Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2841

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-04-2017
Datum publicatie
28-04-2017
Zaaknummer
HA ZA 14-348 en HA ZA 16-301
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaartkartel. Wet conflictenrecht onrechtmatige daad is ingetrokken per 1 januari 2012, maar blijft van toepassing op verbintenissen uit onrechtmatige daad die vóór 1 januari 2012 zijn ontstaan (HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1054). Het toepasselijk recht op de vorderingen van SCC dient dan ook te worden vastgesteld aan de hand van artikel 4 WCOD. Er is geen sprake een vacuüm dat invulling behoeft. Geen aanleiding voor het stellen prejudiciële vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Vonnis in incident van 12 april 2017

in de zaken

met zaaknummers / rolnummers:

C/13/562256 / HA ZA 14-348 (SCC I)

C/13/604492 / HA ZA 16-301 (SCC II)

van

de stichting

STICHTING CARTEL COMPENSATION,

gevestigd te Den Haag,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident/verzoek,

advocaat mr. J. van den Brande te Rotterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

advocaat mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

MARTINAIR HOLLAND N.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer,

advocaat mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht

SOCIETE AIR FRANCE S.A.,

gevestigd te Roissy Charles-de-Gaulle CEDEX, Frankrijk,

advocaat mr. D.A.M.H.W. Strik te Amsterdam,

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht

DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,

gevestigd te Keulen, Duitsland,

advocaat voorheen mr. R.B. Gerretsen thans mr. P.N. Malanczuk te Rotterdam,

5. de rechtspersoon naar buitenlands recht

LUFTHANSA CARGO AG,

gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,

advocaat voorheen mr. R.B. Gerretsen thans mr. P.N. Malanczuk te Rotterdam,

6. de rechtspersoon naar buitenlands recht

BRITISH AIRWAYS PLC.,

gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

7. de rechtspersoon naar buitenlands recht

SINGAPORE AIRLINES LIMITED,

gevestigd te Singapore, Singapore,

advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat te Amsterdam,

8. de rechtspersoon naar buitenlands recht

SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD,

gevestigd te Singapore, Singapore,

advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat te Amsterdam,

gedaagden in de hoofdzaak,

gedaagden in het incident/verzoek.

Partijen worden hierna SCC en de luchtvaartmaatschappijen genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de regiezitting, gehouden op 22 juni 2016, waarin, voor zover voor dit incident van belang, het volgende is opgenomen:

“7. SCC neemt op de rol van 12 oktober 2016 een akte toepasselijk recht waarin zij nader uiteenzet waarom Rome II anticiperend moet worden toegepast (en haar rechtskeuze voor Nederlands recht moet worden gevolgd), alsmede waarom het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor de hand ligt.

De luchtvaartmaatschappijen zullen op 14 december 2016 hierop bij antwoordakte toepasselijk recht reageren”;

- de akte toepasselijk recht van SCC van 12 oktober 2016 met producties;

- de antwoordakte van KLM, Martinair en Air France van 14 december 2016 met producties;

- de antwoordakten van Lufthansa respectievelijk British Airways van 14 december 2016; en

- het B-formulier van Singapore Airlines van 14 december 2016, waarin zij zich aansluit bij de antwoordakte van KLM, Martinair en Air France.

1.2.

Daarna is vonnis bepaald in dit incident (het verzoek van SCC om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad).

1.3.

Bij e-mail van 17 februari 2017 heeft de rechtbank reeds aan partijen meegedeeld dat in meervoudige raadkamer is beslist dat zij geen aanleiding ziet om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad dan wel aan het Hof van Justitie te stellen. Het onderstaande vormt de uitwerking daarvan.

2 De beoordeling in het incident/verzoek

2.1.

SCC heeft bij akte toepasselijk recht aan de rechtbank verzocht prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad op grond van artikel 392 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). SCC legt hieraan – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.

De Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD) is op 1 januari 2012 met onmiddellijke ingang ingetrokken en is ook niet meer van toepassing op verbintenissen uit onrechtmatige daad uit de periode vóór 2012. De Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europese Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-Vo) is evenmin van toepassing, omdat de vorderingen van SCC op grond van artikel 31 Rome II-Vo buiten het temporele toepassingsgebied van de Rome II-Vo vallen. Derhalve is er sprake van een vacuüm. Uitleg van artikel 10:159 BW dan wel het toekennen van terugwerkende kracht aan de Rome II-Vo door middel van anticiperende toepassing en/of uitleg van het ongeschreven Nederlands IPR kunnen evenwel alsnog tot toepasselijkheid van de Rome II-Vo leiden.

Zelfs als de WCOD wel van toepassing zou zijn, brengt het doeltreffendheidsbeginsel mee, zoals verwoord in de Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (de Kartelschaderichtlijn), dat artikel 6 Rome II-Vo moet worden toegepast, teneinde een effectieve uitoefening van het schadevergoedingsrecht te garanderen. De goede procesorde vergt een soortgelijke oplossing, aldus SCC.

2.2.

De luchtvaartmaatschappijen hebben bij antwoordakte hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

2.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. De WCOD is weliswaar ingetrokken per 1 januari 2012, maar blijft van toepassing op verbintenissen uit onrechtmatige daad die vóór 1 januari 2012 zijn ontstaan (zie HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1054). Het toepasselijk recht op de vorderingen van SCC dient dan ook te worden vastgesteld aan de hand van artikel 4 WCOD. Dit betekent dat er, anders dan SCC betoogt, geen sprake is van een vacuüm dat invulling behoeft. De door SCC voorgestane invulling komt bovendien neer op toepassing met terugwerkende kracht van de Rome II-Vo, hetgeen in strijd is met het Europees recht en de autonome uitleg van de temporele reikwijdte van die Verordening. In artikel 31 Rome II-Vo is immers bepaald dat de Rome II-Vo van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na inwerkingtreding daarvan. Dit is bevestigd door het Hof van Justitie bij arrest van 17 november 2011 (C-412/10 Homawoo/GMF Assurances SA), waarin is geoordeeld dat Rome II-Vo hoe dan ook geen werking heeft ten aanzien van gebeurtenissen van vóór 11 januari 2009 en dus geen terugwerkende kracht heeft. Van deze autonome Europese uitleg van het toepassingsbereik van de Rome II-Vo kan niet worden afgeweken. Er is dus geen ruimte voor anticiperende toepassing van de Rome II-Vo.

Verder overweegt de rechtbank dat uit de tekst van artikel 10:159 BW, de wetsgeschiedenis en het overgangsrecht bij die bepaling volgt dat dit artikel geen terugwerkende kracht heeft, in ieder geval niet vóór 11 januari 2009. Artikel 10:159 BW breidt alleen de materiële werkingssfeer van de Rome II-Vo uit en niet de temporele reikwijdte.

Verder ziet de rechtbank geen ruimte artikel 6 Rome II-Vo toe te passen op grond van het doeltreffendheidsbeginsel dan wel de goede procesorde. Ook dit zou er immers de facto op neerkomen dat de Rome II-Vo met terugwerkende kracht zou worden toegepast en dit is, zoals hiervoor is overwogen, in strijd met het Europese recht.

2.4.

Uit het voorgaande volgt dat de door SCC geformuleerde prejudiciële vragen reeds zijn beantwoord door de Hoge Raad. Althans er is, gelet op de stand van de procedure, (nog) niet voldaan aan het vereiste van artikel 392 Rv dat sprake moet zijn van een vraag waarop antwoord nodig is om op de vorderingen van SCC te beslissen. Er liggen immers nog verweren voor, waarop door deze rechtbank nog niet is beslist.

2.5.

De slotsom op grond van het voorgaande is dat de vordering/het verzoek van SCC tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zal worden afgewezen.

2.6.

De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

in de hoofdzaken

2.7.

Zoals aan partijen reeds bij e-mail van 17 februari 2017 is meegedeeld zal op dinsdagochtend 16 mei 2017 te 09.30 uur een meervoudig pleidooi plaatsvinden over het toepasselijk recht en op donderdag 18 mei 2017 te 9.30 uur over de rechtsgeldigheid van de cessies.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident/verzoek

3.1.

wijst het gevorderde/verzochte af,

3.2.

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaken

3.3.

verwijst de zaken naar de rol van 16 mei 2017 en 18 mei 2017 voor de reeds geplande pleidooien,

3.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. A.E. de Vos en mr. M.E.M. James-Pater, rechters, bijgestaan door mr. J.P. van der Stouwe, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2017.