Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:311

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
13/669105-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Huiselijk geweld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT

VONNIS

Parketnummer: 13/669105-16

Datum uitspraak: 12 januari 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Portugal) op [geboortedatum] 1972,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres 1] , [plaats 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 december 2016 en 29 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Smits en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. Rozendaal naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

het op 18 juni 2016 te Amsterdam pogen om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan zijn levensgezel [persoon 1] , door onder meer haar keel/hals dicht te knijpen, op haar te gaan zitten haar bij de haren vast te pakken en haar hoofd tegen een gasleiding/verwarming of de vloer te slaan en haar tegen haar hoofd of lichaam te stompen en/of slaan

en/of

door zijn levensgezel [persoon 1] op deze wijze te mishandelen.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht voldoende overtuigend bewijs voorhanden om zowel de poging zware mishandeling als de mishandeling van [persoon 1] bewezen te verklaren. Hoewel de verdachte een heel andere aanleiding schetst voor de uit de hand gelopen situatie dan aangeefster en zijn handelen omschrijft als het in toom houden van aangeefster, gaat de officier van justitie, ten aanzien van het ontstaan van het letsel, uit van het verhaal van aangeefster. Haar aangifte wordt ondersteund door het bij haar waargenomen letsel, de latere sms-berichten van aangeefster aan verdachte en de verklaring van de buurvrouw dat zij verdachte en aangeefster beide flink heeft horen schreeuwen en schelden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het aan verdachte tenlastegelegde. Hoewel verdachte erkent dat er sprake is geweest van een schermutseling met [persoon 1] heeft hij een heel ander verhaal over hetgeen is voorgevallen. Aangeefster zou uit het niets zijn gaan schelden en tieren en verdachte heeft getracht haar tot bedaren te brengen door haar vast te houden, waarbij hij getracht heeft haar de mond te snoeren. Het is uiteindelijk, doordat aangeefster niet kalmeerde, een worsteling geworden waarbij beiden zijn komen te vallen en waarbij aangeefster mogelijk het letsel heeft opgelopen. Er is eerder sprake van een noodweer-achtige situatie of noodweerexces nu verdachte, geconfronteerd met de agressieve uitlatingen van aangeefster, geprobeerd heeft haar te laten stoppen met schreeuwen. Verdachte heeft nooit de opzet gehad om [persoon 1] te mishandelen. Daarnaast is aangeefster vlak voor dit incident tijdens haar verblijf in Griekenland gevallen op haar hoofd. Het is moeilijk vast te stellen welk letsel op welk moment is opgelopen. Nu sprake is van een situatie waarbij enkel verdachte en aangeefster aanwezig waren, is er onvoldoende bewijs voorhanden om te komen tot een bewezenverklaring van de poging zware mishandeling dan wel de mishandeling. Indien de rechtbank toch komt tot een bewezenverklaring dan kan de rechtbank enkel de mishandeling bewezen verklaren omdat niet is gebleken van een kans op zwaar lichamelijk letsel.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.1.

Bewijsoverweging

Op 18 juni 2016 heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte en zijn toenmalige levensgezel [persoon 1] , waarbij [persoon 1] letsel heeft opgelopen.


Aangeefster heeft - kort gezegd - verklaard dat zij door verdachte is vastgepakt en dat zij voelde dat verdachte haar tot drie keer toe bij haar keel heeft vastgegrepen en bovenop haar is gaan zitten, waarbij hij onder andere haar hoofd tegen de gasleiding heeft gebonkt, haar mond en neus heeft dichtgeknepen waardoor zij geen lucht meer kreeg en haar tegen haar kaak heeft geslagen.
Verdachte heeft bij de politie verklaard en ter terechtzitting herhaald dat hij met aangeefster in een worsteling terecht is gekomen en trachtte haar te kalmeren omdat zij uit het niets begon te schreeuwen en te gillen. Hij heeft haar vastgehouden, zijn hand op haar mond gedrukt en haar mond vastgehouden, waarbij [persoon 1] heel wild deed met haar handen en benen en hij haar lichaam vasthad en dat hij probeerde haar handen vast te houden. Daarbij heeft verdachte ook haar haren en hoofd vastgepakt, waarna zij samen, zo stelt verdachte, ten val zijn gekomen.

Er zijn, behalve een buurman die betrokkenen ruzie hoorde maken in de vorm van schelden, geen getuigen aanwezig geweest bij de confrontatie tussen verdachte en het slachtoffer.

Hoewel de verklaringen van aangeefster en verdachte met betrekking tot de aanleiding en hetgeen feitelijk precies heeft plaatsgevonden uiteenlopen, wordt de verklaring van aangeefster dat zij door verdachte is mishandeld ondersteund door het door verbalisanten waargenomen letsel dat zij heeft opgelopen in haar gezicht en in haar hals en nek. Van het letsel is later ook een letselverklaring opgemaakt en zijn foto’s gemaakt.

De rechtbank acht het onaannemelijk dat het bij aangeefster geconstateerde letsel is ontstaan enkel door het vasthouden van [persoon 1] door verdachte en dat aangeefster het letsel aan zichzelf te wijten zou hebben. Voor het ontstaan van dergelijk letsel moet verdachte met flinke kracht demond en de keel van [persoon 1] hebben vastgehouden. Verdachte heeft ook ter terechtzitting aangegeven sterker te zijn dan aangeefster.

Verdachte heeft steeds ontkend dat hij het opzet heeft gehad om [persoon 1] pijn te willen doen of letsel te willen toebrengen. Voor een bewezenverklaring van mishandeling is echter niet vereist dat verdachte het volle oogmerk heeft gehad om pijn en/of leed toe te voegen. Op grond van de aangifte in combinatie met het waargenomen letsel, de letselverklaring en de later verstuurde sms-berichtenkomt de rechtbank tot het oordeel dat het tenlastegelegde bewezen is.

Voor zover er letsel is toegebracht aan de keel/hals levert dit een poging tot zware mishandeling op, nu dit letsel zich bevindt op een uiterst kwetsbare plek van het lichaam die gemakkelijk zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster had kunnen veroorzaken. Ten aanzien het letsel op het achterhoofd is de rechtbank van oordeel dat niet vast is komen te staan dat dit letsel door verdachte is veroorzaakt. Uit het dossier komt naar voren dat aangeefster in de periode voorafgaand aan dit incident in Griekenland ten val is gekomen, waarbij zij naar eigen zeggen op haar achterhoofd is gevallen en daarbij een hersenschudding heeft opgelopen.

Voor zover de verdediging heeft bedoeld een noodweer dan wel noodweerexcesverweer te voeren, dan is dat verweer onvoldoende onderbouwd.

4.2

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 18 juni 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zijn, verdachte’s levensgezel, genaamd [persoon 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht gedurende enige tijd de keel en/of hals van voornoemde [persoon 1] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en de mond en/of neus van voornoemde [persoon 1] heeft dichtgehouden

en

op 18 juni 2016 te Amsterdam opzettelijk zijn levensgezel, [persoon 1] , heeft mishandeld door met kracht de armen van voornoemde [persoon 1] vast te pakken en vast te houden en voornoemde [persoon 1] te bijten in diens lip en/of kin en het hoofd en het haar van voornoemde [persoon 1] met kracht vast te pakken en meermalen met kracht voornoemde [persoon 1] te stompen en/of te slaan tegen diens lichaam en zijn, verdachte's armen met kracht om de borst en lichaam van voornoemde [persoon 1] te slaan, waardoor beiden op de grond kwamen te vallen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd.

Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppelde de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geformuleerd.

De officier van justitie heeft voorts een taakstraf van 120 uren gevorderd, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen, met aftrek naar de maatstaf van 2 uren per dag in detentie doorgebracht.

8.2.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden, verzocht de op te leggen straf te matigen, nu er in de visie van de verdediging slechts sprake kan zijn van mishandeling en niet van poging tot zware mishandeling.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (poging tot zware) mishandeling van zijn toenmalige levensgezel in haar eigen woning. Hij heeft haar daarbij onder meer bij haar keel vastgegrepen en bij haar hoofd en haren vastgepakt en gestompt/geslagen in haar gezicht en tegen haar lichaam. Door op deze manier te handelen heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat, naast het lichamelijk letsel dat aangeefster heeft opgelopen, zij bang is voor verdachte en dat zij zich niet meer prettig voelt in haar eigen woning.

Uit de stukken blijkt dat verdachte en aangeefster een geschiedenis hebben van conflicten over en weer en dat aangeefster had gedronken die avond. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat ook aangeefster enig aandeel heeft gehad in het escaleren van de situatie. De rechtbank acht ook niet onaannemelijk dat verdachte in zijn beleving de intentie had om haar te kalmeren, maar hij heeft daarbij uiteindelijk toch geweld gebruikt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland van 14 november 2016. In aanloop tot de zitting is aan verdachte een toezicht opgelegd. Met hulp van de toezichthouder is verdachte positief bezig met het opbouwen van zijn leven. Verdachte zegt veel te leren over zijn eigen aandeel in de conflicten en zou een behandeling willen volgen gericht op het vergroten van zijn assertiviteit. De reclassering adviseert een gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld een meldplicht en een ambulante behandelverplichting. De verdachte kan zich vinden in dit advies en stemt ermee in.

De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd op zijn plaats. Daarnaast zal de rechtbank ook een taakstraf in de vorm van een werkstraf aan verdachte opleggen. Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden en de omstandigheid dat de rechtbank tot een iets andere kwalificatie komt dan de officier van justitie, zal de rechtbank de gevorderde werkstraf iets matigen.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding.

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek met betrekking tot het smartengeld/de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd om de vordering in zijn geheel toe te wijzen. De door of namens de benadeelde partij meegezonden uitspraak ter onderbouwing van haar vordering ziet op een poging doodslag. Dit is niet aan verdachte tenlastegelegd. Daarnaast is er geen nadere onderbouwing van de psychische gevolgen die het gebeuren voor haar heeft gehad. De rechtbank begroot, rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 200,- (twee honderd euro).

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 200,- (tweehonderd euro).

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 22c, 22d, 36f, 55, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Eendaadse samenloop van:

poging tot zware mishandeling begaan tegen zijn levensgezel

en

mishandeling begaan tegen zijn levensgezel

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (een) maand.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

Veroordeelde moet zich na oproep melden bij de reclassering op het adres [adres 2] te [plaats 2] .

Veroordeelde moet zich bij de reclassering melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Behandelverplichting – ambulante behandeling

Veroordeelde moet zich onder behandeling stellen van De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering en zich laten behandelen voor het vergroten van zijn assertiviteit en oplossingsgerichte vaardigheden.

Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Wijst de vordering van [persoon 1] , wonende op het adres [adres 3] , [plaats 3] , toe tot € 200,- (tweehonderd euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] , € 200,- (tweehonderd euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 4 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. S.A. Krenning en M. Woerdman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 januari 2017.