Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:381

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
13/702842-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inbreuk op het auteursrecht van CBR en IBKI door middel van heimelijk opnemen en verveelvoudigen van examenvragen met commerciële doeleinden. Diefstal in vereniging van examenvragen CBR en IBKI door middel van opnemen examenvragen met een spybril. Voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/702842-14

Datum uitspraak: 25 januari 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,


geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

ter terechtzitting opgegeven verblijfadres: [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. de Groot en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.A. Bloemberg naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

- tijdens een of meerdere theorie-examen(s) van voornoemd CBR (met behulp van

een spybril) een of meerdere opname(s) gemaakt van een of meerdere examenvra(a)g(en) en/of

- een of meerdere van voornoemde opname(s) van die examenvra(a)g(en) (vervolgens) gebruikt voor de theorieles(sen) en/of openbaar gemaakt tijdens die theorieles(sen) van de rijschool van hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of

- voornoemde opname(s) van examenvra(a)g(en) ter verveelvoudiging en/of verspreiding voorhanden gehad en/of gehouden en/of uit winstbejag bewaard,

terwijl hij, verdachte, en of zijn mededader(s) van het plegen van voornoemd

misdrijf zijn/hun beroep heeft/hebben gemaakt en/of bovengenoemd misdrijf als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere examenvra(a)g(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 maart 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam en/of Zwolle en/of Zaandam en/of Best en/of Nieuwegein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van het IBKI, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

- tijdens een of meerdere theorie-examen(s) van voornoemd IBKI (met behulp van

een spybril) een of meerdere opname(s) gemaakt van een of meerdere examenvra(a)g(en) en/of

- een of meerdere van voornoemde opname(s) van die examenvra(a)g(en) (vervolgens) gebruikt voor de theorieles(sen) van de rijschool van hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of

- voornoemde opname(s) van examenvra(a)g(en) ter verveelvoudiging en/of verspreiding voorhanden gehad en/of gehouden en/of uit winstbejag bewaard,

terwijl hij, verdachte, en of zijn mededader(s) van het plegen van voornoemd misdrijf zijn/hun beroep heeft/hebben gemaakt en/of bovengenoemd misdrijf als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend;

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 maart 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam en/of Zwolle en/of Zaandam en/of Best en/of Nieuwegein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere examenvra(a)g(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het IBKI, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5.

hij op of omstreeks 9 oktober 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een of meer examenvra(a)g(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het CBR (Centraal bureau Rijvaardigheidsbewijzen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen met zijn mededader(s), althans alleen, met een spybril naar een theorie-examen van het CBR is toegegaan en/of (vervolgens) heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- die spybril opgezet en/of

- deel genomen aan dat theorie-examen van het CBR en/of bij voornoemd theorie-examen een of meerdere opname(s) gemaakt van de examenvra(a)g(en);

6.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks 22 september 2014 tot en met 16 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van (in totaal) ongeveer 10.000 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten, voornoemd geldbedrag was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, voorhanden heeft gehad,

terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

7.

hij op of omstreeks 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (kaliber .22), en/of munitie van categorie III, te weten 10, in elk geval een of meer patro(o)n(en) (kaliber .22), voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

8.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks 25 september 2014 tot en met 16 oktober 2015 te Amsterdam en/of te Schiphol, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een gelbedrag van (in totaal) ongeveer 95786,35 euro heeft overgedragen en/of van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten, voornoemd geldbedrag was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, voorhanden heeft gehad, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van het onder feit 1 en 3 ten laste gelegde:

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft betoogd dat de officier van justitie ten aanzien van het onder feit 1 en 3 ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat uit de Aanwijzing intellectuele-eigendomsfraude (hierna: de Aanwijzing) volgt dat bestrijding van inbreuken op intellectuele eigendomsrechten dient te geschieden via civielrechtelijk optreden van de belanghebbenden. Zowel het Centraal Bureau voor de Rijvaardigheid (hierna: het CBR) als het Innovam Branche Kwalificatie Instituut (hierna: het IBKI) hebben echter geen civielrechtelijke stappen ondernomen. Het strafrecht komt alleen in beeld als het algemeen belang in het geding is, hetgeen volgens de verdediging in de onderhavige zaak niet is gebleken. Nu het Openbaar Ministerie ondanks de Aanwijzing vervolging tegen verdachte heeft ingesteld zijn de beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden, hetgeen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Een zo vergaande sanctie als de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie kan slechts volgen indien sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Deze situatie is hier niet aan de orde. De Aanwijzing waar de raadsvrouw naar verwijst is recht in de zin van artikel 79 Wet op de rechterlijke organisatie. Uit de Aanwijzing volgt dat strafrechtelijke vervolging mogelijk is wanneer het algemeen belang in het geding komt. De rechtbank stelt vast dat het systeem van theorie-examinering voor het behalen van het rijbewijs en/of van een certificaat tot rijinstructeur, is ontworpen ten behoeve van de verkeersveiligheid op de openbare weg. Hiermee wordt een algemeen belang gediend. Nu de verdenking het beroepsmatig inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en IBKI betreft, is de rechtbank van oordeel dat het reeds beschreven algemeen belang van de verkeersveiligheid in het geding is. Beide instellingen dragen met de examinering van de theorie-onderdelen immers bij aan het waarborgen van de verkeersveiligheid. Daarbij is het niet van belang of al dan niet komt vast te staan dat het handelen van verdachte gevaar voor de verkeersveiligheid heeft opgeleverd. Er is dus geen sprake van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarom is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 6 ten laste gelegde en tot een bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 8 ten laste gelegde, en heeft hiertoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De betrokkenheid van verdachte bij het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen van inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal in vereniging van examenvragen van het CBR acht de officier van justitie bewezen, nu uit het dossier blijkt dat verdachte op de hoogte was van de gepleegde diefstallen en de inbreuk op het auteursrecht. Verdachte heeft dit ook ter terechtzitting erkend. Verdachte heeft opzettelijk verschillende personen opdracht gegeven om met een spybril examenvragen op te nemen bij het CBR en daar vervolgens gebruik van gemaakt, door het beeldmateriaal te gebruiken bij de theorielessen van [verkeersschool] . Op de bij verdachte aangetroffen laptop zijn meerdere video’s en PowerPointpresentaties aangetroffen waar de met de spybril opgenomen beelden in zijn verwerkt. Verdachte gebruikte dit materiaal bij zijn theorielessen en adverteerde op internet ook met de nieuwe vragen van het CBR. Alle deelnemers aan de theorie-examens waarvan is vastgesteld dat zij beeldmateriaal hebben opgenomen, zijn door [verkeersschool] aangemeld voor die theorie-examens.


Het onder feit 3 ten laste gelegde medeplegen van inbreuk op het auteursrecht van het IBKI en de onder feit 4 ten laste gelegde diefstal in vereniging van examenvragen van het IBKI, acht de officier van justitie eveneens bewezen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft meermalen heimelijk theorie-examens van IBKI opgenomen. De verdachte moet daar, als vennoot van [verkeersschool] , van op de hoogte zijn geweest. Voorts had verdachte de opgenomen IBKI-examens voorhanden op zijn computer waar hij binnen de rijschool gebruik van maakte.


De betrokkenheid van verdachte bij de onder feit 5 ten laste gelegde poging diefstal van examenvragen van het CBR op 9 oktober 2013, volgt uit het aangetroffen filmpje op de spybril waarin verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] uitleg geeft over de werking van de spybril. Op grond van de uitgekeken beelden acht de officier van justitie een bewuste en nauwe samenwerking aanwezig. Voorts verklaart [persoon] dat zij de bril van verdachte heeft ontvangen en opnames moest maken van het theorie-examen bij het CBR.


De officier van justitie vraagt vrijspraak voor het onder feit 6 ten laste gelegde (schuld)witwassen, nu uit het dossier volgt dat verdachte het geldbedrag op zijn bruiloft als gift van zijn gasten heeft ontvangen.

Ten aanzien van het onder feit 7 ten laste gelegde in vereniging voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, overweegt de officier van justitie dat het wapen en de munitie zijn aangetroffen in de kledingkast van verdachte. Verdachte heeft het feit ter terechtzitting bekend.

Tot slot acht de officier van justitie het onder feit 8 ten laste gelegde (schuld)witwassen bewezen. Verdachte heeft contact gelegd met een persoon in Libanon teneinde een bankrekening te openen en heeft vervolgens verschillende personen gevraagd om met hem op reis te gaan en voor hem een geldbedrag mee te nemen. Hiermee is getracht de rechthebbende en het verplaatsen van het geld te verhullen. Er is sprake van meerdere witwastypologieën en verdachte kan het voorhanden hebben van bijna honderdduizend euro niet uit legale bron verklaren. Dit wordt ondersteund door zijn uit het dossier naar bovenkomende financiële gegevens en het feit dat hij geen stukken kan overleggen waaruit zijn inkomsten zouden blijken. Het witwasvermoeden kan door verdachte dan ook niet met een concrete verifieerbare verklaring over de legale herkomst van het geld worden weggenomen. Indien wordt aangenomen dat het geld voortkomt uit het lesgeven met de onder feit 2 onrechtmatig verkregen examenvragen van het CBR, is het geld volgens de officier van justitie eveneens uit misdrijf verkregen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 ten laste gelegde en er een bewezenverklaring kan volgen voor het onder 7 ten laste gelegde, en heeft hiertoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De verdediging stelt zich ten aanzien van het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde, op het standpunt dat er geen sprake is van een inbreuk op het auteursrecht van het CBR en IBKI. Het enkele filmen levert nog geen inbreuk op van het auteursrecht, nu daarmee nog geen informatie is verspreid, verveelvoudigd of geopenbaard. De verdachte heeft de informatie ten behoeve van zichzelf gebruikt teneinde een lesmethode te creëren. Er is niet gebleken dat de opgenomen vragen zijn verspreid onder de leerlingen van de rijschool. Voorts is er ten aanzien van verdachte geen bewijs voor betrokkenheid bij het onder 3 ten laste gelegde. Op grond van het dossier is een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht immers niet vast te stellen, nu niet helder is waar de bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte [medeverdachte 1] uit bestond. De enkele wetenschap is onvoldoende voor een bewezenverklaring van medeplegen.


Ten aanzien van de onder feit 2 en 4 ten laste gelegde diefstal van examenvragen bij het CBR en IBKI, stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen sprake is van diefstal, nu zowel het CBR als de IBKI nimmer de feitelijk heerschappij over het goed kwijt zijn geweest. De raadsvrouw verwijst in dit verband naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BK5255.

Ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde, herhaalt de verdediging dat er bij het maken van opnamen nog geen sprake is van diefstal. Op grond hiervan is er ook geen sprake van een poging tot diefstal en dient verdachte te worden vrijgesproken.


Met betrekking tot het onder feit 6 ten laste gelegde witwassen dient vrijspraak te volgen, nu er geen sprake is van uit misdrijf verkregen geld. De herkomst van het geld, ontvangen als giften op de bruiloft van verdachte, is voldoende aannemelijk en verifieerbaar gemaakt.


Ten aanzien van het onder feit 8 ten laste gelegde (schuld)witwassen stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat de gelden afkomstig zijn van de verkeersschool. Er is derhalve sprake van een legale herkomst. Subsidiair wordt gesteld dat geen sprake is van verbergen of verhullen. Verdachte was immers van plan om het geld vanwege hogere rentes op een bankrekening in Libanon te storten. Nu het geld daar nooit is aangekomen is er geen sprake van verbergen of verhullen. Meer subsidiair wordt betoogd dat, nu het geld de bank in Libanon niet heeft bereikt, het bij een poging is gebleven, hetgeen niet is ten laste gelegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van het onder 6 ten laste gelegde.

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsvrouw – het onder feit 6 ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

4.3.2

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde:


Inbreuk op auteursrecht

De rechtbank verwerpt het verweer dat er geen sprake is van een inbreuk door verdachte op het auteursrecht van het CBR en IBKI en overweegt hiertoe als volgt.

Naar vaste rechtspraak geldt dat, wil een voortbrengsel kunnen worden beschouwd als een werk van letterkunde, wetenschap of kunst als bedoeld in art. 1 in verbinding met art. 10 Auteurswet (Aw), vereist is dat het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Om van een werk in auteursrechtelijke zin te kunnen spreken moet dat werk door zijn maker als coherente creatie zijn geconcipieerd. Het werk moet het resultaat zijn van enige, hoe gering dan ook, scheppende activiteit van de maker. Die eis kan ook worden afgeleid uit het nog steeds maatgevende standaardarrest uit 1946, waarin de Hoge Raad heeft uitgemaakt "dat alleen de vormgeving, die de uiting is van datgene, wat de maker tot zijn arbeid heeft bewogen, de bescherming van het auteursrecht geniet" (HR 28 juni 1946, NJ 1946, 712). De rechtbank heeft deze maatstaf ook voorop gesteld en is van oordeel dat hiervan sprake is bij het creëren van examenvragen met bijhorende foto’s van verkeerssituaties, gemaakt ten behoeve van het theorie-examen voor het behalen van een rijbewijs dan wel certificaat tot rijinstructeur. Bij een werk in de zin van de Auteurswet geldt dat de maker (of diens rechtverkrijgende), en dat kan ook de werkgever zijn van degene die het werk feitelijk heeft vervaardigd (artikel 7 Aw) of de rechtspersoon onder wier naam het werk wordt openbaargemaakt (artikel 8 Aw), op grond van artikel 1 Aw “het uitsluitend recht heeft dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld”. De rechtbank stelt vast dat het met een spybril opnemen van examenvragen van het CBR en IBKI, en deze beelden vervolgens verwerken in een theorie-cursus, zonder meer is aan te merken als een verveelvoudiging in de zin van de Auteurswet. De bij de wet gestelde beperkingen met betrekking tot het verveelvoudigen zijn onder andere neergelegd in de artikelen 16b en 16c van de Auteurswet. Van de in die artikelen omschreven beperkingen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De in de artikelen 16b en 16c van de Auteurswet omschreven beperkingen gelden niet indien de verveelvoudiging direct dan wel indirect een commercieel oogmerk bevat. De rechtbank heeft vastgesteld dat van commercieel gebruik in de onderhavige zaak wel degelijk sprake is, nu de verveelvoudiging was gericht op het verbeteren van de concurrentiepositie van de rijschool, teneinde meer klanten te kunnen aantrekken die tegen betaling de theorielessen zouden gaan volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een inbreuk op het auteursrecht van het CBR en IBKI. Het verweer wordt verworpen.

Medeplegen

De verdediging heeft bepleit dat er geen bewijs is voor een materiele en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht, dus voor het medeplegen van het onder feit 3 ten laste gelegde. De rechtbank verwerpt dit verweer en verwijst naar de door de verdachte ter terechtzitting gegeven verklaring, inhoudende dat hij op de hoogte was van de door medeverdachte [medeverdachte 1] opgenomen examenvragen bij het IBKI en dat de opnames hetzelfde doel dienden als de opnames bij het CBR. Binnen de vennootschap, waarvan zijn broer [medeverdachte 1] medevennoot was, had verdachte het voor het zeggen. Op de laptop, aangetroffen bij de verdachte, zijn voorts de beelden van het IBKI aangetroffen. De rechtbank acht het voorgaande voldoende om te kunnen spreken van een materiele en intellectuele bijdrage van voldoende gewicht en acht het medeplegen van het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2, 4 en 5 ten laste gelegde:

Bestanddelen diefstal
De verdediging stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van diefstal. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Examenvragen zijn een goed waarvan de exclusiviteit en de economische waarde wordt bepaald naar aanleiding van de functie in het maatschappelijk verkeer. Het theorie-examen van het CBR en IBKI verschaft bepaalde rechten, te weten de mogelijkheid tot het behalen van een rijbewijs en een rijinstructeurcertificaat. Binnen de functie die een theorie-examen in het maatschappelijk verkeer heeft, is het wezenskenmerk dat de inhoud daarvan, voor degene die daaraan moeten deelnemen, geheim blijft tot aan het moment dat het examen moet worden gemaakt. Het is dit kenmerk, dat als een intrinsiek element van het examen moet worden aangemerkt, dat maakt dat het examen een economische waarde vertegenwoordigt. Op het moment dat vragen van theorie-examens worden opgenomen en op voorhand terechtkomen bij deelnemers aan die examens, verliest de rechthebbende ook dit intrinsieke element en daarmee de economische waarde van het examen. Het is dit intrinsieke element dat in wezen aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende wordt onttrokken en waar ook het opzet van degene die wegneemt steeds op is gericht.

De exclusiviteit van de vragen van het CBR volgt tevens uit de regels die de instantie ten aanzien van de theorie-examens heeft opgesteld. Voor rijschoolhouders is een vademecum opgesteld, waaruit volgt dat opleiders geen theorie-examens mogen bijwonen. Kandidaten van de examens dienen akkoord te gaan met de examenregels, waarin expliciet is vermeld dat in de examenruimte het gebruik van opnameapparatuur is verboden. In de huisregels van het CBR is eveneens vermeld dat het in gebouwen van het CBR niet is toegestaan om zonder toestemming opnamen te maken. De huisregels worden bij elke ingang van de gebouwen van het CBR kenbaar gemaakt. Elke examenkandidaat krijgt deze regels ook nog persoonlijk uitgelegd, en bij examens hangen er voorts posters met waarschuwingen om geen opnamen te maken. Ten aanzien van het IBKI geldt dat er door werknemers een geheimhoudingsverklaring moet worden ondertekend. Kandidaten is op grond van het examenreglement niet toegestaan gebruik te maken van opnameapparatuur.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het maken van opnames van de vragen van het theorie-examen moet worden aangemerkt als wegneming van een goed door middel van onttrekking aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende.

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde:

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikelen 420bis en/of 420quater, eerste lid, onder a/b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Die verklaring moet niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn en min of meer verifieerbaar.

De rechtbank leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af. Bij verdachte en negen andere personen is in totaal 95.786,35 euro aangetroffen, waaronder ook in nummers opeenvolgende bankbiljetten bij verschillende personen. Een deel van de medeverdachten heeft verklaard dat het geld door verdachte aan hen is gegeven, teneinde het geld naar Libanon te brengen en daar aan verdachte terug te geven. Op grond van in het dossier aanwezige financiële gegevens en belastinggegevens van de verdachte en zijn partner en medeverdachte [medeverdachte 2] , volgt dat zij beiden in de ten laste gelegde periode niet over het genoemde bedrag hebben kunnen beschikken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. De verdachte verklaart dat het geld legaal is verkregen met de inkomsten van zijn [verkeersschool] . De winst zou hij jarenlang contant hebben bewaard, alvorens verdachte van plan was het geld in Libanon tegen hoge(re) rente op een bankrekening te storten. De rechtbank acht deze verklaring onaannemelijk. Verdachte heeft geen stukken van de winst van zijn rijschool aan de rechtbank overgelegd, terwijl hij daarvoor twee jaar de tijd heeft gehad en zulke stukken – gelet op de gegeven verklaring omrent de herkomst van het geld – eenvoudig te overleggen zouden moeten zijn. Tevens komt de verklaring van verdachte niet overeen met de uit het dossier blijkende financiële positie en belastinggegevens van verdachte. Voorts heeft verdachte geen verklaring kunnen/willen geven over de aanwezigheid van in nummers opeenvolgende bankbiljetten bij de medeverdachten.

De rechtbank is van oordeel dat nu de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, geen andere conclusie mogelijk is dan dat het ten laste gelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Op grond van de hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden, in het bijzonder de gedragingen van verdachte met betrekking het verdelen van het geldbedrag onder negen medeverdachten, teneinde dit geldbedrag naar het buitenland te verplaatsen, is de rechtbank eveneens van oordeel dat verdachte handelingen heeft verricht die er naar hun uiterlijke verschijningsvorm op gericht zijn geweest de verplaatsing en de rechthebbende op het geldbedrag te verhullen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

dat hij in de periode van 3 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen), immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk

- tijdens meerdere theorie-examens van voornoemd CBR met behulp van een spybril opnames gemaakt van examenvragen en

- voornoemde opnames van die examenvragen vervolgens gebruikt voor de theorielessen en openbaar gemaakt tijdens die theorielessen van de rijschool van hem, verdachte, en

- voornoemde opnames van examenvragen ter verveelvoudiging en verspreiding voorhanden gehad en gehouden en uit winstbejag bewaard,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van voornoemd misdrijf zijn beroep heeft gemaakt en bovengenoemd misdrijf als bedrijf heeft uitgeoefend;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

dat hij in de periode van 3 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen examenvragen, toebehorende aan het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen).

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde

dat hij in de periode van 19 maart 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam en Zwolle en Zaandam en Best en Nieuwegein, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van het IBKI, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk

- tijdens theorie-examens van voornoemd IBKI met behulp van een spybril opnames gemaakt van examenvragen en

- voornoemde opnames van die examenvragen vervolgens gebruikt voor de theorielessen van de rijschool van hem, verdachte, en één van zijn mededaders en

- voornoemde opnames van examenvragen ter verveelvoudiging en verspreiding voorhanden gehad en gehouden en uit winstbejag bewaard,
terwijl hij, verdachte, en één van zijn mededaders van het plegen van voornoemd misdrijf hun beroep hebben gemaakt en bovengenoemd misdrijf als bedrijf hebben uitgeoefend;

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

dat hij in de periode van 19 maart 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam en Zwolle en Zaandam en Best en Nieuwegein, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen examenvragen, toebehorende aan het IBKI;

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde

dat hij op 9 oktober 2013 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in verenging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen examenvragen, toebehorende aan het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen), tezamen met zijn mededader met een spybril naar een theorie-examen van het CBR is toegegaan, waarna zijn mededader die spybril heeft opgezet en deel heeft genomen aan dat theorie-examen van het CBR en bij voornoemd theorie-examen opnames heeft gemaakt van de examenvragen;

Ten aanzien van het onder 7 bewezen verklaarde

dat hij op 22 september 2014 te Amsterdam, een wapen van categorie III, te weten een pistool Walther P22, en munitie van categorie III, te weten 10, patronen kaliber .22, voorhanden heeft gehad;

Ten aanzien van het onder 8 bewezen verklaarde

dat hij in de periode van 25 september 2014 tot en met 28 oktober 2014 te Amsterdam en te Schiphol, een gelbedrag van (in totaal) ongeveer € 86.276,00 heeft overgedragen en

tezamen en in vereniging met anderen van een geldbedrag van ongeveer € 95.786,00 de verplaatsing heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende van voornoemd geldbedrag was, terwijl hij verdachte wist en zijn mededaders redelijkerwijs hadden moeten vermoeden, dat genoemde geldbedragen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn en daarvoor een strafkorting toegepast van 5%.


Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van het beslag gevorderd dat de op de beslaglijst vermelde voorwerpen met nummers 7, 8, 10, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 19, 21, 23, 29, 30, 31, 32, 33 verbeurd worden verklaard.
De op de beslaglijst vermelde voorwerpen met nummers 4, 6, 36, 37, 39, 42 en 48 dienen te worden onttrokken aan het verkeer.
De op de beslaglijst vermelde voorwerpen met nummers 1, 2, 3, 5, 35, 38, 40, 41, 43, 44, 45, 46, 47 en 50 dienen te worden teruggegeven aan verdachte, waarbij wordt opgemerkt dat er ten aanzien van een aantal van die voorwerpen nog conservatoir beslag ligt.
Voor het op de beslaglijst vermelde voorwerp met nummer 49 vordert de officier van justitie bewaring ten behoeve van de rechthebbende, nu dit voorwerp nog van belang kan zijn voor de ontnemingszaak.

8.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

Ten aanzien van de strafmaat heeft de verdediging bepleit dat er – ook bij een bewezenverklaring van meerdere feiten – dient te worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest, al dan niet gecombineerd met een geheel voorwaardelijke straf en/of een werkstraf. De verdediging heeft daarbij verzocht rekening te houden met de detentieperiode in Frankrijk gedurende de overleveringsprocedure, de overschrijding van de redelijke termijn, de media-aandacht en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder de maatregelen die momenteel door het CBR tegen verdachte zijn genomen waardoor hij zijn beroep niet in volledige vrijheid kan uitoefenen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en IBKI, evenals (een poging tot) diefstal in vereniging van examenvragen bij deze instellingen. De diefstal en de daarmee gepaard gaande inbreuk op het auteursrecht is gepleegd met een commercieel oogmerk en daarmee gepaard gaand geldelijk gewin. Verdachte heeft met zijn handelen de concurrentieverhoudingen geweld aangedaan en daarbij ook andere mensen gebruikt om zijn persoonlijk geldelijke gewin te kunnen bereiken. Voorts heeft het handelen van verdachte bijgedragen aan het ondermijnen van het stelsel van examinering. Zowel voor het behalen van een rijbewijs, alsmede voor een certificaat tot rijinstructeur, is toetsing van kennis met betrekking tot regels en verkeerssituaties vereist. Het behalen van deze rechten, alleen door middel van informatie door verdachte verkregen is onwenselijk. Met de diefstal en het gebruik van de informatie kan immers aan de toetsing van kennis en vaardigheden worden ontkomen. Dit levert risico’s op met betrekking tot de verkeersveiligheid. Het algemeen belang is daardoor in het geding gekomen.
Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen en munitie. Vuurwapens worden vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving. Het voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie.

Verdachte heeft zich ten slotte schuldig gemaakt aan het witwassen van bijna € 100.000,-. Witwassen vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de rol van de verdachte bij de bewezen strafbare feiten. Uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier is gebleken dat verdachte binnen zijn vennootschap een bepalende rol heeft vervuld bij de examenfraude. Zowel met betrekking tot de inbreuken op het auteursrecht, de diefstallen alsmede het witwassen, heeft verdachte een leidende en delegerende rol vervuld, waarbij hij er – zoals eerder overwogen – niet voor is teruggedeinsd om andere, en in een enkel geval zelfs kwetsbare, personen te gebruiken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de leidende en sturende rol van verdachte daarbij, hierop niets anders dan een vrijheidsbenemende straf volgen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend Uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 december 2016, waaruit blijkt dat verdachte eerder in Nederland is veroordeeld voor strafbare feiten, en in het bijzonder strafbare feiten gepleegd gedurende de uitoefening van zijn beroep/onderneming.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de eis van de officier van justitie aan de forse kant is en ziet – mede gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden – aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat door de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank sluit zich aan bij de thans geldende jurisprudentie van de Hoge Raad. In zijn arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad een aantal uitgangspunten ten aanzien van de redelijke termijn en de consequenties van overschrijding daarvan weergegeven. De rechtbank geeft deze, voor zover relevant, hieronder weer en zal daar de navolgende conclusies aan verbinden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf. Naar het oordeel van de rechtbank was de inverzekeringstelling van verdachte op 22 september 2014 een handeling waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De redelijke termijn is daarmee op die dag aangevangen en wordt met een uitspraak op 25 januari 2017 met vier maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij een overschrijding van de redelijke termijn van zes maanden of minder, is uitgangspunt dat de straf met vijf procent wordt gekort. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank de straf in beginsel bepaald op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. Vanwege de overschrijding van de redelijk termijn zal daarop een strafkorting in de vorm van een voorwaardelijk strafdeel worden toegepast, en acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen zoals weergegeven op de beslaglijst die als bijlage aan dit vonnis is gehecht en waarvan de inhoud geldt als hier ingevoegd.

Hieronder zal ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen worden volstaan met verwijzing naar de nummers van die voorwerpen op de beslaglijst.

Verbeurdverklaring

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen op de beslaglijst vermeld onder nummers 7, 8, 10, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 19, 21, 23, 29, 30, 31, 32 en 33 dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan.

Onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen op de beslaglijst vermeld onder nummers 4, 6, 36, 37, 39, 42 en 48 dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan.

Teruggave aan verdachte

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen op de beslaglijst vermeld onder nummers 1, 2, 3, 5, 35, 38, 40, 41, 43, 44, 45, 46, 47 en 50 dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp op de beslaglijst vermeld onder nummer 49 dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, nu het Openbaar Ministerie heeft aangegeven het voorwerp mogelijk nog te willen gebruiken in het kader van de aangekondigde ontnemingszaak tegen de verdachte.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
33, 33a, 36b, 36c, 45, 47, 55, 57, 63, 311, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
31, 31a en 31b van de Auteurswet;

26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart het onder 6 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4:

eendaadse samenloop van:

medeplegen van het als beroep of bedrijf uitoefenen van het opzettelijk inbreuk maken op eens anders auteursrecht, meermalen gepleegd;

en

diefstal in vereniging door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 5:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 7:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 8:

witwassen;

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart verbeurd de voorwerpen onder de nummers 7, 8, 10, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 19, 21, 23, 29, 30, 31, 32 en 33 op de beslaglijst;

Verklaart de voorwerpen onder de nummers 4, 6, 36, 37, 39, 42 en 48 op de beslaglijst onttrokken aan het verkeer;

Gelast de teruggave aan [verdachte] van de voorwerpen onder de nummers 1, 2, 3, 5, 35, 38, 40, 41, 43, 44, 45, 46, 47 en 50 op de beslaglijst;

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen onder nummer 49 van de beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Wieland, voorzitter,

mrs. D.J. Cohen Tervaert en B.M. van Heemst, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 januari 2017.