Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2939

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-05-2017
Datum publicatie
12-05-2017
Zaaknummer
C/13/610202 / FA RK 16-4145
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verdeling, huw. goederengemeenschap, letselschade, deel verknocht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0463
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/610202 / FA RK 16-4145 en C/13/623591/ FA RK 17/869 (HH/RW)

Beschikking van 10 mei 2017 betreffende de echtscheiding en nevenvoorzieningen

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.I. Dierkx te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. D. van der Wal te Amsterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder:

- een verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen ter griffie op 13 juni 2016;

- een aangepast verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen ter griffie op 8 juli 2016;

- een verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen ter griffie op 21 september 2016;

- een verweerschrift van de vrouw tegen het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2016;

- een brief met bijlage van de vrouw, ingekomen ter griffie op 2 november 2016;

- een brief met bijlage van de man, ingekomen ter griffie op 11 november 2016;

- een aanvullend verzoekschrift van de vrouw, ingekomen ter griffie op 3 februari 2017;

- een F9 formulier met bijlagen van de man, ingekomen ter griffie op 29 maart 2017;

- een brief met bijlagen van de vrouw, ingekomen ter griffie op 30 maart 2017;

- een F9 formulier met bijlage van de vrouw, ingekomen ter griffie op 3 april 2017;

- een F9 formulier met bijlage van de vrouw, ingekomen ter griffie op 5 april 2017;

- een faxbericht met bijlage van de vrouw, ingekomen ter griffie op 5 april 2017.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 6 april 2017.

Gehoord zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de advocaat van de man;

- de heer [naam 1] namens de Raad;

- mevrouw [naam 2] namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA).

De man is zonder bericht niet verschenen.

1.3.

[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

1.4

Bij beschikking van 13 april 2017 is vooruitlopend op deze beschikking aan de vrouw vervangende toestemming verleend voor het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige] ex ante artikel 34 Paspoortwet jo artikel 1:253 a BW, alsmede voor een vakantie in het buitenland in de meivakantie.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] op [datum] 1988.

2.2.

Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.3.

Partijen hebben tezamen het navolgende minderjarige kind:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006.

3 Het geschil

3.1.

De verzoeken van de vrouw

3.1.1.

De vrouw verzoekt:

- de echtscheiding tussen partijen gehuwd op [datum] 1988 te [plaats] uit te spreken;

- te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man zal zijn gerechtigd tot bewoning van de woning gelegen aan de [adres] , zulks inclusief het bijbehorende perceel en opstallen zonder daarvoor een vergoeding aan de man verschuldigd te zijn, alsmede het gebruik van de tot de woning behorende inboedel, met bevel aan de man dat hij de woning dient te verlaten en niet meer mag betreden, zulks onder afgifte van alle huissleutels en zo nodig met behulp van de sterke arm, zulks met ingang van de datum waarop de beschikking wordt gewezen, althans vanaf de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, althans op een datum welke de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren;

- te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw zal worden toegekend met uitschrijving bij de Gemeente, zulks binnen één week na de door de rechtbank te wijze beschikking, althans op een datum welke de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren datum;

- te bepalen dat (in elk geval) [minderjarige] als minderjarige haar hoofdverblijf bij de vrouw in de woning zal mogen hebben;

- de man omgang met [minderjarige] zal worden ontzegd voor bepaalde tijd tot het moment dat de Raad hierover heeft geadviseerd;

- de gemeenschap van partijen wordt vastgesteld, gewaardeerd en verdeeld op de wijze zoals door de vrouw in haar verzoekschrift is omschreven, zulks met inachtneming van de peildatum 1 mei 2016, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

- te bepalen dat het eenhoofdig gezag ex artikel 1:251a BW aan de vrouw zal worden toegekend, zulks onder beëindiging van het gezamenlijk gezag van partijen.

3.2.

Het verweer tevens zelfstandige verzoeken van de man

3.2.1.

De man verweert zich niet tegen het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te bepalen bij de vrouw.

3.2.2.

Hij verweert zich tegen het verzoek van de vrouw om de omgang tussen hem en [minderjarige] te ontzeggen en verzoekt de rechtbank dit verzoek af te wijzen.

3.2.3.

De man verzoekt, bij wijze van zelfstandige verzoeken:

- de echtscheiding uit te spreken tussen partijen gehuwd op [datum] 1988 te [plaats] ;

- een zorgregeling te bepalen, waarbij [minderjarige] in de oneven weken van vrijdag tot en met zondag bij hem is en in de even weken iedere vrijdag;

- te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning wordt toegekend aan de man;

- te bepalen dat de letselschade uitkering van de man buiten de gemeenschap van goederen valt;

- partijen te bevelen over te gaan tot de verdeling van de gemeenschap van goederen.

3.2.4.

Ter zitting heeft de man zijn verzoek om te bepalen dat de vrouw de nodige stukken in het geding brengt waaruit de bancaire geschiedenis van partijen blijkt, ingetrokken.

3.3.

Het verweer van de vrouw op het zelfstandig verzoek van de man

3.3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank om de zelfstandige verzoeken de man af te wijzen.

4 De beoordeling

4.1.

Ouderschapsplan

4.1.1.

Op grond van artikel 815 lid 2 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van het minderjarige kind van partijen. In dit geval ontbreekt een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan. De vrouw heeft voldoende onderbouwd waarom partijen geen ouderschapsplan hebben overgelegd. De rechtbank zal derhalve onder toepassing van artikel 815 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het verzoek tot echtscheiding inhoudelijk behandelen.

4.2.

Echtscheiding

4.2.1.

Partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

4.2.2.

Tussen partijen staat vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding is dan ook toewijsbaar.

4.3.

De hoofverblijfplaats, het gezag en de zorgregeling

4.3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank om haar alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten. De gedragingen van de man jegens de vrouw zijn volgens de vrouw dusdanig grievend, intimiderend en agressief dat niet alleen de vrouw, maar inmiddels ook [minderjarige] angst voor de man heeft. Zij gaat hiervoor naar een psycholoog. Door de agressieve opstelling van de man is communicatie tussen partijen in zijn geheel niet meer mogelijk. Ook stuit de vrouw op praktische bezwaren. De vrouw wil graag een nieuw paspoort voor [minderjarige] aanvragen, maar de man weigert hiervoor zijn toestemming te geven. Dientengevolge frustreert de man de beslissingen die in het kader van de gewichtige aangelegenheden moeten worden genomen voor nu en in de nabije toekomst.

4.3.2.

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de omgang tussen de man en [minderjarige] ontzegt moet worden. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat in samenspraak en op advies van de Raad een omgangsregeling moet worden vastgesteld tussen [minderjarige] en de man.

4.3.3.

De man verzet zich tegen ontzegging van de omgang met [minderjarige] . Hij stelt dat hij een goede band heeft met al zijn kinderen en hij wenst deze band ook goed te houden. Hiervoor is regelmatig contact nodig. Door de omgang te ontzeggen raakt [minderjarige] enkel verwijderd van de man, terwijl de oudste twee kinderen van partijen wel vrij contact met hem kunnen zoeken.

4.3.4.

JBRA heeft ter zitting verklaard dat [minderjarige] heel stellig is dat zij geen contact met de man wil hebben. Er moet volgens JBRA eerst rust komen alvorens het contact tussen de man en [minderjarige] hersteld kan worden.

4.3.5.

De Raad heeft ter zitting verklaard dat partijen geen uitvoering kunnen geven aan het gezamenlijk gezag, omdat er een straat/contactverbod ligt. De Raad vindt het te ver gaan om de omgang tussen de man en [minderjarige] te ontzeggen, maar acht het op dit moment ook niet in het belang van de minderjarige om een omgangsregeling te bepalen. Op termijn kan de omgang tussen de man en de minderjarige opgepakt worden onder begeleiding van een vertrouwd persoon.

4.3.6.

Artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de rechtbank het gezamenlijk gezag kan beëindigen in het geval er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt.

4.4.6.

De rechtbank acht de standpunten van de vrouw, de Raad en JBRA voldoende onderbouwd en neemt het advies van de Raad met betrekking tot de uitoefening van het gezag en de omgangsregeling over. De man geeft geen invulling aan het gezag. Op vragen van de vrouw reageert hij niet, anders dan met kwetsende teksten. Hij heeft daardoor zelf een situatie doen ontstaan die geleid heeft tot een straat/contactverbod, waardoor communicatie met de vrouw ook praktisch niet mogelijk en voor de vrouw wenselijk is. Daarnaast heeft de vrouw onbetwist gesteld dat zij problemen heeft ondervonden bij het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige] en heeft de man onvoldoende gesteld dat het in het belang van [minderjarige] is dat het gezamenlijk gezag gehandhaafd blijft. De rechtbank zal daarom bepalen dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de vrouw toekomt. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om de hoofverblijfplaats van [minderjarige] te bepalen bij haar afwijzen, bij gebrek aan belang. De vrouw kan immers zelf bepalen waar [minderjarige] met haar woont. Voorts acht de rechtbank het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om een omgangsregeling tussen haar en de man te bepalen. [minderjarige] is duidelijk dat zij haar vader niet wil zien en dat zij zich niet veilig bij hem voelt. Het verzoek van de man wordt op dit punt dan ook afgewezen.

4.4.

Huurrecht echtelijke woning

4.4.1.

Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat zij meer belang heeft bij het huurrecht van de echtelijke woning dan de man. Zij voert hiertoe aan dat zij de lasten van de echtelijke woning altijd heeft betaald. Daarnaast heeft [minderjarige] haar sociale netwerk in de buurt van de echtelijke woning. Volgens de vrouw is het in het belang van [minderjarige] om in de voor haar vertrouwde omgeving te blijven wonen.

4.4.2.

De man verweert zich tegen de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de echtelijke woning en stelt dat hij meer belang heeft bij het huurrecht van de echtelijke woning dan de vrouw. Hij voert hiertoe aan dat hij momenteel zwervende is en dat hij geen alternatieve woonruimte heeft. De vrouw komt waarschijnlijk in aanmerking voor een urgentieverklaring, nu [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw. De man heeft altijd de financiële verplichtingen van de woning op zich genomen. De vrouw heeft hierin volgens hem nooit bijgedragen. Daarnaast stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw de thuissituatie bewust heeft aangedikt en de man in een kwaad daglicht stelt om zo het recht op de echtelijke woning te verkrijgen.

4.4.3.

De rechtbank overweegt dat beide partijen aanspraak maken op de echtelijke woning.

De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw toekomt. Het belang van de vrouw prevaleert naar het oordeel van de rechtbank boven dat van de man, nu [minderjarige] bij de vrouw woont. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat het op dit moment in het belang van [minderjarige] is om in de voor haar vertrouwde omgeving te blijven wonen. Dat de vrouw de situatie thuis zou hebben aangedikt zoals de man stelt is op geen enkele wijze gebleken. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw om te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning aan haar toekomt toewijzen, onder afwijzing van het verzoek van de man. De overige verzoeken van de vrouw met betrekking tot de echtelijke woning worden afgewezen, bij gebrek aan belang.

4.5.

Verdeling

4.5.1.

Peildata

4.5.1.1. De vrouw heeft ter zitting ermee ingestemd dat 13 juni 2017 geldt als peildatum voor de omvang en de samenstelling van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap. Dit is de wettelijke datum en de rechtbank zal dan ook daarvan uitgaan.

4.5.1.2. Als peildatum voor de waardering van de vermogensbestanddelen geldt de datum waarop de feitelijke verdeling plaatsvindt, met uitzondering van het saldo op de bankrekeningen en de schulden. Voor deze vermogensbestanddelen is de peildatum voor de waardering de datum waarop het verzoekschrift bij de griffie van de rechtbank is ingekomen, zijnde 13 juni 2016.

4.5.2.

Vermogensbestanddelen

4.5.2.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdeling van de volgende vermogensbestanddelen tussen partijen al dan niet in geschil is.

Activa

Roerende goederen

a. auto merk Kia met kenteken [kenteken] ;

b. scooter merk Piaggio C38 met kenteken [kenteken] ;

Bankrekeningen

c. bankrekening op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer] ;

d. bankrekening op naam van de vrouw met rekeningnummer [rekeningnummer] ;

e. bankrekening op naam van partijen met rekeningnummer [rekeningnummer] ;

f. bankrekening [minderjarige] met rekeningnummer [rekeningnummer] ;

Letselschade uitkering

g. bankrekening op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer] ;

Inboedel

h. koelkast

i. gasfornuis;

j. wasmachine

k. wasdroger;

l. magnetron

m. bed

n. kasten.

Ad a auto

4.5.2.2. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de auto merk Kia met kenteken [kenteken] aan de vrouw wordt toegedeeld, met de verplichting dat zij de helft van de getaxeerde waarde (€ 1.500,-), aldus € 750,- aan de man zal vergoeden.

Ad b scooter en h tot en met n inboedel

4.5.2.3. Partijen twisten over de waarde van de scooter en de inboedel. Volgens de vrouw is de scooter in 2010 gekocht voor € 3.200,- en zou deze nu zeker € 1.500,- waard zijn. De man rijdt op de scooter. De inboedel is oud volgens de vrouw en heeft nauwelijks waarde. De man zou gereedschap hebben meegenomen. De advocaat van de man laat de beslissing aan de rechtbank over nu hij niet met zijn cliënt heeft kunnen overleggen. De rechtbank acht het ten aanzien van de scooter en de inboedel redelijk om te bepalen dat ieder van partijen houdt wat hij/zij onder zich heeft, zonder nadere verrekening.

Ad c tot en met g bankrekeningen

4.5.2.4. De man verzoekt te bepalen dat de bankrekeningen bij helfte dienen te worden verdeeld met uitzondering van de rekening waarop de man zijn letselschade uitkering heeft gekregen. De man stelt zich voorts op het standpunt dat de vrouw het door haar in mei 2016 opgenomen bedrag van € 18.000,- retour dient te storten. Daarnaast heeft de vrouw € 120.000,- aan spaargeld in huis en dient zij hierover openheid van zaken te geven. Volgens de man is er iedere maand € 1.000,- van de gemeenschappelijke rekening gehaald en in een kluis in de echtelijke woning gedaan.

4.5.2.5. Ten aanzien van de spaarrekening voor [minderjarige] stelt de man dat hij een tweede spaarrekening voor haar wil openen. Hierop dient de helft van het huidige saldo van de spaarrekening voor [minderjarige] te worden gestort. Partijen kunnen dan ieder een spaarrekening beheren voor [minderjarige] en voor haar verder sparen. Partijen hebben over en weer geen vertrouwen in elkaar en dit lijkt de man de beste oplossing.

4.5.2.6. De vrouw verzoekt te bepalen dat de bankrekeningen die op beider naam staan worden opgeheven na verdeling van het saldo bij helfte. Het saldo van de privé rekeningen en en/of rekening mag onderling bij helfte worden verdeeld. De vrouw stelt dat de door de man bedoelde € 18.000,- het spaargeld van de kinderen betreft. Het klopt dat zij € 17.937,22 van de Vermogensspaarrekening heeft afgeschreven. Dit bedrag is volgens de vrouw volledig aangewend voor de kinderen [naam 3] en [naam 4] , zoals blijkt uit de door hen overlegde verklaringen. [naam 3] had een bedrag van € 10.000,- op de vermogensspaarrekening van de vrouw gespaard, welk bedrag in mei 2016 op haar eigen rekening is gestort. [naam 4] had een bedrag van € 7.937,22 gespaard op de vermogensspaarrekening van de vrouw. Met instemming van [naam 4] en ten behoeve van hem heeft de vrouw het geld opgenomen. De vrouw betwist dat zij € 120.000,- aan spaargeld in huis heeft.

4.5.2.7. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat de man zijn stelling dat de vrouw € 120.000,- aan spaargeld in huis heeft onvoldoende heeft onderbouwd en wijst het verzoek van de man op dit punt af. Voorts wijst de rechtbank het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw het door haar in mei 2016 opgenomen bedrag van € 18.000,- retour dient te storten af, nu deze opname voor de peildatum ligt en de vrouw heeft onderbouwd wat er met het geld is gebeurd. De rekening op naam van [minderjarige] valt buiten de verdeling, nu deze rekening op [minderjarige] naam staat.

4.5.2.8. De rechtbank zal de saldi op de peildatum van de rekening ten name van de vrouw aan haar toedelen en die op de rekening ten name van de man aan hem. Beide onder de verplichting om de helft daarvan aan de andere partij te vergoeden. Ten aanzien van de gezamenlijke rekening van partijen zal de rechtbank iedere partij de helft van het toedelen, waarna deze bankrekening kan worden opgeheven. De rechtbank kan slechts positieve saldi verdelen. De beslissing om een rekening op te heffen is aan partijen zelf.

Ad g. letselschade

4.5.2.9. De man stelt dat hij een letselschade uitkering heeft ontvangen van €102.268,90. Er is driemaal een voorschot uitgekeerd en totaal bedroeg dit € 32.268,90. Deze voorschotten zijn als voorschot op het smartengeld, zelfwerkzaamheid alsmede wettelijke rente. Daarna is er een slotbetaling geweest van € 70.000,-. Hiervan is € 35.000,- gewaardeerd als smartengeld, € 9.600,- aan verlies arbeidsvermogen en € 25.400,- aan onder andere zelfredzaamheid. De man stelt zich op het standpunt dat de uitkering letselschade aan hem verknocht is en buiten de gemeenschap valt. Een groot deel bestaat uit smartengeld voor het fysieke en psychische leed. Er is sprake van een blijvende invaliditeit van 30%. Dit bedrag heeft een hoogstpersoonlijk karakter en is verknocht aan de man. Bedragen voor zelfredzaamheid hebben ook een persoonlijk karakter. Deze bedragen zijn uitgekeerd ten behoeve van de afschaf van hulp en steunmiddelen (bijvoorbeeld orthopedische schoenen) en inkomen van eventuele zorg toen, nu en in de toekomst. De man maakt zich zorgen over de toekomst, omdat hij binnenkort zijn baan verliest en hij met de 30% blijvende invaliditeit en zijn arbeidsverleden niet snel een nieuwe baan zal vinden.

4.5.2.10. De vrouw stelt zich (conform de vigerende jurisprudentie hieromtrent) op het standpunt dat geen sprake is van verknochtheid en dat deze uitkering daarmee in de gemeenschap van partijen is gevallen en het actuele bedrag aan waarde bij helfte moet worden verdeeld. De gehele uitkering strekt niet ter derving van de in de toekomst door de man te derven inkomsten ten gevolge van zijn verminderde verdiencapaciteit. Tot op heden heeft de man dit bedrag niet aangewend hiervoor en is gebleken dat de man niet volledig arbeidsongeschikt is. Indien en voor zover de rechtbank anders mocht oordelen, heeft in ieder geval te gelden dat de inkomenssuppletie die betrekking heeft op de periode tot de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap in de gemeenschap van goederen valt. Ongeacht het vorenstaande staat vast dat een voorschot van € 32.268,90 niet strekt ter derving van de in de toekomst door de man te derven inkomsten ten gevolge van zijn verminderde verdiencapaciteit. Deze voorschotuitkering is derhalve niet verknocht aan de man, valt binnen de gemeenschap en dient in de verdeling voor de helft ad € 16.134,45 aan de vrouw worden toebedeeld, aldus nog steeds de vrouw.

4.5.2.11. De rechtbank overweegt als volgt. Indien een der echtgenoten vergoeding ontvangt van schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, er niet reeds sprake is van verknochtheid in de zin van art. 1:94 lid 3 BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zal de echtgenoot die zich op art. 1:94 lid 3 BW beroept, ten minste (tevens) moeten stellen op welke schade(n) van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre, die vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen. Zie Hoge Raad 7 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0957). De man heeft gesteld dat van de slotbetaling van € 70.000,- een bedrag van € 35.000,- als smartengeld is aan te merken, € 9.600,- aan verlies arbeidsvermogen en € 25.400,- aan onder andere zelfredzaamheid. Van het voorschotbedrag heeft hij een dergelijke opsplitsing niet gegeven. Een immateriële schadevergoeding is naar haar aard bestemd om te dienen als compensatie voor leed – zoals pijn, verdriet en verminderde levensvreugde – dat de man heeft ondergaan en, gelet op de aard van het letsel, in de toekomst zal ondergaan, en dus uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van de man verbonden nadelige gevolgen. Dit betekent dat de man - tegenover de blote betwisting door de vrouw dat alleen sprake is van materiële schadevergoeding - voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van smartengeld voor een bedrag van € 35.000,- en dat dit bedrag verknocht is. Voor de inkomensschade en de schade aan zelfredzaamheid, alsmede van het uitgekeerde voorschotbedrag, heeft de man onvoldoende onderbouwd dat dit ziet op schade die in de toekomst, na de ontbinding van de gemeenschap, als gevolg van het letsel zal worden geleden. De vrouw heeft ter zitting onbetwist gesteld dat de man thans weer werkzaam is als straatveger en dat hij geen orthopedisch schoeisel draagt. Nu geen der partijen een rekeningafschrift heeft overgelegd van deze rekening kan de rechtbank het bedrag dat de man aan de vrouw dient te vergoeden niet exact berekenen. De rechtbank zal daarom het saldo op de bankrekening op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer] toedelen aan de man onder de verplichting om de helft van het saldo op de peildatum boven € 35.000,- aan de vrouw te vergoeden.

4.5.2.12. Mitsdien beslist de rechtbank als volgt.

5 De beslissing

De rechtbank:

in de zaak met zaaknummer C/13/610202/ FA RK 16/4145:

- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [datum] 1988;

- belast de vrouw met de uitoefening van het gezag over het minderjarige kind van partijen: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,

voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;

- verklaart voormelde nevenvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding huurster van de echtelijke woning te Amsterdam aan de [adres] zal zijn;

- wijst af het meer of anders verzochte.

In de zaak met zaak en rekestnummer C/13/623591/ FA RK 17/869-

- bepaalt dat van de door de man ontvangen letselschade uitkering een bedrag van € 35.000,- (vijfendertig duizend euro) verknocht is;

- stelt de verdeling van de tussen partijen bestaan hebbende algehele gemeenschap van goederen vast als volgt:

- deelt toe aan de vrouw:

- auto merk Kia met kenteken [kenteken] , met de verplichting dat zij de helft van de getaxeerde waarde aldus € 750,- (zevenhonderd vijftig euro) aan de man zal vergoeden;

- de inboedel die zij onder zich heeft;

- het saldo op de bankrekening op naam van de vrouw met rekeningnummer [rekeningnummer] , met de verplichting om de helft van het saldo per 13 juni 2016 aan de man te vergoeden;

- de helft van het saldo per 13 juni 2016 van de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] ;

- deelt toe aan de man :

- scooter merk Piaggio C38 met kenteken [kenteken] ;

- de inboedel die hij onder zich heeft;

- het saldo op de bankrekening op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer] , met de verplichting om de helft van het saldo per 13 juni 2016 aan de vrouw te vergoeden;

- het saldo op de bankrekening op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer] , met de verplichting om de helft van het saldo boven € 35.000,- (vijfendertig duizend euro) op die rekening per 13 juni 2016 aan de vrouw te vergoeden;

- de helft van het saldo per peildatum van de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] ; ;

- verklaart voormelde nevenvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. H.C. Hoogeveen, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R. Wiersma, griffier, op 10 mei 2017.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.