Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2946

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
03-05-2017
Zaaknummer
KG ZA 16-1440
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zijn uitlatingen van ouders over school van hun kinderen onrechtmatig jegens de school? Voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Ouders hebben er een legitiem belang bij de school van hun kinderen kritisch te volgen en kritiek ook openbaar te maken. Dit belang vervalt niet nadat die kritiek is voorgelegd aan een onafhankelijke klachtencommissie en ongegrond is bevonden, al zal die omstandigheid wel invloed hebben op de vraag of de kritiek binnen de grens van het toelaatbare blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/619791 / KG ZA 16-1440 PS/TF

Vonnis in kort geding van 12 januari 2017

in de zaak van

de stichting

AMSTERDAMSE STICHTING VOOR KATHOLIEK, PROTESTANTS-CHRISTELIJK EN INTERCONFESSIONEEL ONDERWIJS (ASKO),

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij dagvaarding van 7 december 2016,

advocaat mr. M.R.A. Dekker te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.D. Berkhout te Utrecht.

Partijen zullen hierna de ASKO en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 15 december 2016 heeft de ASKO gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Op zitting is aan de orde geweest dat de ASKO haar eis wilde vermeerderen in verband met het bestaan van een YouTube-kanaal waarop door [gedaagde] gemaakte geluidsopnamen worden aangeboden. Deze eisvermeerdering is uiteindelijk niet concreet geworden en in ieder geval niet op schrift gesteld (vgl. procesreglement kort gedingen rechtbanken civiel/familie, artikel 11.1) zodat slechts van het gevorderde zoals onder 3.1 vermeld zal worden uitgegaan. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Vervolgens is de zaak pro forma aangehouden tot 23 december 2016 te 12.00 uur teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te overleggen over het opstarten van een mediationtraject. Bij bericht van 22 december 2016 heeft mr. Dekker namens de ASKO meegedeeld dat partijen niet nader tot elkaar zijn gekomen en verzocht vonnis te wijzen. Aan partijen is telefonisch meegedeeld dat op 12 januari 2017 vonnis zal volgen.

Ter zitting waren, voor zover van belang, aanwezig:

aan de zijde van de ASKO: [naam 1] , hierna [naam 1] ), [naam 2] , hierna [naam 2] ) met mr. Dekker,

aan de zijde van [gedaagde] : [gedaagde] en [echtgenote] (zijn echtgenote) met mr. Berkhout.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft twee kinderen die allebei naar de [school] (hierna de school) gaan. Dochter [dochter] zit in groep 4 en zoon [zoon] in groep 2.

De school valt onder het gezag van de ASKO.

2.2.

Na drie wenochtenden heeft [gedaagde] de school verzocht zijn zoon over te plaatsen naar een andere groep. Dit verzoek is door de school (na drie weken) gehonoreerd.

2.3.

[gedaagde] en zijn echtgenote hebben over de school op 27 maart 2016 (met latere aanvullingen) een klacht ingediend bij de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs (hierna ook Klachtencommissie). In hun klaagschrift klagen zij er, samengevat, over dat de directeur van de school onvoldoende sturing aan de leerkrachten geeft, meer specifiek in het geval van het verzoek om overplaatsing van hun zoon [zoon] naar een andere klas. Voorts klagen zij erover dat het bestuur en de directeur niet inhoudelijk op kritiek hebben gereageerd en intimiderend en ander niet-integer gedrag jegens klagers hebben vertoond.

2.4.

Bij advies van 1 juli 2016 heeft de Klachtencommissie geoordeeld dat de klacht ongegrond is.

2.5.

[gedaagde] heeft een website, getiteld [website] , waarop hij zijn mening geeft over de school. Op de website schrijft [gedaagde] onder meer over pestproblemen die er in het verleden op de school zijn geweest, over tv-kijken in de klas en over een leerkracht die zat te breien op het schoolplein en daardoor volgens [gedaagde] onvoldoende toezicht hield. Ook vermeldt hij kritiek die de Onderwijsinspectie in het verleden op de school heeft geuit. Meer in het algemeen beschrijft [gedaagde] op de website zijn klachten, hoe daarop door [naam 1] en [naam 2] is gereageerd, het oordeel van de Klachtencommissie over zijn klachten en waarom dat oordeel volgens hem onjuist is. Op de website staat bijvoorbeeld het volgende:

De voorzitter van de Stichting Askoscholen ondersteunt de heer [naam 1] in zijn gedrag, en doet er zelf aan mee. Zo blijkt duidelijk uit de brieven aan ons.

(…)

Tenslotte hebben wij als ouders geen enkel belang om hierover te liegen. De heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] hebben dat wel.

(…)

Het niet-integere gedrag neem ik op de koop toe. Zolang er maar iets met specifieke klachten gebeurt, dat is het belangrijkste.

(…)

Zelden neemt de school het initiatief, tenzij de school iets van jou wilt. Verder probeert de heer [naam 1] klagers te ontmoedigen door niet met ze in gesprek te gaan. (…)

Verder schepen ze klagers af met kul-argumenten. De heer [naam 1] heeft meerdere keren gelogen tegen ons, om onder onze klacht uit te komen. [naam 2] stond erbij en deed er niets tegen. Zij steunde hem in zijn doorzichtige verdraaiingen.

(…)

Dat gedrag keuren wij dus af en noemen wij niet-integer.

(…)

Dat hij ( [naam 1] ) meerdere malen een volstrekt ongeloofwaardige ontkenning tot het laatste moment heeft uitgesteld is verder een sterke aanwijzing dat zijn werkgever hem vertelt hoe hij zich tegenover ons moet opstellen.

(…)

De klacht was tegen directeur [naam 1] van de [school] en [naam 2] van Askoscholen. Zij bagatelliseren en traineren samen klachten en proberen klagende ouders te intimideren.

(…)

Dat de heer [naam 1] niet de waarheid vertelt over zijn capaciteiten staat als een paal boven water.

2.6.

[gedaagde] heeft in de aanloop naar verkiezingen voor de medezeggenschapsraad van de school een flyer uitgedeeld op het schoolplein. In de flyer staat, voor zover van belang, het volgende:

Ik ben [gedaagde] : kandidaat-lid van de Medezeggenschapsraad en vader van [dochter] (groep 4) en [zoon] (groep 2). (…)

Deze school gaat niet altijd integer om met ouders en kritiek. De sociale veiligheid op de school laat nog steeds te wensen over: zo zijn er vorig jaar minimaal 2 leerlingen van school gegaan na op school jarenlange (gewelddadige) pesterijen te hebben ondergaan. Dit ondanks de commotie daarover in 2011. Alle reden dus om “van binnenuit” de school te verbeteren.

De school wil niet dat jullie dit lezen: [website]

Heb je vragen/opmerkingen dan kun je mij bereiken op (…)

Het helpt mij de school te verbeteren als mij een email stuurt zodra je op mij gestemd hebt.

2.7.

Bij e-mails van 15 november 2016 heeft een zekere [naam 3] , met wie [gedaagde] in contact is getreden, bij de raad van toezicht van de ASKO, de staatssecretaris van OCW, de leden van de gemeenteraad Amsterdam en de Onderwijsinspectie aandacht gevraagd voor de website van [gedaagde] .

2.8.

Bij brief van 17 november 2016 heeft de ASKO [gedaagde] gesommeerd zijn website aan te passen en te stoppen met het verspreiden van e-mails en brieven. De ASKO heeft [gedaagde] in de brief meegedeeld dat zij hem aansprakelijk stelt voor de schade die zij lijdt en mogelijk in de toekomst nog zal lijden als gevolg van zijn uitlatingen over de school.

2.9.

[gedaagde] en zijn echtgenote hebben heimelijk geluidsopnames gemaakt op school, in ieder geval van een gesprek dat zij op 12 februari 2016 hebben gevoerd met de directeur en de vertrouwenspersoon van de ASKO. Die geluidsopname hebben zij via internet aan derden aangeboden.

3 Het geschil

3.1.

De ASKO vordert – samengevat –:

primair

  1. [gedaagde] op straffe van een dwangsom te verbieden de ASKO, de school, het bestuur en het personeel bij en/of ten overstaan van derden (onder wie ouders en leerlingen) in verband te brengen met wantoestanden zoals onveiligheid voor leerlingen (pestproblematiek), een cultuur van intimidatie en ontmoedigen van kritiek en een leugenachtig en niet niet-integer bestuur;

  2. [gedaagde] op straffe van een dwangsom te gebieden alle teksten over de school van zijn website [website] te verwijderen en te verbieden op andere websites dezelfde of vergelijkbare informatie te zetten;

  3. [gedaagde] (en zijn echtgenote) op straffe van een dwangsom te verbieden geluidsopnames te maken, te flyeren of enige andere activiteit binnen het gebouw of op het schoolplein te ontplooien die de rust en veiligheid van de kinderen, personeel en andere ouders kan verstoren;

subsidiair

4. andere geboden, verboden, of algemene voorzieningen te treffen, waarmee aan de rechtmatige belangen van de ASKO tegemoet wordt gekomen.

Tot slot vordert de ASKO [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

De ASKO legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Het handelen van [gedaagde] is ten opzichte van de ASKO onrechtmatig. [gedaagde] verspreidt informatie waarvan hij weet – of zou moeten weten – dat die onjuist is. [gedaagde] is er met zijn website op uit om schade te berokkenen. Dat blijkt ook uit zijn flyer aan de andere ouders. Hij probeert met zijn teksten de school en dan met name de directie en het bestuur in verband te brengen met ernstige misstanden. Wanneer een buitenstaander, zonder eigen kennis over de school, de teksten van [gedaagde] leest krijgt hij het idee dat er sprake is van:

  • -

    sociale onveiligheid voor kinderen;

  • -

    ernstige pestproblemen;

  • -

    een cultuur waarin klagers geïntimideerd en monddood worden verklaard;

  • -

    een schooldirecteur die een chronische leugenaar is;

  • -

    niet-integer bestuur.

De ASKO maakt met name bezwaar tegen de teksten die zijn vermeld in 2.5 van dit vonnis.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Hierop wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De ASKO heeft de voorzieningenrechter gevraagd voorzieningen te treffen die neerkomen op een aantal aan [gedaagde] op te leggen verboden en geboden. Daarvoor bestaat aanleiding, als voldoende aannemelijk is dat de gedragingen van [gedaagde] in een bodemprocedure jegens de ASKO onrechtmatig worden bevonden, de ASKO bovendien voldoende belang heeft bij de gevraagde voorzieningen en die voorzieningen, gelet op de wederzijdse belangen, niet onnodig diep ingrijpen.

Bij de beoordeling van de vorderingen is uitgangspunt dat toewijzing hiervan een beperking inhoudt van het in artikel 10, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt, als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (zie artikel 10, tweede lid EVRM). Van een beperking die bij wet is voorzien is sprake, als de uitlatingen die [gedaagde] heeft gedaan onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek. Voor het antwoord op de vraag of de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn, moeten alle wederzijdse – in beginsel gelijkwaardige – belangen tegen elkaar worden afgewogen. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. In deze context overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.2.

[gedaagde] heeft op zijn eigen website [website] teksten gepubliceerd over de school en de ASKO, waarin hij een overwegend negatief beeld van zowel de school als de ASKO schetst. Hij schrijft met name over pestproblemen en tv-kijken onder schooltijd, vermeldt kritiek die de Onderwijsinspectie op de school heeft geuit en beschuldigt (de directeur van) de school en (de voorzitter van het bestuur van) de ASKO van het bagatelliseren en traineren van klachten van ouders alsmede van intimiderend en niet-integer gedrag. Hij vermeldt op zijn website ook dat hij over al deze zaken een klacht heeft ingediend bij de Klachtencommissie en dat die klacht ongegrond is verklaard. [gedaagde] is het daarmee niet eens en uit op zijn website kritiek op de uitspraak. [gedaagde] schetst aldus op zijn website, ook in zijn eigen visie, niet een representatief beeld van de school en van de ASKO. Ter zitting is immers gebleken dat hij zijn kinderen graag op de school wil houden, dat hij overwegend tevreden is over de school en dat de school vooral voor zijn oudste dochter veel heeft gedaan. Het is dan ook opmerkelijk dat hij de behoefte voelt om op internet een overwegend negatief beeld neer te zetten. Het lijdt geen twijfel dat dit voor de ASKO en voor (de personeelsleden van) de school belastend is. [gedaagde] stelt dat zijn website bedoeld is om zijn klachten breder onder de aandacht te brengen, opdat de school en de ASKO leren van zijn klachten en daarmee iets doen. Volgens hem is dat tot op heden onvoldoende gebeurd. Ook meent dat hij de Klachtencommissie klachten anders zou moeten toetsen en wil hij in elk geval andere ouders een beter beeld geven van de mogelijkheden en onmogelijkheden van een procedure bij de klachtencommissies in het onderwijs, zo heeft hij het belang van de inhoud van zijn website toegelicht.

4.3.

Aan de ASKO moet worden toegegeven dat [gedaagde] op zijn website regelmatig spijkers op laag water zoekt en dat niet aannemelijk is geworden dat op de school of bij de ASKO van wantoestanden sprake is. De Klachtencommissie heeft in haar beslissing van 1 juli 2016 al overwogen “dat de discussie zich gaandeweg heeft verhard” en dat [gedaagde] en zijn echtgenote daarin “ook een belangrijke niet te veronachtzamen rol [hebben] gespeeld door het stellen van eisen, aankondigen van klachten (ook van andere ouders) en gebruik van kwalificaties als zware misstanden, zonder dat [zij] de visie van school hebben gehoord”. De voorzieningenrechter ziet in de openbaarmaking van alles wat in [gedaagde] ogen niet deugt – dan wel in het verleden niet deugde – op de school een weinig gelukkige, nieuwe stap in het proces van verharding. In dit kort geding is echter niet aan de orde de vraag of [gedaagde] met zijn uitingen op internet verstandig handelt maar slechts of hij hiermee jegens de ASKO onrechtmatig handelt.

4.4.

Deze vraag moet in het licht van alle omstandigheden van het geval ontkennend worden beantwoord. Ouders hebben er een legitiem belang bij de school van hun kinderen kritisch te volgen en kritiek ook openbaar te maken. Dit belang vervalt niet nadat die kritiek is voorgelegd aan een onafhankelijke klachtencommissie en ongegrond is bevonden, al zal die omstandigheid wel invloed hebben op de vraag of de kritiek binnen de grens van het toelaatbare blijft. Aan het oordeel dat [gedaagde] binnen die grens is gebleven, draagt bij dat [gedaagde] op zijn website meer dan eens vermeldt dat hij over de zaken die hij op zijn website aan de kaak stelt – waaronder het “niet-integere” en “intimiderende” gedrag – heeft geklaagd bij de Klachtencommissie én dat die klacht ongegrond is verklaard. Het staat [gedaagde] vrij zijn kritiek op die uitspraak openbaar te maken. Voorts is van belang dat [gedaagde] op zijn website geen feiten vermeldt die aantoonbaar onjuist zijn. Wel gebruikt hij kwalificaties als “intimiderend”, “niet-integer” en “doorzichtige verdraaiingen” die voor de ASKO en het personeel van de onder haar verantwoordelijkheid vallende school grievend zijn en ook tot een aantasting kunnen leiden van het vertrouwen van ouders en derden in de ASKO en de school. Kwalificaties zijn echter tot op zekere hoogte subjectief, zodat daarvoor een zekere marge moet worden gelaten. Steeds vermeldt [gedaagde] bovendien nagenoeg in één adem met zijn negatieve kwalificatie dat zijn klacht op dat punt ongegrond is verklaard. Daar komt nog bij dat partijen op onderdelen van mening verschillen over de feiten die hebben plaatsgehad zonder dat de voorzieningenrechter kan vaststellen wie het gelijk aan zijn zijde heeft. Of sprake is geweest van “verdraaiingen” aan de zijde van de directeur van de school bijvoorbeeld, kan de voorzieningenrechter niet vaststellen. Van belang is voorts dat [gedaagde] zijn weinig vleiende kwalificaties op zijn website toelicht en de lezer daarmee in staat stelt eigen conclusies te trekken, die waarschijnlijk niet altijd zullen samenvallen met die van [gedaagde] . Zo licht [gedaagde] op enkele plaatsen toe wat hij onder niet-integer gedrag verstaat. Hij stelt bijvoorbeeld dat het feit dat de directeur van de school zichzelf “meester” noemt op twitter en op de website van de school duidt op niet-integer gedrag omdat hij niet de Pabo heeft gedaan. Op deze kwestie komt hij vervolgens nog meer dan eens terug. De gemiddelde lezer zal aan het feit dat de directeur van de school zich meester noemt, minder zwaar tillen dan [gedaagde] en zal de kwalificatie “niet-integer” dus kunnen relativeren. Hij schrijft verder: “De meeste ouders zullen het verdedigen van TV-kijken als onderdeel van ‘spelenderwijs leren’ niet integer vinden.” Deze context relativeert de op zichzelf ernstige beschuldiging van niet-integer gedrag. Hetzelfde geldt voor de beschuldiging van intimiderend gedrag. Duidelijk wordt dat [gedaagde] hier (onder meer) het oog heeft op een brief van de voorzitter van het bestuur van de ASKO, waarin volgens [gedaagde] is geïnsinueerd dat zijn klagen niet in het belang van zijn kinderen was.

4.5.

Wat betreft de door [gedaagde] op zijn website aan de orde gestelde sociale veiligheid van de kinderen op de school blijft [gedaagde] ook binnen de grenzen van het toelaatbare. Hij noemt in dat verband twee feitencomplexen waarvan niet is gesteld of gebleken dat zij onjuist zijn weergegeven: de problemen die in 2011 hebben gespeeld op dit punt en dat er aan het einde van schooljaar 2015/2016 twee kinderen van school zijn gegaan in verband met pestproblematiek. [gedaagde] beweert op zijn site met name niet dat er thans ernstige pestproblemen zijn op de school of een andere ASKO-school. Het maatschappelijk belang van het probleem van pesten op school rechtvaardigt het kritisch volgen van scholen op dit punt.

4.6.

Tot slot is ook niet gesteld of gebleken dat de kritiek die de Onderwijsinspectie in 2014 op de school heeft gegeven onjuist op de website van [gedaagde] is weergegeven. Wel is het oordeel van de Onderwijsinspectie selectief weergegeven, maar het is voor de ASKO of de school niet moeilijk om hier tegenwicht aan te bieden door op de eigen website het volledige oordeel weer te geven, al dan niet in combinatie met vermelding van de sindsdien in gang gezette verbeteringen.

4.7.

Ook overigens worden de schadelijke gevolgen van de bestreden uitingen van [gedaagde] op internet voor de ASKO vooralsnog beperkt geacht. Aannemelijk is wel dat de medewerkers van de ASKO en de school het als onaangenaam ervaren dat alles wat zij doen of zeggen op de website van [gedaagde] kan belanden; vooralsnog is niet aannemelijk geworden dat dit het werkklimaat of de rust op school noemenswaardig verstoort. Voorts is vooralsnog ook niet aannemelijk geworden dat de ASKO dan wel de school bij het aantrekken van nieuwe kinderen of nieuw personeel noemenswaardig last heeft van de bestreden uitingen. De door de ASKO aangevoerde privébelangen van de directeur van de school en van de voorzitter van het bestuur de ASKO kunnen er ook niet toe leiden dat [gedaagde] op dit moment in zijn vrijheid van meningsuiting moet worden beperkt; reeds daarom niet, omdat in dit kort geding niet aan de orde is of de uitingen van [gedaagde] jegens hen onrechtmatig zijn, maar slechts of die jegens de ASKO onrechtmatig zijn.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering onder 2 moet worden afgewezen. [gedaagde] vordert onder 1 een verbod om (het bestuur van) de ASKO of (het personeel van) de school ten overstaan van derden in verband brengen met wantoestanden. Buiten de website om is echter slechts gebleken van één incident waarmee [gedaagde] derden heeft benaderd met zijn kritiek op de school, te weten de onder 2.6 vermelde flyer, die hij op het schoolplein heeft verspreid toen hij zich kandidaat had gesteld voor de medezeggenschapsraad van de school. Naar [gedaagde] heeft gesteld en de ASKO niet heeft weersproken, is [gedaagde] tot verspreiding van deze flyer overgegaan nadat de (medezeggenschapsraad van de) school de door [gedaagde] opgestelde concepttekst waarmee hij zich aan de ouders van de school als kandidaat-lid voor de medezeggenschapsraad wilde voorstellen, had geweigerd. Gelet op deze context en de inhoud van de mededelingen die hij in de flyer doet, heeft [gedaagde] met het verspreiden van die flyer de grenzen van het toelaatbare ook niet overschreden. De ASKO heeft voorts nog een mail van [gedaagde] aan de voorzitter van de raad van toezicht van de ASKO overgelegd, maar die voorzitter kan niet als een derde worden beschouwd. Nu niet is gebleken van ontoelaatbare uitingen van [gedaagde] ten overstaan van derden, en van een dreiging daarvan ook onvoldoende is gebleken, moet ook de vordering onder 1 worden afgewezen.

4.9.

Voor zover onder 3 een verbod wordt gevorderd om binnen het gebouw of op het schoolplein van de school te flyeren, is dit evenmin toewijsbaar. [gedaagde] heeft slechts eenmaal geflyerd en dat was niet onrechtmatig jegens de ASKO. Het onder 3 gevorderde verbod om geluidsopnames te maken binnen het gebouw of op het schoolplein van de school, moet ook worden afgewezen. Dat [gedaagde] op grote schaal of met enige regelmaat geluidsopnames maakt op school, is niet gesteld en vooralsnog ook niet gebleken. [gedaagde] heeft weliswaar erkend dat hij op 12 februari 2016 een gesprek met de directeur van de school en de vertrouwenspersoon van de ASKO heeft opgenomen en via internet aan derden heeft aangeboden, maar de ASKO heeft nagelaten feiten en omstandigheden te stellen die meebrengen dat het maken van die opname jegens haar onrechtmatig moet worden geacht. Met name is niet gesteld dat binnen de school of op het schoolplein (voor eenieder, althans voor ouders) een specifiek verbod geldt om geluidsopnames te maken. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat het maken van geluidsopnames – mede gelet op artikel 8 EVRM – in dit geval niettemin onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens de ASKO oplevert. Nu ook niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] de rust en veiligheid voor kinderen, personeel en andere ouders heeft verstoord op een wijze die onrechtmatig is jegens de ASKO of dat dreigt te doen, moet de vordering onder 3 worden afgewezen.

4.10.

Voor het treffen van andere voorzieningen, zoals subsidiair gevorderd, wordt ook geen aanleiding gezien.

4.11.

De ASKO zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 288,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.104,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt de ASKO in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.104,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Schoonbrood - Wessels, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.H. Felix, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.1

1 type: GHF coll: MV