Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:3816

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 793
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging aanvullende bijstand. Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen. Echtpaar met Bulgaarse nationaliteit. Rechtmatig verblijf EU-burgers in geschil. Besluit onzorgvuldig voorbereid. Onvoldoende informatie. Overleg IND voldoet niet aan de eisen rechtspraak. Aan verweerder om vervolg te geven en verdere navraag te doen. Beroep gegrond. Vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/793

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2017 in de zaak tussen

[eisers 2] , te Amsterdam, eisers

(gemachtigde: mr. C.A. Madern),

en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. H.S. van Zanten).

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) van eisers per 1 september 2016 beëindigd.

Bij besluit van 28 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Tevens is aan de zijde van eisers verschenen [tolk] , die voor eisers heeft getolkt. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben de [nationaliteit] nationaliteit. Zij hebben zich op 4 maart 2008 gevestigd in Nederland. Tot 14 juli 2011 werkte [eiser] als zelfstandige. Vanaf 1 juni 2009 ontvangen eisers een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Van 18 juli 2011 tot 1 september 2016 ontvingen eisers naast deze AOW-uitkering ook aanvullende bijstand, de AIO-aanvulling.

2.1.

Bij brief van 1 september 2016 heeft verweerder medegedeeld dat de betaling van de AIO-aanvulling met ingang van 1 september 2016 wordt gestopt, omdat eisers volgens een opgave van de gemeente Amsterdam vanaf 27 februari 2014 geen geldige verblijfsvergunning meer zouden hebben. Verweerder heeft eisers in deze brief verzocht om toezending van een kopie van de beschikking van de IND waaruit blijkt dat aan eisers een (geldige) verblijfsvergunning is toegekend vanaf 27 februari 2014 tot en met de datum van die brief. Eisers hebben op deze brief niet gereageerd. Verweerder is vervolgens overgegaan tot het nemen van het primaire besluit. Daarin is het recht op AIO-aanvulling met ingang van 1 september 2016 definitief beëindigd, omdat verweerder ervan uitgaat dat eisers vanaf 27 februari 2014 geen geldige verblijfstitel meer hebben.

2.2.

In de bezwaarfase heeft verweerder op 21 november 2016 een brief aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gezonden waarin hij stelt dat volgens de hem beschikbare gegevens het rechtmatig verblijf van eisers met ingang van 27 respectievelijk 28 februari 2014 is beëindigd. Daarnaast stelt hij dat er volgens uitspraken van de Centrale Raad van Beroep toch recht op bijstand kan bestaan als betrokken in Nederland mogen zijn en blijven en dat de beslissing hierover aan de IND is overgelaten. Verweerder verzoekt de IND mee te delen of zij heeft beslist dat betrokkenen toch in Nederland mogen blijven of dat er toch sprake is van een uitwijzing. Ook verneemt verweerder graag of de aantekening wellicht het gevolg is van het feit dat betrokkenen als EU-burgers op dat tijdstip (bijna) 5 jaar onafgebroken legaal in Nederland hebben verbleven of dat dit misschien te maken heeft met het feit dat Bulgaren vanaf 1 januari 2014 geen tewerkstellingsvergunning meer nodig hebben om hier te werken.

2.3.

Op 14 december 2016 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen een beoordelaar van verweerder en mevrouw [naam] van de IND, omdat een reactie op verweerders brief van 21 november 2016 uitbleef. De inhoud van dit telefoongesprek is vastgelegd in een telefoonrapport van 14 december 2016 dat zich als gedingstuk 17 in het dossier bevindt. De inhoud van dit rapport luidt als volgt. “Deelde mee dat met code 41 de procedure bij de IND is afgerond. Betrokkene is niet tijdig in bezwaar gekomen.

Volgens mevrouw bestaat er dan geen recht meer op toeslagen en/of uitkeringen.

Gevraagd om een kopie van de beslissing. Deze mag zij niet geven.?!

Uitgelegd dat indien er geen sprake is van een uitzetting er mogelijk nog wel recht op een AIO-aanvulling kan bestaan.

Gevraagd of er een uitzettingsprocedure volgt en/of hierover al een beslissing is genomen. Daarop werd medegedeeld dat Unie-burger niet wordt uitgezet. Zij dienen uit zich zelf te vertrekken.”

2.4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. De AIO-aanvulling van eisers is beëindigd per 1 september 2016, omdat eisers volgens verweerder geen rechthebbenden zijn in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Participatiewet (Pw). Volgens verweerder is uit het telefonisch contact met de IND namelijk gebleken dat de IND het verblijfsrecht van eisers heeft beëindigd. Daarom voldoen eisers niet aan de in de Richtlijn 2004/38/EG (de Richtlijn) neergelegde regels, aldus verweerder. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat de beëindiging van de AIO-aanvulling niet is gebaseerd op de schending van de medewerkingsplicht door het niet toezenden van de gevraagde bankafschriften en informatie over eisers verblijfsstatus.

3.1.

Eisers voeren in beroep aan dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat zij geen rechtmatig verblijf hebben. Zij stellen als EU-burger van rechtswege een duurzaam verblijfsrecht te hebben. Subsidiair stellen zij dat zij inmiddels al negen jaar in Nederland wonen en al bijna zes jaar een AIO-aanvulling ontvangen. Doordat verweerder niet al eerder heeft gemeld dat dit recht niet bestond, hebben eisers een bestaan met sterke banden in
Nederland opgebouwd. Van hen kan niet verlangd worden dat zij terugkeren naar Bulgarije. Doordat verweerder heeft nagelaten de uitkering eerder te beëindigen, mochten eisers erop vertrouwen dat hun recht op een AIO-aanvulling bleef bestaan.

3.2.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

3.3.

In artikel 11, eerste lid, van de Pw is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. In het tweede lid van artikel 11 van de Pw is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld wordt de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn.

3.4.

Op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Een regeling als bedoeld in deze bepaling is onder meer de Richtlijn, die in nationale wet- en regelgeving is geïmplementeerd en nader is uitgewerkt. Uit de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer de uitspraak van 7 juli 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AI0903), blijkt dat een redelijke uitleg van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 meebrengt dat onder deze bepaling ook moet worden begrepen een verblijfsrecht dat rechtstreeks voortvloeit uit het EG-Verdrag, thans het Verdrag betreffende de Europese Unie (VWEU), zelf.

3.5.

De Richtlijn is in nationale wet- en regelgeving geïmplementeerd en nader uitgewerkt, onder meer in de artikelen 8.7 t/m 8.25 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Zo is in artikel 8.16, eerste lid van het Vb bepaald dat een beroep op de algemene middelen niet zonder meer leidt tot beëindiging van het rechtmatig verblijf. Voorts is in paragraaf B10/2.5.1 van de Vc, voor zover hier van belang, vermeld dat het rechtmatig verblijf van een onderdaan van de Europese Unie, dat vanaf zijn inreis rechtmatig is, slechts met een beschikking kan worden beëindigd. In dat geval wordt in de vreemdelingenadministratie aangetekend dat het rechtmatig verblijf is beëindigd.

3.6.

In geschil is of eisers rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, in welk geval verweerder hen als rechthebbenden in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Pw had moeten aanmerken.

3.7.

Bij de beoordeling hiervan is het volgende van belang. Zoals de Centrale Raad voor Beroep (Raad) heeft overwogen, onder meer in haar uitspraken van 18 maart 2013 en 19 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3853 en ECLI:NL:2013:BZ3857), is het de primaire verantwoordelijkheid van - thans - de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven. De Raad overweegt verder dat het beginsel van Unietrouw, zoals verwoord in artikel 4, derde lid, van het EG-Verdrag, thans artikel 4, derde lid van het VWEU, met zich meebrengt dat de autoriteiten van de lidstaten met elkaar in overleg treden met het oog op een nuttige toepassing van het Unierecht. Dit geldt des te meer voor autoriteiten binnen een lidstaat. Het ligt dan ook bij de beoordeling van het recht op, in dit geval aanvullende, bijstand op de weg van verweerder om in overleg met de staatssecretaris te onderzoeken of eisers aan het recht van de Unie een verblijfsrecht hier te lande kunnen ontlenen. De Raad wijst op een uitspraak ter vergelijking, de uitspraak van 14 november 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB7789) van de Afdeling. Uit wat onder 4.2. en 4.3. van deze uitspraak is overwogen vloeit volgens de Raad voort dat van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 dient te worden uitgegaan, zolang door de staatssecretaris geen besluit is genomen over de beëindiging van het verblijfsrecht. Vergelijk in dit verband de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling en die van 7 juli 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AI0903).

3.8.

De rechtbank stelt voorop dat de beëindiging van eisers AIO-aanvulling een belastend besluit is en dat dit meebrengt dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat eisers geen rechtmatig verblijf hebben en daardoor niet langer aanspraak kunnen maken op die AIO-aanvulling.

3.9.

Zoals hierboven al is vermeld, heeft verweerder de IND schriftelijk verzocht om informatie. Verweerder heeft geen schriftelijke reactie op dit verzoek ontvangen en daarom telefonisch contact gezocht met de IND. Door een medewerker van de IND, waarvan wel de naam, maar niet de functie bekend zijn, is informatie verschaft. Afgaande op de inhoud van het telefoonrapport is dit slechts summier gebeurd. Door de IND zou zijn gemeld dat de procedure bij de IND met code 41 is afgerond en dat niet tijdig bezwaar is gemaakt. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd gemeld dat code 41 zou behelzen dat het verblijfsrecht is beëindigd vanwege een beroep op de publieke middelen. Uit het telefoonrapport blijkt niet dat de in het telefoongesprek gegeven informatie is onderbouwd. Zo staat niet de datum vermeld van de beslissing waarmee het verblijfsrecht zou zijn beëindigd. Het verzoek van de beoordelaar van verweerder om een kopie van de desbetreffende beslissing zou zijn geweigerd. Uit de in de desbetreffende passage van het rapport geplaatste leestekens “?!” blijkt dat dit deze beoordelaar heeft bevreemd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op deze wijze niet beschikt over voldoende, verifieerbare informatie om invulling te kunnen geven aan het overleg dat volgens de hierboven genoemde vaste rechtspraak tussen verweerder en de IND dient plaats te vinden. Het had op de weg van verweerder gelegen om een vervolg te geven aan het telefonische contact en bij verweerder verder navraag te doen naar hetgeen zich al dan niet had voorgedaan ten aanzien van de verblijfstitel van eisers en om hiervan een onderbouwing te vragen. Door het voorgaande na te laten heeft verweerder het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid. Daarom behoeft het beroep van eisers voor het overige geen bespreking.

4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het beroep gegrond verklaart en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal binnen 6 weken een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak, hetgeen betekent dat verweerder alsnog het onderzoek zal moeten doen dat zij heeft nagelaten te doen. In de omstandigheid dat dit onderzoek eerst zal moeten plaatsvinden, is de reden gelegen dat de rechtbank niet zelf in de zaak zal voorzien.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 990,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, rechter, in aanwezigheid van
mr.C. Pasteuning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.