Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:3402

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
AMS 16/3454
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2016:9605. Geen aanleiding om terug te komen op oordeel in de tussenuitspraak. Uit nadere berekening van verweerder blijkt dat eiser niet te veel, maar te weinig bijstandsuitkering heeft ontvangen. Geen grond voor terugvordering. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/3454

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser,

gemachtigde: mr. G.J. Mulder,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. C.J. Telting.

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering op grond van de Participatiewet (PW) van eiser over de periode van 5 oktober 2015 tot en met 30 november 2015 herzien en de teveel betaalde bijstand ter hoogte van € 488,86 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 14 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 10 oktober 2016 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 27 december 2016 een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft op 30 januari 2017 een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of eiser over de maanden oktober en november 2015 daadwerkelijk meer uitkering heeft ontvangen dan de daklozenuitkering waarop hij in deze maanden recht had. Dit heeft ook tot gevolg dat de terugvordering niet op een deugdelijke motivering berust.

3.1.

Verweerder heeft in de aanvullende motivering berekend welk bedrag eiser feitelijk heeft ontvangen in de periode van 5 oktober tot en met 31 november 2015. Daarbij heeft verweerder geen rekening gehouden met de inhoudingen ten behoeve van Rochdale, maar wel met de inhoudingen ten behoeve van het Zorginstituut Nederland. Ook heeft verweerder het door Rochdale terugbetaalde bedrag van € 438,85 meegenomen. Op basis van deze berekening is verweerder tot de conclusie gekomen dat eiser in de genoemde periode € 5,86 te weinig uitkering heeft ontvangen.

3.2.

Verweerder is echter nog steeds van mening dat de uitbetalingen aan Rochdale in oktober en november 2015 wel moeten worden aangemerkt als betalingen aan eiser. Daarvan uitgaand, komt verweerder in een tweede berekening tot de conclusie dat hij van 5 oktober tot en met 31 november 2015 € 488,87 te veel aan eiser heeft betaald.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder met zijn tweede berekening zijn oorspronkelijke standpunt heeft gehandhaafd. Hierover heeft de rechtbank zich echter al uitgelaten in de tussenuitspraak. De rechtbank mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordeel1. Er is hier echter geen sprake van zo’n uitzonderlijk geval. De rechtbank zal dus aan dit standpunt voorbij gaan.

5. Eiser heeft de eerste berekening van verweerder erkend. Ook hij gaat er dus vanuit dat hij in de genoemde periode € 5,86 te weinig uitkering heeft ontvangen. Uit artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW, volgt dat er alleen grond is voor terugvordering als de bijstand tot een te hoog bedrag is verleend. Dat is dus niet het geval. Dat betekent dat verweerder niet bevoegd was de uitkering van eiser terug te vorderen. Ook de nadere motivering kan het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering, dus niet dragen.

6. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de terugvordering, wegens strijd met artikel 58, tweede lid, van de Participatiewet en de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit, voor zover dat ziet op de terugvordering.

7. Eiser heeft gesteld dat hij het bedrag van de terugvordering al helemaal aan verweerder heeft betaald. Hij heeft de rechtbank verzocht verweerder op te dragen dit bedrag aan hem terug te betalen en ook het te weinig betaalde bedrag van € 5,86. Deze procedure gaat echter niet om de uitvoering van de terugvordering, maar slechts om de vraag of verweerder bevoegd was om tot terugvordering over te gaan. De rechtbank ziet daarom geen mogelijkheid om te voldoen aan eisers verzoek. De rechtbank gaat er wel vanuit dat verweerder alle bedragen waar eiser recht op heeft aan hem zal uitbetalen.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.227,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de terugvordering;

- herroept het primaire besluit voor zover dat ziet op de terugvordering, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.227,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4390.