Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:3348

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2017
Datum publicatie
18-05-2017
Zaaknummer
13.751168/17
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Prejudiciële verwijzing: de rechtbank vraagt het Hof van Justitie van de EU om de reikwijdte van artikel 4 bis van Kaderbesluit 2002/584/JBZ uit te leggen. De rechtbank verzoekt toepassing van de spoedprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SEW 2017, afl. 7/8, p. 337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.168-17

RK nummer: 17/1283

Datum uitspraak: 18 mei 2017

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 februari 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 14 februari 2017 door the Klaipėda Regional Court (Litouwen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[naam opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedatum] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 april 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Kuppens, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Litouwse taal. De rechtbank heeft op die zitting de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd.

De rechtbank heeft, nadat zij op 11 april 2017 het onderzoek ter zitting had gesloten, bij tussenuitspraak van 18 april 2017 het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde zich te beraden op hetzij het stellen van prejudiciële vragen in deze zaak hetzij het aanhouden van de behandeling van het EAB in afwachting van de beantwoording van de in een andere zaak te stellen prejudiciële vragen. Omdat beide uitkomsten gepaard gaan met de opschorting van de termijnen van artikel 22 OLW, is bij deze tussenuitspraak overwogen dat met ingang van 18 april 2017 – de 56e dag van die termijnen – de beslistermijnen zijn geschorst.

Per e-mailbericht van 3 mei 2017 zijn de raadsvrouw van de opgeëiste persoon en de officier van justitie op de hoogte gebracht van het besluit van de rechtbank om in onderhavige zaak een prejudiciële vraag te stellen. Daarbij is tevens de concept prejudiciële vraag aan partijen voorgelegd.

Op is 11 mei 2017 is de behandeling voortgezet in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon. De raadsvrouw en de officier van justitie zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de vooraf toegestuurde concept prejudiciële vraag.

2 Prejudiciële vragen

2.1

Inleiding

2.1.1

De opgeëiste persoon is een onderdaan van Litouwen en bevindt zich in overleveringsdetentie.

2.1.2

Het EAB is op 14 februari 2017 uitgevaardigd door het Klaipėda Regional Court (Litouwen) en strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden, die de opgeëiste persoon nog geheel moet ondergaan.

2.1.3

Onderdeel b) van het EAB vermeldt het bestaan van het enforceable judgment of conviction van het Klaipėda City District Court van 26 augustus 2016. Deze beslissing heeft betrekking op in totaal twee naar het recht van Litouwen strafbare feiten. Onderdeel b) houdt verder het volgende in:

Note: [naam opgeëiste persoon] appealed judgment of 26 August 2016 of Klaipėda City District Court. By its ruling of 8 December 2016 Klaipėda Regional Court rejected the appeal.

(…)

2.1.4

Onderdeel d) van het EAB meldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De rechtbank begrijpt het EAB zo, dat deze mededeling betrekking heeft op het proces in eerste aanleg.

2.1.5

De opgeëiste persoon heeft bevestigd dat hij in eerste aanleg in persoon is verschenen op het proces dat tot de veroordeling van 26 augustus 2016 heeft geleid en hij heeft verklaard dat zijn raadsman hoger beroep heeft ingesteld tegen die veroordeling.

2.1.6

Het EAB houdt geen informatie in met betrekking tot het proces in hoger beroep, zodat onbekend is of de opgeëiste persoon in hoger beroep op een of meer zittingen is verschenen en, zo nee, of ten aanzien van het proces in hoger beroep aan de voorwaarden van één van de onderdelen a tot en met d van artikel 4 bis, kaderbesluit 2002/584/JBZ is voldaan.

2.1.7

De prejudiciële vraag betreft de uitleg van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De vraag is gelijk aan de derde vraag van de prejudiciële verwijzing in de zaak van de heer [persoon] . De onderhavige zaak is het spiegelbeeld van die zaak: in beide zaken is sprake van berechting in eerste aanleg en in hoger beroep, maar anders dan in de zaak van de heer [persoon] , is de opgeëiste persoon in persoon verschenen op het proces dat tot de beslissing in eerste aanleg heeft geleid.

2.2

Context van de prejudiciële vragen

2.2.1

Voordat de rechtbank ingaat op de prejudiciële vraag en de onderbouwing daarvan, acht zij het wenselijk om de context van de achterliggende problematiek te schetsen.

2.2.2

In 2016 heeft de rechtbank 146 EAB’s afgedaan die strekten tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Ten aanzien van 64 van die 146 EAB’s bleek dat de opgeëiste persoon niet in persoon was verschenen op het proces dat tot de beslissing had geleid.

2.2.3 57

van die 64 EAB’s gaven het Openbaar Ministerie te Amsterdam en/of de rechtbank aanleiding om, met het oog op de toetsing aan artikel 12 van de Overleveringswet, (de Nederlandse implementatie van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ), aanvullende gegevens bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit op te vragen. In een aanzienlijk deel van de gevallen leidt de toepassing van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ dus tot vertraging in de afdoening van het EAB. Bij de behandeling van 47 van de 64 EAB’s was sprake van overschrijding van de in artikel 17, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ bedoelde termijn van zestig dagen en bij de behandeling van 11 daarvan was zelfs sprake van overschrijding van de in artikel 17, vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ bedoelde termijn van negentig dagen.

2.2.4

In 9 van de 64 gevallen heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging van het EAB geweigerd en in 3 van die 64 gevallen heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging van het EAB partieel geweigerd.

2.3

Het toepasselijke recht

2.3.1

Bij artikel 2 van Kaderbesluit 2009/299/JBZ is artikel 5, punt 1, Kaderbesluit 2002/584/JBZ geschrapt en is in Kaderbesluit 2002/584/JBZ artikel 4 bis ingevoegd. Het eerste lid van deze bepaling luidt volgt:

Beslissingen gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen

1. De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:

a) de betrokkene tijdig

i) persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;

en

ii) ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;

of dat

b) de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die

raadsman is verdedigd;

of dat

c) de betrokkene nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing:

i) uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist;

of

ii) niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend;

of dat

d) de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar:

i) hem na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke

beslissing;

en

ii) dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

2.3.2

Bij artikel 2 van Kaderbesluit 2009/299/JBZ is punt d) van de bijlage bij Kaderbesluit

2002/584/JBZ vervangen door het volgende:

d) Gelieve te vermelden of de betrokkene in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing:

1.  Ja, de betrokkene is in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing.

2.  Neen, de betrokkene is niet in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing.

3. Indien u het vakje „neen” (keuzemogelijkheid 2) heeft aangekruist, gelieve een van de volgende gevallen te bevestigen:

 3.1a) de betrokkene is persoonlijk gedagvaard op … (dag/maand/jaar) en is daarbij op de hoogte gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid, en is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;

OF

 3.1b) de betrokkene is niet persoonlijk gedagvaard, maar is anderszins daadwerkelijk officieel in kennis gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, en is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;

OF

 3.2. de betrokkene was op de hoogte van het voorgenomen proces, heeft een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en is op het proces ook werkelijk door die raadsman verdedigd;

OF

 3.3. nadat de beslissing aan hem was betekend op … (dag/maand/jaar) en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing

 heeft de betrokkene uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij de beslissing niet betwist;

OF

 heeft de betrokkene niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep aangetekend;

OF

 3.4. de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar

— de beslissing zal hem na overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend, en

— de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep,

waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde

wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot

herziening van de oorspronkelijke beslissing, en

— de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om

verzet of hoger beroep aan te tekenen, namelijk … dagen.

4. Gelieve voor het in punt 3.1b, 3.2 of 3.3 aangekruiste vakje te vermelden op welke wijze aan de desbetreffende voorwaarde is voldaan:

...........................................................................................................................................

2.3.3

De Overleveringswet (OLW) geeft uitvoering aan Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Artikel 12 OLW luidt als volgt:

Artikel 12

Overlevering wordt niet toegestaan indien het Europees aanhoudingsbevel strekt tot tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig de procedurevoorschriften van uitvaardigende lidstaat:

a. de verdachte tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt; of

b. de verdachte op de hoogte was van de behandeling ter terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd; of

c. de verdachte nadat het vonnis aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en tijdens welke de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis:

1°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij het vonnis niet betwist; of

2°. niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend; of

d. het vonnis niet in persoon aan de verdachte is betekend, maar:

1°. hem na zijn overlevering onverwijld in persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

2°. hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

2.3.4

Onderdeel D) van bijlage 2 bij de OLW (“Model voor het Europees aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Overleveringswet”) is gelijkluidend aan het hiervoor onder 2.3.2 weergegeven onderdeel d) van de bijlage bij Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

2.4

Prejudiciële vraag

Inleiding

2.4.1

Uit het EAB blijkt dat in Litouwen een procedure in eerste aanleg is gevoerd die tot de veroordeling van 26 augustus 2016 heeft geleid en een procedure in hoger beroep die niet tot wijziging van die veroordeling heeft geleid.

2.4.2

Ten aanzien van de procedure in eerste aanleg staat vast dat de opgeëiste persoon in persoon op het proces is verschenen dat tot de veroordeling van 26 augustus 2016 heeft geleid.

2.4.3

Over de procedure in hoger beroep is, behoudens de uitkomst daarvan, niets bekend.

2.4.4

De vraag rijst of in een geval als het onderhavige artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ alleen van toepassing is op de procedure in eerste aanleg of dat deze bepaling ook ziet op de procedure in hoger beroep. In het eerste geval kan de rechtbank in het onderhavige geval de tenuitvoerlegging van het EAB niet weigeren. In het tweede geval moet de rechtbank aanvullende gegevens opvragen bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit over de procesgang in hoger beroep. Het antwoord op de vraag is dus noodzakelijk voor de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB.

2.4.5

De rechtbank ziet aanknopingspunten voor het oordeel dat de in 2.4.4 bedoelde vraag als volgt moet worden beantwoord: artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ is ook van toepassing is op een procedure in hoger beroep, althans voor zover in deze procedure de zaak ten gronde is behandeld.

Behandeling van de zaak ten gronde

2.4.6

Die opvatting berust allereerst op de tekst van de onderdelen c) en d) van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, waarin telkens de zinsnede ‘de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten’ voorkomt.

2.4.7

Uit de woorden ‘opnieuw ten gronde’ leidt de rechtbank allereerst af dat met de ‘beslissing’ als bedoeld in de aanhef van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ wordt gedoeld op een beslissing die is genomen na een procedure waarin de zaak ten gronde is behandeld.

2.4.8

Uit de woorden ‘nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten’ leidt de rechtbank af dat de zaak ten gronde is behandeld als de rechter heeft beoordeeld of het strafbare feit dat aan de betrokkene wordt verweten bewezen is. Met andere woorden: als de rechter de schuld of onschuld van de betrokkene aan dat strafbare feit heeft beoordeeld (hierna: de schuldvraag).

2.4.9

De omstandigheid dat artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ ziet op de situatie dat aan de betrokkene een vrijheidssanctie is opgelegd, brengt volgens de rechtbank verder mee dat de zaak ten gronde is behandeld als de rechter aan de betrokkene voor het bewezen strafbare feit een sanctie heeft opgelegd.

2.4.10

De zaak is dus ten gronde behandeld in de zin van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, als de rechter de betrokkene heeft veroordeeld wegens een strafbaar feit.

2.4.11

Deze uitleg strookt naar de mening van de rechtbank met de context van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Omdat overeenkomstig het beginsel van wederzijdse erkenning de tenuitvoerlegging van het EAB de hoofdregel is, moeten uitzonderingen op die regel strikt worden uitgelegd.

2.4.12

De reikwijdte van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ is niet noodzakelijkerwijs gelijk aan die van artikel 6, eerste lid, EVRM noch, gelet op artikel 52, derde lid, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelijk aan de reikwijdte van de artikelen 47 en 48 Handvest. Blijkens de woorden ‘behandeling ten gronde’ heeft de Uniewetgever naar de mening van de rechtbank het toepassingsgebied van de weigeringsgrond bewust willen beperken tot dat deel van de strafprocedure dat heeft geleid tot de veroordeling. Zo valt een procedure waarin de strafrechter alleen rechtsvragen beantwoordt, zoals een cassatieprocedure, onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM en dus onder de reikwijdte van de artikelen 47 en 48 Handvest (zie bijv. EHRM 7 september 1999, 39350/98 (Jodko/Litouwen), ontvankelijkheidsbeslissing), maar valt in de hier voorgestane uitleg een dergelijke procedure niet onder de reikwijdte van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, omdat geen sprake is van een ‘behandeling ten gronde’.

2.4.13

De uitleg strookt naar de mening van de rechtbank ook met de doelstellingen van Kaderbesluit 2009/299/JBZ. Gelet op die doelstellingen beoogt artikel 4 bis, eerste lid, immers de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen de betrokkene over te leveren ondanks de afwezigheid van de betrokkene op het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid en daarbij de rechten van de verdediging volledig in acht te nemen (HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punt 37).

Hoger beroep

2.4.14

De tekst van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ beperkt de reikwijdte van deze bepaling niet uitdrukkelijk tot de procedure in eerste aanleg. Bovendien is in de formulering van de onderdelen c) en d) van deze bepaling naast ‘hoger beroep’ of een ‘procedure in hoger beroep’ steeds sprake van ‘verzet’ of een ‘verzetprocedure’.

2.4.15

De context van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ biedt steun aan deze uitleg. Kaderbesluit 2009/299/JBZ beoogt de weigeringsgrond te harmoniseren, niet het strafprocesrecht van de lidstaten. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat volgens het strafprocesrecht van een aantal lidstaten – waaronder Litouwen – ook in hoger beroep een beoordeling ten gronde plaatsvindt of kan plaatsvinden.

2.4.16

Ook de doelstelling van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ ondersteunt naar de mening van de rechtbank deze uitleg.

2.4.17

Deze bepaling beoogt immers de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen de overlevering toe te staan, ondanks dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest op het proces dat tot de veroordeling heeft geleid, en daarbij de rechten van de verdediging volledig in acht te nemen (HvJ EU 26 februari 2013, zaak C-399/11, ECLI:EU:C:2013:107 (Melloni), punt 43; HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punt 37).

2.4.18

De rechten van de verdediging maken onderdeel uit van het recht op een eerlijk proces. Artikel 6, eerste lid, EVRM verplicht de lidstaten niet om te voorzien in een procedure in hoger beroep. Gelet op artikel 52, derde lid, Handvest vloeit een dergelijke verplichting evenmin voort uit artikel 47, tweede alinea, Handvest. Waar een lidstaat desondanks voorziet in een dergelijke procedure, is hij verplicht te verzekeren dat de betrokkene in die procedure de fundamentele waarborgen van artikel 6 EVRM en dus van artikel 47, tweede alinea, Handvest geniet (zie bijv. EHRM (Grote Kamer) 26 oktober 2000, 30210/96 (Kudła/Polen), § 122). Weliswaar hangt de wijze waarop artikel 6 EVRM en artikel 47, tweede alinea, Handvest van toepassing zijn op procedures in hoger beroep af van de bijzondere kenmerken van die procedures, maar wanneer de rechter in hoger beroep een nieuw oordeel moet geven over de schuld of onschuld van de betrokkene kan die rechter dat oordeel niet geven zonder een ‘direct assessment of the evidence given in person by the accused for the purpose of proving that he did not commit the act allegedly constituting a criminal offence’. Ook in een dergelijk geval kan de betrokkene echter, uitdrukkelijk of stilzwijgend, afstand van zijn verdedigingsrechten doen (zie bijv. EHRM 9 juni 2009, 31509/02 (Strzałkowski/Polen, § 41-42; EHRM 9 juni 2009, 19847/07 (Sobolewski/Polen (nr. 2)), § 35-36). In een dergelijk geval is de enkele omstandigheid dat de betrokkene in eerste aanleg zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen dus onvoldoende om te kunnen concluderen dat aan de eisen van artikel 6 EVRM en artikel 47 Handvest is voldaan (zie bijv. EHRM 14 februari 2017, 30749/12 (Hokkeling/Nederland)).

2.4.19

Als de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces in hoger beroep en als in hoger beroep een beoordeling ten gronde heeft plaatsgevonden die ertoe heeft geleid dat het beroep tegen de in eerste aanleg gegeven veroordeling is afgewezen, dan strookt het daarom naar de mening van de rechtbank met de doelstelling van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ dat deze procedure onder de reikwijdte van die bepaling valt.

Facultatieve weigeringsgrond

2.4.20

Bij deze uitleg blijft overigens naar de mening van de rechtbank de ruimte bestaan om af te zien van weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB, ook als zich geen van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/5684/JBZ voordoet, als blijkt dat de overlevering geen schending van het verweerrecht van de opgeëiste persoon impliceert, bijvoorbeeld als de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest. Artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ bevat immers een facultatieve weigeringsgrond (HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punten 50-51).1

Prejudiciële vraag

2.4.21

Er is echter twijfel mogelijk over de juistheid van de hier voorgestane uitleg. De uitvaardigende rechterlijke autoriteiten van een aantal andere lidstaten lijken van opvatting te zijn dat een procedure in hoger beroep in geen geval relevant is voor de toetsing aan artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Het komt namelijk voor dat een EAB geen melding van een procedure in hoger beroep maakt, terwijl uit andere gegevens blijkt dat een dergelijke procedure wel heeft plaatsgevonden. Ook komt voor, zoals in de onderhavige zaak, dat wel melding wordt gemaakt van een procedure in hoger beroep, echter zonder vermelding van het voor toetsing aan artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ relevante procesverloop. Zo is de rechtbank recentelijk in een periode van enkele weken geconfronteerd met drie andere EAB’s waarin een vergelijkbaar probleem aan de orde is (en waarvan één EAB – het EAB tegen heer [persoon] – onderwerp van een afzonderlijke prejudiciële verwijzing vormt). Voor de opvatting van de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten zou kunnen pleiten dat, wanneer – naar de mening van deze autoriteiten – vaststaat dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedure in eerste aanleg volledig in acht zijn genomen, ten aanzien van eventuele verdere procedures erop moet worden vertrouwd dat de uitvaardigende lidstaat de grondrechten van de opgeëiste persoon heeft nageleefd (vgl. HvJ EU 5 april 2016, zaken C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 78).

2.4.22

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich niet eerder over deze kwestie gebogen.

2.4.23

De rechtbank zal daarom de volgende vraag aan het Hof voorleggen:

Is een procedure in hoger beroep

waarin een beoordeling ten gronde heeft plaatsgevonden en

die tot een (nieuwe) veroordeling van de betrokkene en/of tot een bekrachtiging van de in eerste aanleg gegeven veroordeling heeft geleid,

terwijl het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van die veroordeling,

het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ?

3 Verzoek om toepassing van de spoedprocedure

3.1

De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure als bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering.

3.2

De prejudiciële vragen hebben betrekking op de uitleg van een kaderbesluit dat valt onder de gebieden als bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU.

3.3

De opgeëiste persoon bevindt zich in overleveringsdetentie in afwachting van de definitieve beslissing van de rechtbank over de tenuitvoerlegging van het EAB. Die beslissing kan de rechtbank niet nemen, zolang het Hof van Justitie de prejudiciële vragen nog niet heeft beantwoord. Het spoedige antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen is dan ook rechtstreeks en doorslaggevend van invloed op de duur van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon.

4 Beslissing

HEROPENT het onderzoek.

VERZOEKT het Hof van Justitie de volgende vraag te beantwoorden:

Is een procedure in hoger beroep

waarin een beoordeling ten gronde heeft plaatsgevonden en

die tot een (nieuwe) veroordeling van de betrokkene en/of tot een bekrachtiging van de in eerste aanleg gegeven veroordeling heeft geleid,

terwijl het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van die veroordeling,

het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ?

SCHORST daartoe het onderzoek voor onbepaalde tijd.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon – met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman – en van een tolk voor de Litouwse taal tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. C. Klomp en J. Edgar, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. V.H. Glerum en A.T.P. van Munster, griffiers,

en uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 De rechtbank merkt daarbij op dat de Nederlandse implementatie van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ deze ruimte niet biedt, nu de Nederlandse wetgever deze bepaling namelijk als een dwingende weigeringsgrond heeft geïmplementeerd (Rb. Amsterdam 16 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3643).