Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:3217

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
15-05-2017
Zaaknummer
16-6064
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Beschikking 552a Sv. Teruggave inbeslaggenomen geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

RK: 16/6064

BESCHIKKING

op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[naam bedrijf]

gevestigd te [vestigingsplaats 1] (Verenigd Koninkrijk),

te dezen woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadsman,

mr. A.W. van Gemert, [adres raadsman] ,

klaagster.

1 Procesgang

Het klaagschrift is op 6 september 2016 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank.

De rechtbank heeft op 21 februari 2017 de gemachtigde raadsman van klaagster, beslagene [naam beslagene] en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

2 Inhoud klaagschrift en standpunt klager

Het klaagschrift strekt tot teruggave van onder [naam beslagene] in beslag genomen geld, te weten in totaal GBP 90.675,- en EUR 218.405,-.

Voorts strekt het klaagschrift tot een vergoeding van gemaakte proceskosten.

Het klaagschrift heeft geen betrekking op een eveneens onder [naam beslagene] in beslaggenomen geldbedrag van EUR 3.090,- dat aan [naam beslagene] toebehoort, en dat werd aangetroffen in de insluitingsfouillering van [naam beslagene] .

De raadsman heeft op nader in het klaagschrift en de pleitnota omschreven gronden, kort samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.

Het voortduren van het beslag is niet (langer) in het belang van strafvordering. Het beslag kan immers niet bijdragen aan het vinden van de waarheid en daarnaast is het hoogst onwaarschijnlijk dat het geld verbeurdverklaard zal worden. Het beslagene is niet vatbaar voor verbeurdverklaring. Bovendien is het geld niet afkomstig uit misdrijf zodat verbeurdverklaring niet kan volgen. Het geld is te Amsterdam aangetroffen in de auto van [naam beslagene] , een werknemer van klaagster.

Op basis van het dossier kan redelijkerwijs worden vastgesteld dat het geld aan klaagster toebehoort. [naam beslagene] had het geld onder zich ten behoeve van de bedrijfsvoering van klaagster.

Zowel [naam beslagene] als de heer [eigenaar bedrijf] , namens klaagster, hebben dit beiden onafhankelijk van elkaar verklaard. Deze stelling wordt bovendien ondersteund door een aantal bewijsmiddelen (video-opnames, bankbescheiden, foto’s van euro’s met bankwikkels, een verklaring van de accountant).

[naam beslagene] heeft wellicht een ongeloofwaardige verklaring afgelegd over zijn aanwezigheid in Amsterdam, maar zijn verklaring op dat punt zegt niets over de herkomst of bestemming van het geld.

Uit niets blijkt dat klaagster te kwader trouw is omtrent de herkomst van het geld. Klaagster heeft meteen openheid van zaken gegeven over zowel de herkomst als de bestemming ervan.

Op basis van het dossier is er geen enkele aanleiding om aan te nemen dat [eigenaar bedrijf] wist of moest vermoeden dat het geld afkomstig is uit een misdrijf.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie zich verzet tegen teruggave van de in beslag genomen geldbedragen aan klaagster en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet. Op dit moment is sprake van een situatie dat veroordeling voor witwassen van [naam beslagene] (en/of een ander) (nog) een reële mogelijkheid is. Dat maakt dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat het geld verbeurd zal worden verklaard.

Hoewel er geen direct bewijs is voor een specifiek misdrijf waaruit het geld afkomstig is, bevat het dossier voldoende aanknopingspunten voor een veroordeling voor witwassen van het geld door [naam beslagene] en/of een of meer anderen.

Het cash geld (ongeveer EUR 200.000,- en GBP 90.000,-) werd aangetroffen in de kofferbak van de auto van [naam beslagene] op een afgelegen parkeerterrein in Amsterdam-West. Het parkeerterrein staat bij de politie bekend als locatie die regelmatig wordt gebruikt voor criminele activiteiten. Reeds deze omstandigheden leveren een vermoeden van witwassen op. [naam beslagene] was toen bovendien in het bezit van drie prepaid telefoons. Het gebruik van meerdere prepaid-telefoons komt vaak voor in combinatie met criminaliteit, aldus de officier van justitie.

[naam beslagene] heeft over de herkomst van het geld verklaard dat hij als juweleninkoper voor [naam bedrijf] (klaagster) te [vestigingsplaats 1] werkt. Hij zou het geld in Engeland van de eigenaar van klaagster, de heer [eigenaar bedrijf] , hebben meegekregen voor de inkoop van juwelen en goud.

Over zijn aanwezigheid ter plaatste heeft [naam beslagene] verklaard dat hij van [vestigingsplaats 2] , waar klaagster ook een vestiging heeft, op weg was naar Schiphol om daar zijn baas (de heer [eigenaar bedrijf] ) op te halen, maar dat hij een afslag had gemist en zo op het parkeerterrein in Amsterdam-West terecht was gekomen. Niet alleen is deze verklaring van [naam beslagene] volstrekt onaannemelijk, de verklaring wordt ook tegengesproken door de heer [eigenaar bedrijf] die ontkent op dat moment op weg naar Schiphol te zijn geweest. Bovendien was de locatie van het parkeerterrein (het [naam parkeerterrein] ) recentelijk ingevoerd in de navigatie die zich in de auto van [naam beslagene] bevond, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat [naam beslagene] bewust naar deze plek is toegereden.

Over zijn aanwezigheid ter plaatse met het grote geldbedrag heeft [naam beslagene] dus allesbehalve een verklaring afgelegd die concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk is.

De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat de leugenachtige verklaring van [naam beslagene] over zijn aanwezigheid op het parkeerterrein met zoveel geld bovendien maakt dat zij kritischer is ten aanzien van de stukken die de legale herkomst van dat geld moeten aantonen.

Er zijn allerhande financiële stukken aangeleverd van klaagster. Die stukken lijken weliswaar te bevestigen dat klaagster zich bezighoudt met transacties rond goud en juwelen, maar het specifieke geldbedrag dat bij [naam beslagene] is aangetroffen kan, op een handgeschreven bonnetje na, tot geen van deze stukken worden teruggebracht.

Voorts is het Openbaar Ministerie bezig de verklaring van [naam beslagene] te verifiëren. Daartoe is een rechtshulpverzoek naar het Verenigd Koninkrijk uitgegaan, waarin in brede zin informatie is opgevraagd over [naam beslagene] , [eigenaar bedrijf] en klaagster. Het Openbaar Ministerie wacht al enige tijd op de resultaten daarvan. Nu het Openbaar Ministerie nog geen helderheid heeft over de vraag of het geld een legale herkomst heeft, als zijnde handelsgeld van klaagster, het Openbaar Ministerie nog bezig is met het onderzoek, de zaak niet stil heeft gelegen, en het geld niet onnodig lang in beslag wordt gehouden, moet het beslag blijven voortduren. Aldus nog steeds het Openbaar Ministerie.

4 Het oordeel van de rechtbank

Op 1 augustus 2016 zijn voornoemde geldbedragen onder [naam beslagene] in beslag genomen.

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klaagster redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.


Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor – in dit geval – artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.

In het onderhavig geval is sprake van geldbedragen die volgens het Openbaar Ministerie

vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de geldbedragen zal uitspreken.

Uit de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen geldbedragen zal verbeurd verklaren.

Dit oordeel dient te worden bezien in het licht van de specifieke verdenking voor witwassen door [naam beslagene] . De officier van justitie heeft in raadkamer verklaard dat uitsluitend [naam beslagene] , en niet ook klaagster, in dit verband als verdachte wordt aangemerkt.

Zoals hierboven reeds uiteengezet werd het geld aangetroffen in de kofferbak van de auto van [naam beslagene] in Amsterdam. Zowel [eigenaar bedrijf] (klaagster) als [naam beslagene] hebben kort na de aanhouding van [naam beslagene] beiden onafhankelijk van elkaar een gelijke verklaring gegeven over de herkomst en bestemming van het geld, te weten geld dat afkomstig was uit het filiaal van klaagster in [vestigingsplaats 1] en bestemd was voor het doen van inkopen van goud en juwelen. Van de zijde van klaagster is ter onderbouwing van haar stellingen het nodige aangevoerd en zijn stukken ingebracht. Het mag zo zijn dat die onderbouwing niet precies terug te voeren is tot het volledige bedrag, anderzijds lijkt dat voor een gedeelte van het bedrag wel het geval te zijn (blijkens de camerabeelden van het filiaal in [vestigingsplaats 1] welke bij de behandeling in raadkamer zijn getoond en gezien de stukken in het dossier betreffende de pakketten geld met de bankwikkels). Hierbij komt dat nergens uit blijkt dat het overige geld niet van klaagster zou kunnen zijn.

Afgezien van het feit dat de verklaring van [naam beslagene] over zijn aanwezigheid met het geld in Amsterdam de nodige vragen oproept, bevat het dossier, bijna 7 maanden na de inbeslagneming, vooralsnog zeer weinig concrete feiten en omstandigheden die tot een verdenking van witwassen zouden kunnen leiden.

De officier van justitie heeft weliswaar aangevoerd dat er nog onderzoek gaande is ter verificatie van de verklaring van [naam beslagene] , maar heeft daarover desgevraagd niet meer over meegedeeld dan dat het hier gaat om een algemeen rechtshulpverzoek in Engeland, zonder verdere concrete inzichten te kunnen geven over wat dat (of eventueel niet nader omschreven ander) onderzoek zou kunnen opleveren.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat bij het ontbreken van voldoende strafvorderlijk belang het beslag dient te worden opgeheven.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de in beslag genomen geldbedragen aan klaagster toebehoren. De rechtbank zal dan ook gelasten dat de geldbedragen, waarvan [naam beslagene] afstand heeft gedaan, aan klaagster dienen te worden teruggegeven.

De rechtbank zal klaagster in haar verzoek om een vergoeding van de proceskosten niet-ontvankelijk verklaren nu een dergelijk verzoek op grond van 552a Sv niet mogelijk is.

5 Beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag GEGROND en gelast de teruggave van GBP 90.675,- en EUR 218.405,- aan klaagster.

De rechtbank verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor zover het klaagschrift ziet op verzoek tot een vergoeding van proceskosten.

Deze beslissing is op 7 maart 2017 gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. F.W. Pieters, voorzitter,

mrs. S. Ju en L.R. Wisse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier.

De oudste rechter is buiten staat

de beschikking te ondertekenen.

De jongste rechter is buiten staat

de beschikking te ondertekenen.