19 januari 2012 heeft [medeverdachte 7] bij dit filiaal de pinbrief opgehaald, op vertoon van het originele afhaalbericht en een vals of vervalst Italiaans legitimatiebewijs op naam van [persoon 4] . Daarna is met de betaalpas vanaf de bankrekening van [naam bedrijf] een totaalgeldbedrag van € 1.800,- contant opgenomen. [persoon 4] was niet op de hoogte van het ophalen van de pincode en de geldopnames en heeft hier ook niet om verzocht.

In de tenlastelegging zijn de oplichtingsmiddelen “valse naam” en “valse hoedanigheid” vermeld, zonder dat deze in de daarop volgende feitelijke omschrijving nader zijn ingevuld. In de tenlastelegging is namelijk niet vermeld dat de daders gebruik hebben gemaakt van valse of vervalste legitimatiebewijzen om zich als de rekeninghouders voor te doen. Uit de bewijsmiddelen kan echter worden afgeleid dat [medeverdachte 7] zich bij de ING filialen heeft voorgedaan als [persoon 2] en [persoon 4] en zich daarbij met valse legitimatiebewijzen heeft gelegitimeerd en afhaalberichten voor de pincodes heeft overhandigd. Hierdoor is de bank bewogen de pinbrieven die niet op haar naam waren gesteld, toch af te geven. Uit deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat de handelwijze bedrog opleverde. De rechtbank acht de termen “valse naam” en “valse hoedanigheid” voldoende feitelijk om tot een bewezenverklaring van deze tenlastelegging te kunnen komen.

[medeverdachte 7] heeft verklaard dat zij in opdracht van [verdachte] de pinbrieven heeft opgehaald en heeft gepind. Toen [medeverdachte 7] [verdachte] leerde kennen, hield hij zich al bezig met pinpasfraude. Om wat geld te verdienen heeft [medeverdachte 7] [verdachte] hierbij geholpen. [medeverdachte 7] heeft verklaard dat zij in eerste instantie alleen opdrachten kreeg om met de betaalpassen van anderen geldbedragen te pinnen, maar later kreeg zij ook opdrachten om bankfilialen binnen te gaan om met valse legitimatiebewijzen pinbrieven op te halen. De afhaalberichten hiervoor en de valse legitimatiebewijzen ontving [medeverdachte 7] van [verdachte] of de mannen met wie hij samenwerkte. Als [medeverdachte 7] de pinbrieven had opgehaald, ontving zij van [verdachte] of de anderen ook de betaalpassen, waarmee zij vervolgens bij pinautomaten geld opnam. [medeverdachte 7] heeft verklaard dat zij de pinbrieven op naam van [persoon 2] en [persoon 4] heeft opgehaald met valse legitimatiebewijzen en documenten die zij van [verdachte] heeft gekregen. Het geldbedrag dat [medeverdachte 7] van de bankrekening van [naam bedrijf] opnam, moest zij overhandigen aan [verdachte] . Voor haar diensten kreeg [medeverdachte 7] telkens € 50,-. Ook heeft zij verklaard dat [verdachte] op 16 en 19 januari 2012 samenwerkte met een Afrikaanse man, met wie [verdachte] vaker samenwerkte.

Dat [verdachte] bij de oplichting van ING was betrokken, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen uit de verklaring van [medeverdachte 7] . In het dossier bevinden zich observaties van 16 en 19 januari 2012, waarbij de politie heeft waargenomen dat [verdachte] , [medeverdachte 7] en een Afrikaanse man, door de politie aangeduid als [naam] , elkaar hebben ontmoet bij het station Bijlmer Arena respectievelijk het station Muiderpoort en zich daarna hebben begeven naar de ING filialen waar de pinbrieven zijn opgehaald en de pinautomaten waar met de betaalpassen van [persoon 2] en [persoon 4] het saldo is gecontroleerd en geldbedragen zijn opgenomen of pogingen daartoe zijn verricht. De betrokkenheid van [verdachte] wordt ondersteund door de paallocaties van het mobiele telefoonnummer dat aan [verdachte] moet worden toegeschreven in combinatie met de telefoongesprekken die met dit nummer zijn gevoerd (naar de rechtbank aanneemt: door [verdachte] ) en die door de politie zijn getapt. Het dossier bevat tapgesprekken van 16 tot en met 19 januari 2012 van het telefoonnummer van [verdachte] met onder andere [medeverdachte 7] en [naam] . Tijdens deze tapgesprekken worden afspraken gemaakt om op 16 en 19 januari 2012 te gaan werken. Ook wordt gesproken over het maken van valse legitimatiebewijzen, de gang van zaken in de ING filialen en wordt door [verdachte] aan [medeverdachte 7] gevraagd of de bank de pinbrieven aan haar zal overhandigen, of op de bankrekeningen voldoende saldo staat en of het pinnen is gelukt. Gelet op deze bewijsmiddelen ziet de rechtbank geen aanleiding aan de verklaring van [medeverdachte 7] te twijfelen en gaat zij van die verklaring uit. Ook bestaat geen aanleiding de verklaringen van [medeverdachte 7] uit te sluiten van het bewijs wegens een schending van het ondervragingsrecht, gelet op de aanwezigheid van het hiervoor genoemde steunbewijs.

Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, waaronder de taakverdeling en de betrokkenheid en de rol van [verdachte] bij de voorbereiding, uitvoering en afhandeling van het misdrijf, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen een significante bijdrage heeft geleverd aan de oplichting van ING. Zijn handelen was van wezenlijk belang voor de verwezenlijking van de beoogde oplichting. Gelet op de gedragingen van [verdachte] , naar hun uiterlijke verschijningsvorm en in onderling verband bezien, acht de rechtbank het opzet van [verdachte] op zowel zijn eigen bijdrage als het misdrijf dat hij daarmee heeft ondersteund, bewezen. Om die reden moet hij als medepleger van de oplichting worden aangemerkt.

Dit leidt ertoe dat het onder 1 ten laste gelegde feit is bewezen.

4.4.2.

Deelname aan een criminele organisatie (feit 2)

Juridisch kader

De verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] wordt verweten dat zij hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had misdrijven te plegen. Dit is strafbaar gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Onder een organisatie als bedoeld in dit artikel moet worden verstaan een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en continuïteit tussen een verdachte en tenminste één andere persoon. Hoewel het plegen van misdrijven niet de enige of voornaamste bestaansgrond hoeft te zijn en het ook niet zo is dat een deelnemer bekend moet zijn (geweest) met alle personen die behoren tot de organisatie, moet een deelnemer om tot de organisatie te behoren wel een aandeel hebben in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, dan wel die gedragingen ondersteunen. Niet is vereist dat een deelnemer de door de organisatie beoogde misdrijven heeft uitgevoerd of opzet op die misdrijven had. Wel is (voorwaardelijk) opzet vereist voor de wetenschap van een verdachte dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Deelname aan een criminele organisatie betreft een zelfstandig strafbaar feit, waarbij een verdachte strafbaar is enkel vanwege zijn deelneming aan die organisatie. Dat betekent dat van het begaan van dat strafbare feit al sprake kan zijn als (nog) geen andere strafbare feiten zijn gepleegd, maar wel het oogmerk daartoe bestaat alsmede de deelneming hieraan. Omgekeerd brengt dit mee dat bewezenverklaring van ten laste gelegde betrokkenheid bij strafbare feiten niet automatisch tot bewezenverklaring van deelname aan de criminele organisatie leidt.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van voldoende samenhang in het handelen van de deelnemers aan de criminele organisatie, moet worden gezocht naar aanwijzingen of aanknopingspunten dat deze deelnemers zich bewust waren van hun rol of taak in het geheel, zoals te vinden zouden zijn in de aard en frequentie van onderlinge afspraken en contacten. Uiteraard kunnen tot het bewijs van een dergelijke bewuste betrokkenheid ook de bewijsmiddelen bijdragen die dienen als redengevende feiten en omstandigheden voor de bewezenverklaring van andere ten laste gelegde feiten. Verder is van belang dat ook gedragingen van een verdachte die medeplichtigheid bij of tot enig misdrijf opleveren, waarop het oogmerk van een criminele organisatie was gericht, kunnen worden gekwalificeerd als deelneming aan die organisatie.

Binnen dit juridisch kader zal de rechtbank bezien of kan worden bewezen dat sprake is geweest van een criminele organisatie, waaraan de verdachten hebben deelgenomen.

Beoordeling van het ten laste gelegde

Inherent aan de phishing fraude die gedurende onderzoek 13Ostara aan het licht is gekomen, is een zekere mate van organisatie van de activiteiten. Immers, vertrouwelijke informatie en klantgegevens van rekeninghouders worden verkregen, katvangers worden geronseld, nieuwe betaalpassen en pincodes worden aangevraagd, poststukken met betaalpassen en afhaalberichten voor pincodes worden door postmedewerkers onderschept en geldbedragen worden veiliggesteld door geldbedragen naar de bankrekeningen van katvangers over te boeken en op te nemen of direct vanaf de bankrekeningen van getroffen rekeninghouders op te nemen. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. Dat geldt vooral omdat er op bepaalde momenten snel gehandeld moet worden, wil een dergelijke fraude succesvol zijn.

De rechtbank stelt voorop dat bewezen is dat [verdachte] zich in de ten laste gelegde periode meermalen als medepleger heeft schuldig gemaakt aan de oplichting van ING. Uit het dossier kan bovendien een verdergaande betrokkenheid bij phishing fraude worden afgeleid.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat op basis van het dossier onderscheid moet worden gemaakt tussen twee samenwerkingsverbanden. Het eerste samenwerkingsverband hield zich bezig met het plegen van phishing door vertrouwelijke informatie van rekeninghouders te verkrijgen met hulp van bankmedewerkers, het verspreiden van e-mails die van een bank afkomstig leken, het telefonisch benaderen van rekeninghouders om hun inlogcodes voor internetbankieren te ontfutselen, en door vervolgens daarmee geldbedragen over te boeken naar de bankrekeningen van katvangers. Deze geldbedragen werden dan contant opgenomen door katvangers die door deelnemers van de organisatie werden aangestuurd en begeleid, of door die deelnemers zelf. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier worden afgeleid dat deze werkwijze is toegepast door een samenwerkingsverband dat bestond uit onder andere [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Het tweede samenwerkingsverband hield zich eveneens bezig met het plegen van phishing, maar door middel van een andere werkwijze, namelijk door stelselmatig poststukken te verduisteren, nieuwe betaalpassen en pincodes aan te vragen, poststukken met die nieuwe betaalpassen en afhaalberichten voor pincodes te verduisteren en daarna katvangers voorzien van valse legitimatiebewijzen onder begeleiding bij bankfilialen de pinbrieven met nieuwe pincodes te laten ophalen. Met de onderschepte betaalpassen en de verkregen pincodes werden vervolgens geldbedragen contant opgenomen door katvangers of deelnemers van de organisatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze tweede organisatie bestaan uit onder andere [verdachte] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] .

Uit de bewijsmiddelen, met name de tapgesprekken, de observaties en de tijdens de doorzoekingen in beslag genomen documenten en betaalpassen op naam van getroffen rekeninghouders, volgt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in een gestructureerd samenwerkingsverband zeer nauw betrokken waren bij het phishing proces waarbij het verkrijgen van geld via overboekingen naar katvangersrekeningen centraal stond. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] komen in het dossier naar voren als de kern van de organisatie. [medeverdachte 1] hield zich binnen het phishing proces bezig met het ronselen van katvangers(rekeningen) en het inloggen voor internetbankieren om geldbedragen over te boeken. [medeverdachte 3] heeft zich gericht op het bellen van rekeninghouders als bankmedewerkster om inlogcodes voor internetbankieren te verkrijgen. [medeverdachte 2] en [verdachte] komen in het dossier naar voren als sturende, leidinggevende personen, die gegevens van katvangers doorgaven tussen de verschillende deelnemers, zodat geldbedragen vanaf de bankrekeningen van de getroffen rekeninghouders naar de juiste katvangersrekeningen werden overgeboekt. Ook vermeldden zij in tapgesprekken wel wat de hoogte van de over te boeken geldbedragen moest zijn en begeleidden zij katvangers bij het pinnen. [verdachte] ’ nauwe betrokkenheid bij deze vorm van fraude wordt verder ondersteund door een getapt telefoongesprek met een contact in Nigeria over het namaken van de website van ABN AMRO. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] behoorden niet tot de kern van de organisatie, maar waren wel eveneens nauw bij het phishing proces betrokken. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hielden zich allebei bezig met het ronselen van katvangers(rekeningen) en het verhogen van de opnamelimieten van katvangersrekeningen. [medeverdachte 5] heeft deze rol binnen de organisatie niet erkend, maar bij de politie wel verklaard dat hij inderdaad katvangers heeft geronseld. [medeverdachte 4] heeft zich daarnaast gericht op het doorgeven van gegevens van katvangers naar [medeverdachte 2] en [verdachte] en was daarmee evenals [medeverdachte 2] en [verdachte] een schakel tussen de verschillende deelnemers. Verder was hij ook betrokken bij het pinnen van de overgeboekte geldbedragen, om de opbrengst uit het phishing proces veilig te stellen.

[verdachte] heeft naar het oordeel van de rechtbank voor het plegen van phishing ook samengewerkt met [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] . Uit de bewijsmiddelen, met name de tapgesprekken, de observaties, de tijdens de doorzoekingen in beslag genomen documenten en betaalpassen op naam van getroffen rekeninghouders en de verklaringen van [medeverdachte 7] , volgt dat [verdachte] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] in een gestructureerd samenwerkingsverband zeer nauw betrokken waren bij het phishing proces waarbij het pinnen van geld direct vanaf de bankrekeningen van getroffen rekeninghouders centraal stond. [verdachte] en [medeverdachte 8] komen in het dossier naar voren als de kern van de organisatie en als sturende, leidinggevende personen, die katvangers ronselden en aanstuurden en valse legitimatiebewijzen regelden, waarmee de katvangers bankfilialen binnengingen om pinbrieven met nieuwe pincodes op te halen. Ook stonden zij in contact met [medeverdachte 6] , die voor hen gedurende een langere periode stelselmatig betaalpassen en afhaalberichten voor pincodes verduisterde, die nodig waren om pinbrieven op te halen en later geldbedragen te kunnen pinnen. [medeverdachte 7] behoorde niet tot de kern van de organisatie. Zij heeft zich binnen het phishing proces gericht op het ophalen van pinbrieven bij bankfilialen en pinnen van geldbedragen met de verduisterde betaalpassen en verkregen pincodes. [medeverdachte 7] handelde hierbij in opdracht van anderen, zoals [verdachte] en [medeverdachte 8] . Aan hen stond zij de gepinde geldbedragen af. [medeverdachte 7] heeft deze rol binnen de organisatie erkend. Haar rol kan naar het oordeel van de rechtbank enigszins gelijk worden getrokken met die van de katvangers, met dat verschil dat bij [medeverdachte 7] meer dan bij de katvangers sprake was van een bewustheid om deel te nemen aan een organisatie, dat zij ook zelf het initiatief nam door [verdachte] om opdrachten (‘werk’) te vragen en dat zij gedurende een langere periode een aandeel heeft gehad in deze organisatie.

In het licht van deze feiten en omstandigheden, waaronder de betrokkenheid van [verdachte] , de taakverdeling en de frequentie en inhoud van de onderlinge contacten, acht de rechtbank bewezen dat sprake is geweest van een samenwerking tussen [verdachte] en de andere verdachten dat moet aangemerkt worden als een criminele organisatie in bovenbedoelde zin. Het gaat om een duurzaam verband van samenwerkende personen, die zich gedurende geruime tijd en met een zekere frequentie bezighielden met het plegen van phishing. Door de verdediging is wel gesuggereerd dat veeleer sprake was van concurrentie dan van samenwerking; zovelen hielden zich destijds bezig met phishing fraude en iedereen probeerde voor zich wat bij te verdienen. Dit verweer faalt. Zoals hiervoor is overwogen en uit de bewijsmiddelen blijkt, werkten de genoemde verdachten in de bewezen verklaarde periode samen bij het oplichten van banken en rekeninghouders. Dat ook andere personen zich in de bewuste periode in georganiseerd verband bezig hebben gehouden met vergelijkbare vormen van fraude, doet voor de beoordeling van het samenwerkingsverband van deze verdachten niet ter zake.

Op basis van de bewijsmiddelen kan niet worden bewezen wat de precieze afspraken tussen de verdachten waren of dat de verdachten met elke deelnemer van de organisatie bekend zijn geweest of contact hebben gehad, maar dat is voor een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie ook niet vereist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] een substantieel aandeel gehad in de criminele organisatie en de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Ook worden uit de bewijsmiddelen afgeleid zijn bewuste betrokkenheid bij deze criminele organisatie en het (voorwaardelijk) opzet op het oogmerk van de organisatie om misdrijven te plegen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] aan deze criminele organisatie heeft deelgenomen.

Dit leidt ertoe dat het onder 2 ten laste gelegde feit is bewezen.

Op basis van het dossier kan niet worden geconcludeerd dat [verdachte] in 2010 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Dit wordt [verdachte] verweten naar aanleiding van de identificatie van [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] als betrokkenen bij de in zaakdossier 10Saturnus vermelde misdrijven. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachten die in dit zaakdossier aan de orde komen, onvoldoende in verband kunnen worden gebracht met de phishing fraude die gedurende onderzoek 13Ostara aan het licht is gekomen en de verdachten die zijn geïdentificeerd als de daders van deze fraude. Zodoende kan niet worden bewezen dat tussen [verdachte] en de andere verdachten in 2010 sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband gericht op het plegen van phishing fraude. [verdachte] wordt van dit gedeelte van de tenlastelegging vrijgesproken.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [verdachte]

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

in de periode van 4 januari 2012 tot en met 19 januari 2012 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid ING Bank N.V. heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen en bankpassen en pincodebrieven, immers hebben hij en/of zijn mededader(s) aldaar

- op 4 januari 2012 een aanvraag gemachtigde betaalpassen met pincode voor rekening [rekeningnummer 1] op naam voor [persoon 2] en [persoon 3] ingediend, terwijl [naam BV] en die [persoon 2] en die [persoon 3] hier nimmer om verzocht hebben, en op of omstreeks 10 januari 2012 een brief, waarmee de pincode voor de nieuwe betaalpas ( [nummer betaalpas 1] ) voor die [persoon 2] kan worden opgehaald, ontvangen, en op 16 januari 2012 een brief met pincode voor die betaalpas ( [nummer betaalpas 3] ) voor die [persoon 2] afgehaald, en

- op of omstreeks 6 januari 2012 de betaalpas ( [nummer betaalpas 2] ) van [persoon 4] ontvangen, en op 19 januari 2012 een brief met pincode afgehaald en vervolgens met die bankpas ( [nummer betaalpas 2] ) geldbedragen ter hoogte van 1.000,00 euro en 250,00 euro en 550,00 euro opgenomen, terwijl die [persoon 4] hier nimmer om verzocht heeft;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

omstreeks de periode van 28 oktober 2011 tot en met 10 februari 2012 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] en [persoon 1] en één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten oplichting van (rechts)personen (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en (gewoonte)witwassen van bedragen (artikel 420ter/420bis Wetboek van Strafrecht) en verduistering gepleegd door postfunctionaris (artikel 273b Wetboek van Strafrecht) en diefstal (in vereniging) met gebruikmaking van valse sleutels (artikel 311 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. Hij is dan ook strafbaar.

7 De strafmotivering

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] , gezien de ernst van de door haar bewezen geachte feiten en zijn rol in de criminele organisatie enerzijds, en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting anderzijds, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. De officier van justitie heeft ook de gevangenneming van [verdachte] gevorderd.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om in geval van strafoplegging de betrokkenheid van [verdachte] bij de ten laste gelegde oplichting als uitgangspunt te nemen en daarnaast acht te slaan op de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop moet worden volstaan met oplegging van een taakstraf.

De raadsman heeft ook verzocht om de vordering tot gevangenneming af te wijzen, omdat de door de officier van justitie vermelde grond hiervoor, namelijk het gevaar voor recidive, niet kan worden onderbouwd. Mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting is er geen enkele gegronde reden om het moment waarop een eventueel te executeren gevangenisstraf onherroepelijk wordt, niet in vrijheid af te mogen wachten.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.

[verdachte] heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting van ING. Ook heeft hij deelgenomen aan een criminele organisatie. [verdachte] is aangehouden naar aanleiding van een onderzoek naar grootschalige phishing fraude, waarbij de daders zich in georganiseerd verband schuldig hebben gemaakt aan het plegen van oplichting, verduistering, diefstal door middel van valse sleutel en witwassen. Van de opbrengsten hieruit hebben zij geprofiteerd. [verdachte] was daarbij één van de leidinggevende personen en heeft als schakel tussen de verschillende deelnemers aan de organisatie een onmisbare rol gehad.

De criminele organisatie waaraan [verdachte] heeft deelgenomen, had tot doel misdrijven te plegen die verband houden met phishing fraude. De bijdrage van [verdachte] aan de op grote schaal en in georganiseerd verband gepleegde misdrijven heeft het economisch systeem en het vertrouwen van de getroffen rekeninghouders in het betalingsverkeer en bankwezen ernstig ondermijnd. Het vertrouwen in het postverkeer is eveneens ondermijnd. [medeverdachte 6] was ten tijde van de misdrijven bij PostNL werkzaam. Hij heeft in ernstige mate misbruik gemaakt van zijn positie en het door zijn werkgever in hem gestelde vertrouwen. Ook heeft de organisatie met de begane misdrijven voor banken en rekeninghouders schade veroorzaakt. Wanneer het vertrouwen in het betalingsverkeer en bankwezen bij consumenten in het algemeen niet meer aanwezig is, bestaat bovendien het risico van een ernstige ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer. Aangenomen mag worden dat de organisatie erop uit is geweest geldelijk gewin te behalen, zonder zich daarbij te laten weerhouden door deze gevolgen.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de straffen die rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken daarvoor plegen op te leggen, waarbij de deelname aan een criminele organisatie, de bewezen verklaarde periode en de rol van [verdachte] het zwaartepunt zijn, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd.

De rechtbank heeft bij de keuze voor de duur van de op te leggen gevangenisstraf ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , zoals die uit het dossier en ter terechtzitting zijn gebleken. Hierin ziet de rechtbank geen strafmatigende omstandigheden.

Verder heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. Op 10 februari 2012 is [verdachte] in het kader van onderzoek 13Ostara aangehouden en in verzekering gesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn advocaat op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Omdat het eindvonnis thans op 24 januari 2017 wordt gewezen en de rechtbank van zodanige bijzondere omstandigheden niet is gebleken, is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze overschrijding vast op bijna drie jaar. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn van berechting resulteert erin dat de rechtbank de duur van de beoogde gevangenisstraf met vier maanden zal matigen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden.

De rechtbank zal, in afwijking van de vordering van de officier van justitie, geen bevel tot gevangenneming verlenen, nu daarvoor geen gronden zijn.

8 De vordering benadeelde partij

De benadeelde partij ING heeft betaling van € 1.800,- aan materiële schadevergoeding gevorderd, bestaande uit frauduleus opgenomen geldbedragen vanaf de bankrekening van [persoon 4] . De benadeelde partij heeft verzocht om bij toewijzing van de vordering het geleden schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van ING hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel toe te wijzen. [verdachte] en [medeverdachte 7] hebben volgens de officier van justitie de oplichting ten aanzien van [persoon 4] samen begaan, wat betekent dat zij beiden aansprakelijk zijn voor de geleden schade.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Bij toewijzing van de vordering heeft de raadsman verzocht om af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De mogelijkheid tot het opleggen van de maatregel is ingevoerd met het oog op het verbeteren van de kwetsbare positie van slachtoffers. Het bedoelde gevolg van deze invoering is niet het opleggen van de maatregel ten aanzien van benadeelde partijen die zelf kunnen zorgdragen voor het incasseren van betalingen tot schadevergoeding, zoals banken. Gegeven de financiële situatie van [verdachte] zijn daarnaast betalingsproblemen en de tenuitvoerlegging van de bij de maatregel behorende vervangende hechtenis niet onvoorstelbaar. Oplegging van de maatregel zal hoogstwaarschijnlijk tot nieuwe vrijheidsbeneming leiden, wat volgens de raadsman zeer onwenselijk is.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderbouwing van de vordering benadeelde partij is duidelijk geworden dat ING materiële schade heeft geleden, namelijk door het vergoeden van de geldbedragen die frauduleus van de bankrekening van [persoon 4] contant zijn opgenomen. De door [verdachte] en [medeverdachte 7] als medeplegers begane oplichting heeft rechtstreeks deze schade veroorzaakt. Zij zijn naar burgerlijk recht dan ook allebei hoofdelijk voor die schade aansprakelijk. Het gegeven dat [verdachte] en [medeverdachte 7] misschien niet in gelijke delen van de opbrengsten uit het misdrijf hebben geprofiteerd, maakt die conclusie niet anders.

Dit alles leidt ertoe dat de vordering van ING wordt toegewezen. [verdachte] en [medeverdachte 7] worden verplicht tot betaling van een geldbedrag van € 1.800,- aan ING, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade op 19 januari 2012 is ontstaan, behoudens voor zover de vordering reeds door of namens de ander is betaald.

De rechtbank zal, in afwijking van de vordering van de officier van justitie, aan [verdachte] niet de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank overweegt dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de strafrechtelijke positie van de benadeelde partij beoogt te versterken door herstel van de rechtmatige toestand. Aan het doel en de strekking van deze maatregel ligt de gedachte ten grondslag om de benadeelde partij het incasseren van het verschuldigde schadebedrag uit handen te nemen en dit door het Openbaar Ministerie te laten verzorgen. De rechtbank is van oordeel dat een bank bij uitstek een benadeelde partij is die zelf in staat is haar vorderingen te incasseren. Dit behoort immers tot de dagelijkse werkzaamheden van banken. Om die reden ziet de rechtbank geen termen aanwezig de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 140 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissingen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart bewezen dat [verdachte] de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit

- medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit

- deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden en beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van ING toe tot € 1.800,- (achttienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 19 januari 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van dit geldbedrag, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander ( [medeverdachte 7] ) is betaald.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. B. Vogel en T.T. Hylkema, rechters

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 januari 2017.

Bijlage 1

De volledige tekst van de tenlastelegging

Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat hij

1. (hoofdzakelijk zaakdossier 16 januari 2012 & 19 januari 2012) in of omstreeks de periode van 4 januari 2012 tot en met 19 januari 2012 te Amsterdam en/of Tilburg en/of Duivendrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Rabobank en/of de ABN AMRO Bank en/of ING Bank en/of Fortisbank en/of SNS-Bank en/of Postkantoor en/of een of meer andere rechtspersonen en/of een of meer andere personen heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) en/of bankpas(sen) en/of pin(code)brieven/pin(code)brief, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) aldaar (onder meer)

- ( op of omstreeks 4 januari 2012) een aanvraag gemachtigde betaalpassen met pincode voor rekening [rekeningnummer 1] op naam voor [persoon 2] en/of [persoon 3] ingediend, terwijl [naam BV] en/of die [persoon 2] en/of die [persoon 3] hier nimmer om verzocht heeft en/of (op of omstreeks 10 januari 2012) een brief, waarmee de pincode voor de nieuwe betaalpas ( [nummer betaalpas 1] ) voor die [persoon 2] kan worden opgehaald, ontvangen en/of (op of omstreeks 16 januari 2012) een (brief met) pincode voor die betaalpas ( [nummer betaalpas 3] ) voor die [persoon 2] afgehaald, en/of

- ( op of omstreeks 6 januari 2012) de betaalpas ( [nummer betaalpas 2] ) van [persoon 4] ontvangen en/of (op of omstreeks 17 januari 2012) een herpin voor de zakelijke rekening [rekeningnummer 2] (ten name van [naam bedrijf] , gemachtigde die [persoon 4] ) aangevraagd en/of (op of omstreeks 19 januari 2012) een (brief met) pincode en/of herpin afgehaald en/of (vervolgens) met die bankpas ( [nummer betaalpas 2] ) een of meer geldbedrag(en) ter hoogte van 1.000,00 euro en/of 250,00 euro en/of 550,00 euro opgenomen, terwijl die [persoon 4] hier nimmer om verzocht heeft;

2. (hoofdzakelijk zaakdossier 16 januari 2012 & 19 januari 2012 en zaakdossier Postmedewerker en zaakdossier 140 [naam dossier]) in of omstreeks de periode(s) van 8 september 2010 tot en met 26 november 2010 en/of 28 oktober 2011 tot en met 10 februari 2012 te Amsterdam en/of Hoofddorp en/of Noordwijk en/of Rotterdam en/of Lunteren en/of Eindhoven en/of Tilburg en/of Goirle en/of Den Haag en/of Haarlem en/of Duivendrecht en/of Grijpskerk en/of Almere en/of 's-Hertogenbosch en/of Nijmegen en/of Baarn en/of Rijswijk en/of Groningen en/of Oostzaan en/of Monster en/of Heerhugowaard en/of Gouda en/of Leeuwarden en/of Diemen, in elk geval in Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen (te weten [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 5] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 10] en/of [persoon 1] en/of één of meer andere personen), heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten oplichting van één of meerdere (rechts)perso(o)n(en) (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of (gewoonte)witwassen van één of meer bedrag(en) (artikel 420ter/420bis Wetboek van Strafrecht) en/of verduistering gepleegd door postfunctionaris (artikel 273b Wetboek van Strafrecht) en/of diefstal (in vereniging) met gebruikmaking van valse sleutels (artikel 311 Wetboek van Strafrecht).