Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:3737

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2017
Datum publicatie
31-05-2017
Zaaknummer
C/13/613802 / HA ZA 16-832
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Nationale Postcodeloterij hoeft een deelnemer die te weinig saldo had om zijn loten te betalen – en daardoor een grote geldprijs misliep – geen schadevergoeding te betalen. Deelnemers zijn zelf verantwoordelijk voor voldoende geld op hun bankrekening om mee te kunnen spelen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2017/106
AR 2017/2784
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/613802 / HA ZA 16-832

Vonnis van 31 mei 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A. Carli te Roermond,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE POSTCODELOTERIJ N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.W.E. Evers te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en NPL genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 november 2016

  • -

    de comparitie ter zitting van 13 april 2017, het daarvan opgemaakte proces-verbaal en de

daarin vermelde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

NPL organiseert sinds 1989 de Nationale Postcode Loterij.

2.2.

[eiser] was deelnemer aan de Nationale Postcode Loterij (hierna: NPL), met sinds november 2015 vier loten per trekking inclusief de zogenoemde “StraatprijsVerdubbelaar”. [eiser] speelde met vier loten mee, waarvan drie met postcode [postcode 1] en één met postcode [postcode 2] .

2.3.

Op de rechtsverhouding tussen NPL en [eiser] is het Deelnemersreglement Nationale Postcode Loterij N.V. van 1 december 2015 (hierna: Deelnemersreglement) van toepassing.

2.4.

In artikel 6 lid 4 Deelnemersreglement staat onder meer:

“De inleg van deelnemers aan de <NPL> wordt voorafgaand aan de maand waarin de desbetreffende trekking plaatsvindt, van de door de deelnemer opgegeven bankrekening afgeschreven. Mocht het afschrijven niet lukken dan is <NPL> bevoegd, maar niet verplicht in de maand van trekking nog minimaal één incassopoging te doen plaatsvinden. Als geen afschrijving, om welke reden ook, kon plaatshebben, geldt dat niet geldig kan worden deelgenomen aan de trekking waarvoor die afschrijving benodigd was. De afschrijving van de inleg van de deelnemer geschiedt op grond van een daartoe door de deelnemer aan de vennootschap verstrekte machtiging.”

2.5.

Op grond van artikel 6 lid 4 juncto artikel 5 lid 1 Deelnemersreglement heeft [eiser] aan NPL een doorlopende machtiging afgegeven tot incasso van zijn inleg ten laste van een door hem aangegeven rekeningnummer bij ING Bank N.V. (hierna: ING).

2.6.

In artikel 8 lid 5 Deelnemersreglement staat:

“Om de winnende lotnummers te bepalen, vindt door de notaris een trekking plaats uit alle lotnummers die voor de betreffende trekking overeenkomstig dit reglement uitgegeven zijn.”

2.7.

In artikel 8 lid 6 Deelnemersreglement staat:

“Uitsluitend lotnummers waarvoor de inleg is betaald en gratis meespelende loten kunnen prijswinnend zijn. De betaling van de inleg is voldaan indien de inleg op de rekening van de <NPL> is bijgeschreven en de bankinstelling van de deelnemer geen gebruik heeft gemaakt van een hem toekomend terugboekingsrecht.”

2.8.

Op 1 januari 2016 heeft de trekking van de jaarlijkse “Kanjerprijs” van NPL plaatsgevonden. De hoofdprijs bedroeg € 1.000.000 per lot. Bij deze trekking was postcode [postcode 1] de winnende postcode. Het inleggeld van [eiser] voor deze trekking (hierna: de trekking) is niet geïncasseerd door NPL en evenmin anderszins voldaan aan NPL. NPL heeft de loten van [eiser] niet opgenomen in het bestand van de trekking. NPL heeft na de trekking geen prijzengeld aan [eiser] uitgekeerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. te verklaren voor recht:

  1. dat NPL tekort geschoten is in de verplichtingen die zij jegens [eiser] in acht behoorde te nemen, door het niet innen van het inleggeld verschuldigd ter zake twee loten betreffende de trekking van 1 januari 2016 op grond waarvan NPL jegens [eiser] aansprakelijk is voor de door hem geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2016;

  2. dat NPL ter zake het innen van de inleggelden betreffende de trekking van 1 januari 2016 onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en dat dit onrechtmatig handelen NPL kan worden toegerekend op grond waarvan NPL jegens [eiser] aansprakelijk is voor de door hem geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2016;

2. NPL te veroordelen tot betaling van € 2.000.000, althans een door de rechtbank in redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag, zonodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2016;

3. NPL te veroordelen tot betaling van de proceskosten en buitengerechtelijke kosten van dit geding.

3.2.

NPL voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat zij met elkaar een overeenkomst hebben gesloten die wordt beheerst door het Deelnemersreglement. Ook nemen zij beiden aan dat [eiser] met NPL een incasso-overeenkomst heeft gesloten op grond waarvan hij NPL heeft gemachtigd tot incasso van zijn inleg voor de trekking, waarbij op NPL jegens [eiser] de zorgplicht van een goed opdrachtnemer rust als bedoeld in artikel 7:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.2.

Partijen zijn in essentie verdeeld over de uitleg en reikwijdte van de op NPL rustende (zorg)verplichtingen jegens [eiser] . [eiser] beroept zich op wanprestatie en onrechtmatige daad en stelt dat NPL aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, te weten het misgelopen prijzengeld van twee maal € 1.000.000. Ten aanzien van de vorderingen van [eiser] (zie 3.1) overweegt de rechtbank als volgt.

Wanprestatie wegens het niet innen van het inleggeld verschuldigd ter zake twee loten (3.1.1 sub i)

4.3.

[eiser] stelt dat NPL op 14 december 2015 een incassopoging heeft verricht ten laste van zijn bankrekening. Daarop stond per die datum een saldo van € 36,59, zodat twee loten van in totaal € 25,50 geïnd hadden kunnen worden. Als gevolg van een onjuist en/of gebrekkig bedrijfsproces bij NPL, oftewel een onjuiste, gebrekkige, ondeugdelijke incassopoging waarvoor NPL risicoaansprakelijk is, is dit inleggeld voor twee loten niet geïnd. Aldus [eiser] .

De kern van de stelling van [eiser] is dat NPL de voor de trekking verschuldigde inleg per afzonderlijk lot had dienen te innen. Dit volgt uit de artikelen 6 lid 8 en 3 lid 6 Deelnemersreglement, waarin het woord “inleg” in enkelvoud is geschreven. In het Deelnemersreglement staat niet vermeld dat door een deelnemer verschuldigde inleggelden terzake van een specifieke trekking ineens geïnd moeten worden. NPL had in zijn geval dus twee loten moeten en kunnen innen. Aldus [eiser] .

NPL voert het verweer dat [eiser] met vier loten had ingelegd en zij dus gehouden was het voor deze vier loten verschuldigde totaalbedrag te innen.

4.4.

De stelling van [eiser] faalt. In artikel 5 lid 1 Deelnemersreglement staat: “De deelnemer machtigt de vennootschap om de inleg voor zijn lot/loten (…) te incasseren.” In artikel 5 lid 5 staat “dat deelnemer hij is die (…) de <NPL> gemachtigd heeft de daartoe benodigde inleggelden van zijn bankrekening af te schrijven (…).” In artikel 6 lid 1 staat: “In geval bestaande deelnemers (…) via de telefoon en/of internet meer loten hebben aangevraagd zal de overeenkomstige inleg (…) automatisch (…) worden afgeschreven.” In artikel 6 lid 8 staat: “Bij de afschrijving van de inleg van meerdere lotnummers wordt door de <NPL> een willekeurige volgorde aangehouden”.

De rechtbank is van oordeel dat deze bepalingen redelijkerwijs niet anders begrepen kunnen worden dan dat de inning van de inleg plaats dient te vinden van één lot als er één lot wordt ingelegd, en van het totaalbedrag aan loten als er met meerdere loten wordt ingelegd. In het geval van [eiser] diende dus incasso plaats te vinden van het verschuldigde totaalbedrag voor de vier loten waarmee hij had ingelegd. Dat het woord “inleg” in enkelvoud staat geschreven doet daar, anders dan [eiser] stelt, niet aan af.

[eiser] voert verder aan dat op grond van artikel 3 lid 6 Deelnemersreglement aan elke afschrijving een separaat lotnummer moet worden toegekend. Dit volgt echter naar het oordeel van de rechtbank niet uit de tekst. In dit artikellid staat: “Het lotnummer wordt bij de afschrijving van de inleg vermeld op het rekeningafschrift (…)”. Zoals NPL ter zitting – onbetwist – heeft toegelicht, volgt uit deze bepaling dat bij afschrijving van een totaalbedrag van meerdere ingelegde loten, al deze lotnummers worden vermeld. Ook deze onderbouwing van de stelling van [eiser] faalt.

Het verweer van NPL slaagt derhalve.

4.5.

[eiser] stelt bij dagvaarding voorts dat NPL tenminste drie pogingen had moeten ondernemen om de door hem verschuldigde inleggelden te incasseren. Daardoor had hij nog tot vlak voor de trekking voor betaling kunnen zorgen en daarmee zijn deelname kunnen verzekeren. Dit volgt uit het Deelnemersreglement. NPL heeft dit ten onrechte nagelaten. Aldus [eiser] , betwist door NPL.

4.6.

Deze stelling faalt. In artikel 6 lid 4 Deelnemersreglement staat: “Mocht het afschrijven niet lukken dan is de Nationale Postcode Loterij N.V. bevoegd, maar niet verplicht in de maand van trekking nog minimaal één incassopoging te doen plaatsvinden.” [eiser] heeft gesteld dat NPL op 14 december 2015 een incassopoging heeft verricht. Volgens [eiser] heeft NPL dus in ieder geval één incassopoging verricht. Daarmee heeft NPL naar het oordeel van de rechtbank aan haar verplichting uit hoofde van het Deelnemersreglement voldaan. NPL was, zoals zij primair als verweer heeft aangevoerd, op grond van artikel 6 lid 4 niet verplicht om na die mislukte incassopoging nog een poging te verrichten. [eiser] kan aan deze bepaling dus geen recht op meer dan één poging ontlenen.

De stelling van [eiser] dat hij heeft vernomen dat het gebruikelijk is dat NPL minimaal drie incassopogingen verricht, is niet nader onderbouwd en kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, aan het voorgaande niet afdoen. Deze stelling wordt daarom gepasseerd.

4.7.

Nu dit primaire verweer van NPL slaagt, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van het subsidiaire verweer van NPL dat NPL reeds op 25 november 2015 een eerste incassopoging heeft verricht. Hieruit volgt dat de rechtbank evenmin toekomt aan de beoordeling van de in reactie op dat verweer ingenomen (subsidiaire) stelling van [eiser] , te weten dat hij op die datum wel voldoende saldo had voor vier loten zodat NPL deze had kunnen en moeten incasseren.

4.8.

Gezien het voorgaande kan de door [eiser] gestelde wanprestatie van NPL niet worden vastgesteld. De gevorderde verklaring voor recht als weergegeven in 3.1.1 sub i zal dus worden afgewezen.

Onrechtmatige daad ter zake het innen van de inleggelden (3.1.1 sub ii)

4.9.

[eiser] stelt tevens dat NPL onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. NPL heeft bij de inning van de inleggelden de op haar rustende zorgplicht jegens hem niet in acht genomen, hetgeen onzorgvuldig was, als gevolg waarvan hij schade heeft geleden, aldus [eiser] .

De kern van deze stelling is dat NPL hem tijdig en duidelijk had moeten informeren over de incassodata (vooraf) en de mislukte incassopoging (achteraf), zodat hij ervoor zorg had kunnen dragen dat er tijdig (alsnog) voldoende saldo voor de inleg van vier loten op zijn rekening had gestaan of zodat hij op een andere wijze had kunnen betalen.

4.10.

[eiser] voert allereerst aan dat de door hem gestelde informatieplicht van NPL zijn grondslag vindt in het Deelnemersreglement en de incasso-overeenkomst in samenhang met artikel 7:401 BW.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. In artikel 6 lid 4 Deelnemersreglement staat: “De inleg van deelnemers (…) wordt voorafgaand aan de maand waarin de desbetreffende trekking plaatsvindt, van de door de deelnemer opgegeven bankrekening afgeschreven. (…) De afschrijving van de inleg van de deelnemer geschiedt op grond van een daartoe door de deelnemer aan de vennootschap verstrekte machtiging”. Met NPL is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling en de daarop gebaseerde incassomachtiging veronderstellen dat het allereerst de verplichting is van de deelnemer, en daarmee diens eigen verantwoordelijkheid, om ervoor te zorgen dat er voldoende saldo op zijn bankrekening staat voor een succesvolle incasso. Vervolgens is het de verplichting van NPL om die incasso te (doen) verrichten. Van schending van een contractuele zorgplicht dan wel een zorgplicht die voortvloeit uit maatstaven van zorgvuldigheid door [eiser] niet nader te informeren, is dan ook geen sprake. De omstandigheid dat [eiser] voor de trekking onvoldoende saldo had op zijn rekening, komt derhalve voor zijn eigen rekening en risico.

4.11.

[eiser] heeft in dit verband ook een beroep gedaan op artikel 42 lid 1 van

de “Voorwaarden betaalrekening voor particuliere rekeninghouders” van ING. Daarin is, onder het kopje “consumentbeschermende maatregelen”, een bepaling opgenomen, gericht op vooraankondiging van incasso door de incassant. NPL heeft aangevoerd dat deze bepaling deel uitmaakt van algemene voorwaarden die zijn overeengekomen tussen ING en [eiser] en dat hij hieraan dus geen rechten kan ontlenen jegens NPL.

[eiser] heeft zich (eerst) ter zitting verder beroepen op een door hem nagezonden document aangeduid als “Betaalvereniging Nederland, 16 april 2014/versie 1.2, Niet-gehonoreerde transacties bij de standaard Europese incasso (B2C)”. Daarin staat onder het kopje “Maatregelen incassanten” als voorbeeld van maatregelen die incassanten “kunnen” nemen, vermeld het “voldoende aandacht schenken aan een duidelijke vooraankondiging (…)”.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet nader heeft onderbouwd dat en op welke wijze deze beide bepalingen doorwerken in zijn rechtsverhouding met NPL. Zijn beroep hierop wordt derhalve gepasseerd.

4.12.

[eiser] stelt verder dat NPL had behoren na te gaan of de mededeling van ING dat incasso onmogelijk was, juist was. NPL had een deugdelijke belangenafweging moeten maken door te controleren of het inleggeld voor één of twee loten wel geïnd had kunnen worden, aldus [eiser] .

Deze stelling kan [eiser] niet baten. Zoals hiervoor is overwogen staat immers vast dat [eiser] ten tijde van de incassopoging van NPL niet genoeg saldo had voor vier loten, terwijl NPL gehouden was tot incasso van het totaalbedrag van die vier loten. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling voorbij.

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat de door [eiser] gestelde onrechtmatige daad niet is komen vast te staan. De gevorderde verklaring voor recht als weergegeven in 3.1.1 sub ii zal daarom worden afgewezen.

Beroep op willekeur

4.14.

[eiser] stelt dat NPL enerzijds een zeer terughoudend beleid aanneemt als het aankomt op eenzijdige opzegging teneinde het eenmaal aangesloten lid blijvend te binden en anderzijds als het op uitbetalen aankomt met een beroep op het niet betalen van inleggeld eenvoudig onder haar verplichting uit kan komen. Nadat hij vanaf februari 2016 steeds bewust het inleggeld had laten terugboeken heeft NPL hem pas op 12 december 2016 meegedeeld dat zijn lidmaatschap was stopgezet. Artikel 6 lid 4 Deelnemersreglement bepaalt echter dat NPL de deelname eenzijdig kan beëindigen indien gedurende drie maanden geen afschrijving van inleggeld plaatsvindt. NPL handelt zodoende naar willekeur en in eigen belang inhalig. Aldus [eiser] , betwist door NPL.

De rechtbank is van oordeel dat genoemd artikellid een bevoegdheid en geen verplichting van NPL tot eenzijdige opzegging betreft. NPL was dus niet daartoe gehouden jegens [eiser] . [eiser] verbindt bovendien geen concreet rechtsgevolg aan zijn stelling. Deze stelling wordt daarom gepasseerd.

4.15.

[eiser] stelt ook dat NPL handelt naar willekeur en zich niet uniform opstelt jegens haar (potentiële) deelnemers als het gaat om incasseren van inleggeld. Hiertoe voert hij aan dat NPL in enkele andere gevallen zelfs na een trekking nog tot incasso van inleggelden is overgegaan en bij inleg met meerdere loten niet ineens maar gespreid, ook per lot heeft geïncasseerd.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] deze eerst ter zitting ingenomen stelling niet voldoende concreet heeft onderbouwd in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door NPL. Bovendien verbindt hij hieraan geen concreet rechtsgevolg. De rechtbank gaat derhalve aan deze stellingname voorbij.

Gevorderde schadevergoeding en kosten (3.1.2, 3.1.3)

4.16.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [eiser] op wanprestatie en onrechtmatige daad van NPL niet kan slagen. Hetgeen overigens nog over en weer is aangevoerd door partijen, leidt niet tot een ander oordeel en behoeft dus geen beoordeling.

Dit betekent dat er geen rechtsgrond is voor de gevorderde schadevergoeding en kosten. Ook deze vorderingen (zie 3.1.2 en 3.1.3) zullen dus worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling

4.17.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van NPL worden begroot op:

- griffierecht € 3.903,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 10.325,00

4.18.

De nakosten worden ambtshalve begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als in het dictum vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van NPL tot op heden begroot op € 10.325,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen weergegeven in 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2017.