Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2912

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2017
Datum publicatie
12-05-2017
Zaaknummer
C/13/593362 / HA ZA 15-819
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Nieuw gevoerd verweer na tussenvonnis wordt in strijd met de eisen van de goede procesorde geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/151
ERF-Updates.nl 2017-0106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/593362 / HA ZA 15-819

Vonnis van 26 april 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. Y.B. Boendermaker te Almere,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.A.J. Jansen te Amsterdam-Duivendrecht.

Partijen zullen hierna [eisers gezamenlijk] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 september 2016 met de daarin vermelde processtukken,

  • -

    akte uitlating, tevens houdende wijziging van eis van 9 november 2016 van de zijde van [eisers gezamenlijk] , met producties,

  • -

    akte uitlating in conventie tevens uitlating, eiswijziging en vermeerdering van eis in reconventie van 7 december 2016 van de zijde van [gedaagde] , met producties,

  • -

    antwoordakte in reconventie tevens houdende antwoordakte uitlating producties tevens houdende akte wijziging van eis in conventie van 4 januari 2017 van de zijde van [eisers gezamenlijk] ,

  • -

    antwoordakte in conventie van 25 januari 2017 van de zijde van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het gewijzigde geschil

Na het tussenvonnis van 14 september 2016 (hierna: het tussenvonnis) hebben zowel [eisers gezamenlijk] als [gedaagde] hun vorderingen in conventie respectievelijk reconventie gewijzigd. Het geschil betreft dientengevolge het volgende.

in conventie

2.1.

[eisers gezamenlijk] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 20.848,94, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2008,

II. [gedaagde] veroordeelt een bouwtechnisch onderzoek te verrichten naar de staat van het onderhoud van de woning op straffe van een dwangsom,

III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.2.

[gedaagde] voert verweer.

2.3.

Op stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

in reconventie

2.4.

[gedaagde] vordert na wijziging en vermeerdering van eis – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [eisers gezamenlijk] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 9.062,89, te vermeerderen met de wettelijke rente,

II. [eisers gezamenlijk] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 3.001,60, te vermeerderen met de wettelijke rente,

III. [eisers gezamenlijk] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 7.695,60, te vermeerderen met de wettelijke rente,

IV. [eisers gezamenlijk] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.5.

[eisers gezamenlijk] voert verweer.

2.6.

Op stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

3 De verdere beoordeling

3.1.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat [gedaagde] tot en met augustus maandelijks de hypotheekrente heeft betaald (zie r.o. 2.3. van het tussenvonnis). Voorts is dat de gevorderde onroerendezaakbelasting (eigenarendeel), de rioolheffing en de hypotheekrente voor rekening komen van [eisers gezamenlijk] De door [gedaagde] gevorderde onderhoudskosten komen voor rekening van [gedaagde] (zie r.o. 4.5. van het tussenvonnis). Vervolgens is de zaak, zoals overeengekomen bij hun deelbeschikking, verwezen naar de rol teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de voortgang van het geschil, waaronder de mogelijkheid tot het aanpassen van de wederzijdse eis (in conventie en reconventie) aan de alsdan ontstane situatie (zie r.o. 4.7. van het tussenvonnis). Dit heeft geleid tot de hiervoor onder 2. vermelde eiswijzigingen in conventie en in reconventie.

in conventie

Gebruiksvergoeding

3.2.

[eisers gezamenlijk] stelt dat zonder een rechtsgeldige vestiging van een beperkt recht, het eigendomsrecht als uitgangspunt geldt. [gedaagde] is feitelijk pas met ingang van 5 september 2016 vruchtgebruikster van de woning geworden. Derhalve heeft zij in de periode vanaf 4 november 2008 tot en met 5 september 2016 zonder rechtsgeldige titel in de woning verbleven. Dit betekent dat zij aan [eisers gezamenlijk] over die periode een redelijke gebruiksvergoeding dient te betalen, aldus [eisers gezamenlijk]

3.3.

[gedaagde] brengt hier tegenin dat het testament bepaalt dat het vruchtgebruik ingaat op de datum van overlijden van erflater, te weten 4 november 2008. Daaruit blijkt dat het de bedoeling van erflater was dat deze vestiging met terugwerkende kracht tot 4 november 2008 moet gelden. Bovendien is de vordering van [eisers gezamenlijk] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aangezien in de onderhavige zaak sprake is van een verzorgingstestament, aldus [gedaagde] .

3.4.

Het geschil tussen partijen is gericht op de vraag of [gedaagde] in de periode vanaf het overlijden van erflater tot en met 5 september 2016 zonder rechtsgeldige titel in de woning heeft verbleven. De beantwoording van die vraag kan echter in het midden worden gelaten. Zelfs indien immers wordt uitgegaan van de stelling van [eisers gezamenlijk] dat [gedaagde] zonder rechtsgeldige titel in de woning heeft gewoond, heeft [eisers gezamenlijk] in het geheel niet aangevoerd op welke rechtsgrond [gedaagde] in dat geval zou zijn gehouden een vergoeding voor het gebruik van de woning te betalen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] zonder rechtstitel heeft gewoond in een woning die in eigendom aan [eisers gezamenlijk] toebehoort, is daartoe onvoldoende. Eveneens ontbreekt een wettelijke bepaling die bepaalt dat [gedaagde] onder die omstandigheden verplicht is een vergoeding voor het gebruik van de woning te betalen. Voor zover [eisers gezamenlijk] zich erop heeft willen beroepen dat [gedaagde] door het verblijf in de woning ongerechtvaardigd is verrijkt, gaat dat beroep niet op. In het testament staat immers vermeld dat het recht van vruchtgebruik ingaat op de dag van het overlijden van erflater. Hieruit blijkt dat de verhouding die erflater met zijn uiterste wil wenste te regelen (zie artikel 4:46 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) erop was gericht dat [gedaagde] vanaf zijn overlijden het vruchtgebruik van de woning zou verkrijgen en in die woning zou blijven wonen. Van een ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] is dan ook geen sprake. Nu de vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding zal worden afgewezen, behoeven de verweren ten aanzien van hypotheekrente en de lasten die [eisers gezamenlijk] in het kader van de verrekening zijn vordering naar voren heeft gebracht, in conventie geen bespreking meer. Die verweren zullen hierna ten aanzien van de vordering in reconventie worden besproken.

Bouwtechnisch onderzoek

3.5.

Onder II vordert [eisers gezamenlijk] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het (laten) verrichten van een bouwtechnisch onderzoek naar de staat van de woning. Ook ten aanzien van deze vordering heeft [eisers gezamenlijk] echter nagelaten te stellen op welke grond [gedaagde] daartoe zou zijn gehouden. De omstandigheid dat [gedaagde] verantwoordelijk is voor het onderhoud aan de woning is, zonder nadere toelichting die ontbreekt, onvoldoende om te concluderen dat zij verplicht is een bouwtechnisch onderzoek naar de staat van de woning te laten verrichten. Evenmin heeft [eisers gezamenlijk] toegelicht waarom een dergelijk onderzoek noodzakelijk zou zijn. Derhalve zal deze vordering worden afgewezen.

Proceskosten en nakosten

3.6.

Bij deze uitkomst van de procedure zal [eisers gezamenlijk] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] . Deze kosten worden begroot op:

griffierecht € 876,00

salaris advocaat € 1.447,50 (2,5punten × tarief € 579) +

totaal € 2.323,50

3.7.

Verder zal [eisers gezamenlijk] worden veroordeeld in de nakosten voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden begroot op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

Hypotheekrente

3.8.

Ten aanzien van de door [gedaagde] gevorderde hypotheekrente heeft [eisers gezamenlijk] in zijn antwoordakte in reconventie van 4 januari 2017 zich op het standpunt gesteld dat uit de door [gedaagde] overgelegde rekeningafschriften blijkt dat de hypotheekrente van een rekening is betaald die op naam staat van de erven [erflater] . Nu niet is gebleken dat [gedaagde] de hypotheekrente zelf heeft betaald, moet het ervoor worden gehouden dat die is betaald van een voormalige rekening van erflater. Dat betekent dat de hypotheekrente reeds door de erven, te weten [eisers gezamenlijk] , is betaald. De vordering dient dan ook te worden afgewezen, aldus [eisers gezamenlijk]

3.9.

Volgens [gedaagde] is dit verweer van [eisers gezamenlijk] te laat, aangezien dit verweer reeds bij de conclusie van antwoord in reconventie had moeten worden gevoerd. Nu hij dat niet heeft gedaan, is daarmee het recht van [eisers gezamenlijk] om dit verweer te voeren komen te vervallen op grond van artikel 128 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), aldus [gedaagde] .

3.10.

Hier geldt het volgende. In de dagvaarding heeft [eisers gezamenlijk] gesteld dat [gedaagde] tot en met augustus 2014 maandelijks de hypotheekrente heeft betaald. In haar conclusie van antwoord heeft [gedaagde] dit onderschreven. Tevens heeft [gedaagde] ter onderbouwing van haar vordering in reconventie een rekeningafschrift van de hypotheek op naam van erven [erflater] overgelegd. Op die omstandigheid heeft [eisers gezamenlijk] in zijn conclusie van antwoord in reconventie niet gereageerd en is gebleven bij zijn stelling dat [gedaagde] de hypotheeklasten heeft betaald (zie punt 14 van de conclusie van antwoord in reconventie). Gelet hierop heeft de rechtbank in haar tussenvonnis als feit vastgesteld dat [eisers gezamenlijk] tot en met augustus 2014 maandelijks de hypotheekrente heeft betaald (zie r.o. 2.3. van het tussenvonnis). Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de hypotheekrente voor rekening van [eisers gezamenlijk] komt. Vervolgens zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de voortgang van het geschil, waaronder de mogelijkheid tot het aanpassen van hun wederzijdse eis aan de alsdan ontstane situatie. Daarop heeft [eisers gezamenlijk] bij akte zijn eis in conventie gewijzigd en daarbij de hypotheekrente die volgens het tussenvonnis voor zijn rekening komt, met de door hem in conventie gevorderde gebruiksvergoeding verrekend. In die akte heeft [eisers gezamenlijk] evenmin stelling ingenomen ten aanzien van de omstandigheid dat [gedaagde] bij haar conclusie van eis in reconventie reeds een rekeningafschrift van de hypotheek op naam van erven [erflater] heeft overgelegd. In haar akte uitlating in reconventie heeft [gedaagde] vervolgens ter onderbouwing van de door haar gevorderde hypotheekrente een (groot) aantal rekeningafschriften van de hypotheek overgelegd. Die rekeningafschriften staan alle op naam van erven [erflater] . Naar aanleiding daarvan heeft [eisers gezamenlijk] zijn verweer aangepast en voor het eerst gesteld dat de hypotheekrente reeds door de erven is betaald.

3.11.

Het verweer van [eisers gezamenlijk] wordt begrepen als een verzoek aan de rechtbank om terug te komen op een door haar in het tussenvonnis gegeven eindbeslissing. De rechtbank is in beginsel aan deze eindbeslissing in het verdere verloop van het geding gebonden. De eisen van een goede procesorde kunnen echter met zich brengen dat de rechtbank, indien haar is gebleken dat deze eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om – nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten – over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat op een ondeugdelijke grondslag einduitspraak wordt gedaan.

3.12.

Gelet op het hiervoor onder 3.10 opgenomen verloop van de procedure wordt het pas na tussenvonnis gevoerde verweer van [eisers gezamenlijk] dat de hypotheekrente reeds door de erven zijn betaald en niet door [gedaagde] , in strijd geacht met de eisen van een goede procesorde. [eisers gezamenlijk] voert dit verweer immers nadat de grenzen van de rechtsstrijd in de dagvaarding, conclusie van antwoord/eis in reconventie en de conclusie van antwoord in reconventie zijn afgebakend en de rechtbank op basis daarvan een bindende eindbeslissing heeft genomen,. [eisers gezamenlijk] had dit verweer echter eerder kunnen en moeten voeren, aangezien [gedaagde] bij haar conclusie van eis in reconventie reeds een rekeningafschrift op naam van de erven [erflater] had overgelegd. Desondanks heeft [eisers gezamenlijk] in zijn conclusie van antwoord in reconventie vastgehouden aan de stelling dat [gedaagde] de hypotheekrente heeft betaald. Deze omstandigheid komt dan ook voor zijn rekening en risico. Nu [eisers gezamenlijk] heeft nagelaten zijn thans gevoerde verweer in een eerder stadium te voeren en dit verweer mede ertoe strekt dat de rechtbank terugkomt van de door haar genomen eindbeslissing, handelt hij in strijd met de eisen van de goede procesorde en met het daarin besloten liggende beginsel van concentratie van het processuele debat. Derhalve wordt het verweer als tardief aangemerkt en zal daarop bij de onderhavige beoordeling geen acht meer worden geslagen. Dit betekent dat de rechtbank blijft bij haar vaststelling dat [gedaagde] na het overlijden van erflater maandelijks de hypotheekrente heeft betaald, maar dat die hypotheekrente voor rekening van [eisers gezamenlijk] dienen te komen. Door in zijn akte na het tussenvonnis de hypotheekrente te verrekenen met zijn vordering in conventie, heeft [eisers gezamenlijk] erkend dat hij ten aanzien van de hypotheekrente een betalingsverplichting richting [gedaagde] heeft.

3.13.

[eisers gezamenlijk] heeft voorts het verweer gevoerd dat [gedaagde] bij haar vordering geen aandacht heeft besteed aan de hypotheekrenteaftrek. [gedaagde] heeft hier terecht tegenin gebracht dat zij geen eigenaar is van de woning en daardoor geen recht heeft op hypotheekrenteaftrek. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

3.14.

Verder betwist [eisers gezamenlijk] de hoogte van het door [gedaagde] gevorderde bedrag aan hypotheekrente. Volgens hem dient te worden uitgegaan van een hypotheekrente van € 70,35 per maand. Dat bedrag heeft [eisers gezamenlijk] gebaseerd op het bedrag dat hij thans maandelijks aan hypotheekrente betaalt.

3.15.

Uit de door [gedaagde] overlegde rekeningafschriften blijkt dat in de onderhavige zaak sprake is van een hypotheek met een variabele rente. Dat betekent dat het bedrag dat aan hypotheekrente wordt betaald, per maand fluctueert. Er kan derhalve voor de berekening van het bedrag aan hypotheekrente dat aan [gedaagde] dient te worden (terug)betaald, niet worden uitgegaan van een vast bedrag per maand dat wordt vermenigvuldigd met het aantal maanden dat [gedaagde] de hypotheekrente heeft betaald. Dit brengt met zich dat [gedaagde] alle maandelijkse bedragen die staan vermeld op het overzicht dat door haar ter onderbouwing van haar vordering als productie 7 bij de conclusie van eis in reconventie is overgelegd (hierna: het Overzicht), dient te onderbouwen met rekeningafschriften. De omstandigheid dat [gedaagde] – zoals zij heeft gesteld – niet meer alle bankafschriften in haar bezit heeft, komt voor haar rekening en risico. Dat sprake is van een variabele rente brengt eveneens met zich dat niet kan worden uitgegaan van het bedrag van € 70,35 dat [eisers gezamenlijk] thans maandelijks aan hypotheekrente betaalt. Daarbij weegt nog mee dat de hypotheekrente op dit moment zeer laag is, waardoor dit bedrag ook om die reden niet representatief is voor de hypotheekrente die vanaf 2008 is betaald.

3.16.

[gedaagde] vordert betaling aan hypotheekrente van een bedrag van € 9.062,89. Dat bedrag heeft zij gebaseerd op het door haar overgelegde Overzicht. Ter onderbouwing van het Overzicht heeft zij een aantal rekeningoverzichten overgelegd. Door [eisers gezamenlijk] is een aantal van de bedragen dat op het overzicht staat vermeld, betwist. Volgens hem ontbreken ten aanzien van die bedragen de rekeningafschriften, komen die niet overeen met de bedragen op het betreffende rekeningafschrift of is daarvoor een creditfactuur gestuurd. Het gaat om de volgende bedragen:

Maand Bedrag

november 2008 € 189,91

maart 2009 € 175,84

april 2009 € 175,84

december 2009 € 133,64

april 2010 € 126,61

juli 2010 € 123,08

februari 2013 € 123,09

augustus 2014 € 91,44 +

totaal € 1.139,45

3.17.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.15 is overwogen en de gemotiveerde betwisting door [eisers gezamenlijk] , heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat zij de hiervoor onder 3.16 opgesomde bedragen heeft betaald. Deze bedragen zullen daarom van het door [gedaagde] gevorderde bedrag aan hypotheekrente worden afgetrokken. Daarbij wordt nog opgemerkt dat door [eisers gezamenlijk] eveneens de betaling van april 2013 van € 116,05 is betwist, aangezien het bedrag op het Overzicht niet zou overeenkomen met het bedrag op het door [gedaagde] overgelegde rekeningoverzicht. Nu deze bedragen echter wel blijken te corresponderen, wordt de betaling aan hypotheekrente van deze maand voldoende onderbouwd geacht en is die niet meegenomen bij de hiervoor opgesomde bedragen die op de vordering in mindering zullen worden gebracht.

3.18.

Het voorgaande brengt met zich dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 7.923,44 (€ 9.062,89 - € 1.139,45).

OZB en rioolrechten

3.19.

De vordering van [gedaagde] tot betaling van het bedrag van € 3.001,60 aan onroerendezaakbelasting (eigenarendeel) en de rioolheffing is niet door [eisers gezamenlijk] betwist, zodat die vordering zal worden toegewezen.

Werkelijke juridische kosten

3.20.

[gedaagde] stelt dat [eisers gezamenlijk] zijn vorderingen alleen heeft ingesteld om [gedaagde] te schaden. Er was voor [eisers gezamenlijk] geen enkele noodzaak om een vordering tot ontruiming in te stellen. Hij had immers kunnen instemmen met het passeren van de door [gedaagde] voorgestelde akte afgifte legaat vruchtgebruik. De stelling van [eisers gezamenlijk] dat hij beweging wilde krijgen in de onderhandelingen is onjuist. Hieruit blijkt dat [eisers gezamenlijk] de procedure tot ontruiming en betaling van gebruiksvergoeding heeft ingezet voor een ander doel dan waarvoor deze bestaan. De dreiging dat zou worden ontruimd, zorgde bij [gedaagde] voor onrust en is dan ook disproportioneel en onredelijk. Het staat daarmee vast dat [eisers gezamenlijk] misbruik heeft gemaakt van procesrecht en onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld. Door deze onrechtmatige daad heeft [gedaagde] rechtsbijstand moeten inschakelen. De schade bestaande uit de werkelijke kosten van rechtsbijstand dient [eisers gezamenlijk] dan ook aan [gedaagde] te vergoeden, aldus steeds [gedaagde] .

3.21.

Een vordering tot veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten is slechts toewijsbaar indien de aangesproken partij misbruik van procesrecht maakt of onrechtmatig handelt door een procedure aan te spannen. Daarvan is pas sprake als de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn indien eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Gelet op het door artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht tot toegang tot de rechter dient hierbij terughoudendheid te worden toegepast (Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en Hoge Raad 6 april 2012 ECLI:NL:HR:2012:BV7828).

3.22.

Aan dit (strenge) criterium is, zoals [eisers gezamenlijk] terecht heeft gesteld, niet voldaan. De enkele omstandigheid dat [eisers gezamenlijk] de vordering tot ontruiming heeft ingetrokken nadat hij heeft meegewerkt aan het passeren van de akte van het legaat, brengt niet zonder meer met zich dat [eisers gezamenlijk] op voorhand moest weten dat zijn stellingen ten aanzien van de vordering tot ontruiming geen kans van slagen hadden. Bovendien is gebleken dat de akte tot afgifte van het legaat die uiteindelijk is gepasseerd, afwijkt van de door [gedaagde] voorgestelde akten. De stelling van [gedaagde] dat [eisers gezamenlijk] had kunnen instemmen met de afgifte van het legaat gaat dan ook niet op. Evenmin kan worden geconcludeerd dat het voor [eisers gezamenlijk] zonneklaar was dat zijn vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding zou worden afgewezen. Nu ook de enkele omstandigheid dat de ingestelde vorderingen bij [gedaagde] onrust hebben veroorzaakt onvoldoende is om [eisers gezamenlijk] te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten, zal de vordering worden afgewezen.

Conclusie

3.23.

Het voorgaande brengt met zich dat de vorderingen in reconventie worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 10.925,04 (€ 7.923,44 (zie 3.18) + € 3.001,60 (zie 3.19)).

Proceskosten en nakosten

3.24.

Bij deze uitkomst van de procedure zal [eisers gezamenlijk] als de op hoofdpunten in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] . Deze kosten worden begroot op € 565,- (2,5 punten × factor 0,5 × tarief € 452,-) aan salaris advocaat.

3.25.

Verder zal [eisers gezamenlijk] worden veroordeeld in de nakosten voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden begroot op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

verder in conventie en reconventie

3.26.

De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen omdat zij inmiddels niet meer werkzaam is bij deze rechtbank.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eisers gezamenlijk] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.323,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

in reconventie

4.3.

veroordeelt [eisers gezamenlijk] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 10.952,04 (tienduizendnegenhonderdtweeënvijftig euro en vier eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

4.4.

veroordeelt [eisers gezamenlijk] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 565,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

verder in conventie en in reconventie

4.6.

veroordeelt [eisers gezamenlijk] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers gezamenlijk] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

4.7.

verklaart dit vonnis in conventie en in reconventie voor wat de beslissingen onder 4.2, 4.3, 4.4 en 4.6 betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Thomas, rechter, bijgestaan door mr. H.D. Coumou, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2017.