Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:3028

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2017
Datum publicatie
08-05-2017
Zaaknummer
13/751033-17
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overleveringsverzoek van de Roemeense autoriteiten. Tussenuitspraak 26 april 2017.

Op 6 april 2017 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gewezen en het onderzoek heropend, geschorst en de beslissing op het verzoek om overlevering uitgesteld.

In die tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat er op korte termijn nieuwe, aanvullende, informatie voorhanden zal zijn waarover de rechtbank eerder nog niet de beschikking had. Om de partijen de gelegenheid te geven zich te uiten over deze nieuwe informatie is het onderzoek op 13 april 2017 voortgezet.

Deze informatie betreft een brief, afkomstig van de hoofdcommissaris, Algemeen Directeur van het Nationale Bestuur van Penitentiaire Instellingen, getekend door de Adjunct commissaris van gevangenissen, plaatsvervangend directeur-generaal.

De reeds eerder vastgestelde ‘strong presumption’ van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de Roemeense gevangenis is met deze informatie niet weerlegd. De conclusie moet dan ook zijn dat de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling niet uitsluit.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in het onderhavige geval nog niet is overschreden. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat de uitstelbeslissing van 6 april 2017 dateert. Naar het oordeel van de rechtbank is nog verder uitstel van de beslissing geboden om de Roemeense justitiële autoriteiten in de gelegenheid te stellen verdere nadere informatie te verschaffen. De omstandigheid dat de officier van justitie de verwachting heeft uitgesproken dat de Roemeense autoriteiten niet meer aanvullende informatie zullen verstrekken leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

De rechtbank handhaaft het op 6 april 2017 verleende uitstel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.033-17

RK nummer: 17/613

Datum uitspraak: 26 april 2017

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 januari 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 maart 2016 door the President of the High Court Maramures (Roemenië) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[naam opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[adres] te [woonplaats] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam penitentiaire inrichting 1] te [plaats ] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 maart 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.J. Polman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

Op 6 april 2017 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gewezen en het onderzoek heropend, geschorst en de beslissing op het verzoek om overlevering uitgesteld.

Tevens heeft de rechtbank in die tussenuitspraak vastgesteld dat er op korte termijn nieuwe, aanvullende, informatie voorhanden zal zijn waarover de rechtbank op 6 april 2017 nog niet de beschikking had. Om de partijen de gelegenheid te geven zich te uiten over deze nieuwe informatie is het onderzoek ter zitting op 13 april 2017 – in gewijzigde samenstelling van de rechtbank – voortgezet. Aanwezig waren de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel, de opgeëiste persoon – bijgestaan door een tolk in de Roemeense taal – en de raadsman.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft opnieuw de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting wederom bevestigd dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een penal sentence no. 9 van het Maramures Tribunal

van 26 januari 2016.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf moet een periode van vier maanden en 16 dagen worden afgetrokken omdat de opgeëiste persoon die tijd in voorarrest heeft doorgebracht.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die als volgt zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB;

the defendant [naam opgeëiste persoon] , during the period January-September 2013, based on the same sole criminal resolution, repeatedly introduced in Romania, without having the right to do so, the total quantity of about over 600 grams of risk drugs (cannabis), personally supplied by him from abroad (Spain, Austria, Holland), acting in this sense either to transport and introduce the drugs in the country directly by him, or to use some means of transportation belonging to some profile companies to whom he handed over luggage to be given to his minor brother, drugs being dissimulated inside the luggage (criminal act dated September 24, 2013), in some situations the receiver was the co-defendant [naam medeverdachte] ; also, in the period 2008-September 2013, based on the same criminal resolution, the defendant [naam opgeëiste persoon] acquired risk drugs (cannabis) and detained for his own consumption without such drugs, effectively consuming such substances, being even tracked down under their influence during the criminal pursuit.

4 De tussenuitspraak van 6 april 2017

De rechtbank verwijst naar haar (nog niet gepubliceerde) tussenuitspraak van 6 april 2017 in onderhavige zaak en neemt de daarin opgenomen beslissingen met betrekking tot de strafbaarheid van de feiten en de weigeringsgrond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW over.

Voorts neemt de rechtbank uit bedoelde uitspraak de onder punt 6.3 geformuleerde overwegingen over, die hebben geleid tot de beslissing het onderzoek te heropenen, dit voor onbepaalde tijd te schorsen en de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB uit te stellen.

5 De nieuw ingebrachte informatie

Van de Roemeense autoriteiten is ontvangen een brief, afkomstig van de hoofdcommissaris [naam hoofdcommissaris] , Algemeen Directeur van het Nationale Bestuur van Penitentiaire Instellingen, getekend door de Adjunct commissaris van gevangenissen [naam adjunct commissaris] , plaatsvervangend directeur-generaal, met het kenmerk [kenmerknummer] .


Deze brief is aan het dossier toegevoegd door de officier van justitie.


Standpunt raadsman
De brief verstrekt uitsluitend meer informatie over de tijden waarop de gedetineerden buiten hun cel kunnen verblijven. Deze informatie over de faciliteiten was al bekend en heeft op
6 april 2017 geleid tot uitstel van de beslissing. De brief is detentiebreed geschreven en zegt niets over het regime in de [naam penitentiaire inrichting 2] gevangenis. Vooropgesteld moet worden dat de schending van ‘de personal space’ nog onverminderd aanwezig is en blijft. Uit de jurisprudentie volgt dat dit gecompenseerd kan worden. Van belang kunnen bijvoorbeeld zijn de bewegingsvrijheid van gedetineerden in de gevangenis, de onbelemmerde toegang tot natuurlijk licht en lucht en relatief lange dagelijkse periodes van “outdoor exercises” (Varga e.a./Hongarije, § 77).

De raadsman heeft gepersisteerd bij zijn eerder ingenomen standpunt, te weten aanhouding danwel uitstel teneinde nadere vragen te stellen aan de Roemeense autoriteiten met betrekking tot de detentieomstandigheden, in het bijzonder de bezettingsgraad in de Roemeense penitentiaire inrichting ‘ [naam penitentiaire inrichting 2] ’. Subsidiair heeft de raadsman verzocht over te gaan tot weigering van het verzoek op grond van artikel 11 OLW (de rechtbank verstaat het verweer zo dat het betrekking heeft op een mogelijke schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘Handvest’)).

Standpunt officier van justitie

De brief is gesteld in algemene bewoordingen, omdat wat daarin staat geldt voor elke half-open penitentiaire inrichting in Roemenië. Op grond van deze brief weten wij nu dat in een halfopen inrichting elke gedetineerde de gelegenheid krijgt om tot 22:00 uur aan diverse activiteiten deel te nemen.

De officier van justitie maakt bezwaar tegen de vergelijking met de uitspraak van het EHRM van 20 oktober 2016, 7334/13 (Muršić/Kroatië), waarnaar de rechtbank in haar tussenuitspraak van 6 april 2017 verwijst. De schendingen in die laatste zaak zien op een gesloten setting. De officier van justitie merkt op dat het Oberlandesgericht Celle en het Oberlandesgericht Hamburg verschillend oordelen over Roemeense overleveringsverzoeken. Wat daar ook van zij, de informatie in de brief is volgens de officier van justitte genoegzaam. Er vinden verbeteringen plaats in Roemenië. Primair vordert de officier van justitie dat de overlevering toelaatbaar wordt verklaard, subsidiair dat het onderzoek nader wordt aangehouden danwel uitgesteld.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de ‘strong presumption’ dat de overlevering de opgeëiste persoon zal bloot stellen aan een schending van artikel 4 Handvest (een risico dat reeds is vastgesteld in de tussenuitspraak van 6 april 2017) door de informatie die in de brief is vervat, niet is weggenomen.

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in het standpunt dat de in de Muršić vastgestelde criteria niet in de onderhavige zaak van toepassing zijn, omdat deze criteria op een gesloten regime in plaats van een semi-open regime zijn toegespitst. Blijkens het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 14 maart 2017 (Muscalu/Roemenië, 80825/13), worden de in Muršić vastgestelde criteria ook in het geval van detentie in semi-open regimes toegepast. Overigens volgt uit het arrest van dat Hof van 24 november 2015 (Verdeş/Roemenië, 6215/14) dat de omstandigheid dat het gaat om een semi-open regime op zich niet voldoende is om een tekort aan “personal space” te compenseren.

Zoals reeds overwogen in het vonnis van 6 april 2017, blijkt uit de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit dat de opgeëiste persoon in de gevangenis in [plaats penitentiaire inrichting] , minder dan 3 m2 persoonlijke ruimte ter beschikking zal staan, zodat op grond van Muršić aldus een ‘strong presumption’ bestaat dat de opgeëiste persoon aldaar onder onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden zal verblijven.

Het EHRM heeft in par. 132 van datzelfde arrest overwogen dat dit vermoeden normaal gesproken alleen kan worden weerlegd als de volgende factoren cumulatief aanwezig zijn. Deze factoren betreffen – kort gezegd – de volgende:

1. ‘short, occasional and minor reductions of personal space’;

2. ‘sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities’;

3. ‘confinement in what is, when viewed generally, an appropriate detention facility’.

Deze toetsing geldt derhalve ook voor het semi-open regime.

Toetsing aan deze drie factoren leidt in de onderhavige zaak niet tot de conclusie dat de ‘strong presumption’ van schending van artikel 4 Handvest is weerlegd.

De eerste factor houdt in dat de beperking van het aantal m2 ‘personal space’ kort van duur, incidenteel en van ondergeschikte betekenis is. Gelet op de mogelijk langere detentieduur in het semi-open regime in de gevangenis in [plaats penitentiaire inrichting] , kan in elk geval niet worden geconcludeerd dat de beperking van de ‘personal space’ kort van duur en incidenteel is. Toetsing aan de tweede factor kan tot de conclusie leiden dat de beperking van het aantal m2 gepaard gaat met voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel, maar over de derde factor, kort gezegd dat de detentieomstandigheden voor het overige ‘appropriate’ zijn, biedt de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie onvoldoende duidelijkheid.

De ‘strong presumption’ van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de gevangenis in [plaats penitentiaire inrichting] is dus niet weerlegd. De conclusie moet dan ook zijn dat de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling niet uitsluit.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in het onderhavige geval nog niet is overschreden. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat de uitstelbeslissing van 6 april 2017 dateert. Naar het oordeel van de rechtbank is nog verder uitstel van de beslissing geboden om de Roemeense justitiële autoriteiten in de gelegenheid te stellen verdere nadere informatie te verschaffen. De omstandigheid dat de officier van justitie de verwachting heeft uitgesproken dat de Roemeense autoriteiten niet meer aanvullende informatie zullen verstrekken leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

De beslistermijnen blijven geschorst met ingang van 6 april 2017.

De rechtbank komt tot de volgende beslissingen:

6 Beslissingen

HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd

HANDHAAFT de beslissing tot uitstel over de tenuitvoerlegging van het EAB.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Roemeense taal tegen de nog vast te stellen datum en het nog vast te stellen tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. J. Edgar en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 26 april 2017.

evolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.