Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2823

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2017
Datum publicatie
12-05-2017
Zaaknummer
C/13/621940 / HA RK 17-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2018:819, Overig
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 2:298 BW: verzoek ontslag bestuurder stichting; voorlopige voorzieningen op grond van artikel 2:298 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2017/62
AR 2017/2488
JONDR 2017/924
OR-Updates.nl 2017-0169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/621940 / HA RK 17-13

Beschikking van 26 april 2017

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING VOOR ISLAMITISCH SOCIAAL CULTUREEL EN MAATSCHAPPELIJK WERK,

gevestigd te Amsterdam,

2. [verzoeker 2],

wonende te [plaats] ,

3. [verzoeker 3],

wonende te [plaats] ,

4. [verzoeker 4],

wonende te [plaats] ,

verzoekers,

advocaat mr. O.J. Hennis te Amsterdam,

tegen

1 [verweerder 1] ,

wonende te [plaats] ,

2. de stichting

STICHTING FELICITY,

gevestigd te Amsterdam,

3. de stichting

STICHTING SAPIENTIA,

gevestigd te Amsterdam,

4. de stichting

STICHTING 'T KINDERHARTJE,

gevestigd te Amsterdam,

verweerders,

advocaat mr. R.M. Berendsen te Amsterdam.

Verzoekers worden hierna afzonderlijk respectievelijk de Stichting ISMW, [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] genoemd. [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] worden hierna gezamenlijk ook [verzoekers gezamenlijk] genoemd. Verweerder sub 1 wordt hierna [verweerder 1] genoemd. Stichting Felicity, Stichting Sapientia en Stichting ’t Kinderhartje worden hierna gezamenlijk de drie stichtingen genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 januari 2017, en gewijzigd/aangevuld op 6 maart 2017;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift, gehouden op
    17 maart 2017, met de daarin vermelde stukken;

  • -

    de (fax)brief van mr. Berendsen van 12 april 2017 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    de (fax)brief van mr. Hennis van 18 april 2017 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden. Partijen zijn van de (uitgestelde) beschikkingsdatum op de hoogte gesteld.

2 De feiten

2.1.

De Stichting ISMW is opgericht op 2 december 1985 en heeft blijkens artikel 2 van haar statuten tot doel:


“a. de bevordering en het (doen) geven van onderwijs;
b. de bevordering van het sociaal en cultureel-maatschappelijk werk;
c. de verwerving en het beheer van moskeeën en andere gebedsruimten;
d. de coördinatie van de werkzaamheden van verschillende rechtspersonen en andere samenwerkingsverbanden;
e. het organiseren van conferenties en kampen, ten behoeve van in Nederland wonende moslims”.

2.2.

Op grond van artikel 3 van haar statuten tracht de Stichting ISMW dit doel te bereiken:

“a. door de verwerving en het beheer van schoolgebouwen, het bestrijden van analfabetisme, het geven van voorlichting en hulp aan groepen en individuele moslims over de manier waarop en waardoor in de Nederlandse samenleving, met inachtneming van de voorschriften uit de Koran en Hadith, geleefd kan worden, onder andere in maatschappelijke conflictsituaties, de opvang van kinderen en de jeugd, het verenigen van de jeugd, ongeacht hun taal, ras, nationaliteit, culturele of sociale achtergrond, een en ander eventueel door het inschakelen van deskundigen;
b. door het verrichten van alle andere handelingen die tot het bereiken van het gestelde doel bevorderlijk zijn of daarmede in de ruimste zin verband houden”.

2.3.

In artikel 8 lid 1 van de statuten staat dat de Stichting ISMW in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd door twee gezamenlijk handelende bestuursleden:


“De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door twee bestuursleden gezamenlijk, onder wie de voorzitter of de secretaris of de penningmeester”.

2.4.

In artikel 5 van de statuten van de Stichting ISMW (zoals die in ieder geval golden tot 18 april 2011, zie hierna onder 2.12) is bepaald, voor zover van belang, dat het bestuur van de stichting bestaat uit ten minste vijf leden, dat het bestuur beslist uit hoeveel leden het bestuur zal bestaan en dat in vacatures wordt voorzien bij bestuursbesluit, bij wijze van coöptatie. In artikel 10 lid 2 van de statuten is, voor zover van belang, het volgende bepaald over de besluitvorming binnen het bestuur van de Stichting ISMW:

“Besluiten worden genomen met meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen. (…)”.

2.5.

Blijkens in het geding gebrachte uittreksels uit het handelsregister van 20 december 2016, 11 januari 2017 en 8 maart 2017 zijn als bestuurders van de Stichting ISMW ingeschreven:

  • -

    [verweerder 1] (verweerder sub 1): voorzitter/penningmeester;

  • -

    [verzoeker 4] (verzoeker sub 4): penningmeester;

  • -

    [verzoeker 2] (verzoeker sub 2): voorzitter;

  • -

    [verzoeker 3] (verzoeker sub 3): secretaris.

2.6.

De Stichting ISMW is eigenaresse van het gebouw aan de [straat] in [plaats] .

2.7.

In maart 2000 heeft [verweerder 1] (die toen, naar de rechtbank aanneemt, ook als bestuurder stond ingeschreven) [verzoekers gezamenlijk] uitgeschreven uit het handelsregister als bestuurders van de Stichting ISMW. Sindsdien zijn er tussen partijen verschillende procedures gevoerd in verband met een machtsstrijd binnen (het bestuur van) de Stichting ISMW.

2.8.

Bij vonnis van 23 september 2009 heeft deze rechtbank voor recht verklaard dat het bestuur van de Stichting ISMW tussen juli 2000 en november 2000 bestond uit:
- [verweerder 1] (verweerder sub 1);
- [verzoeker 4] (verzoeker sub 4);
- [verzoeker 2] (verzoeker sub 2);

- [verzoeker 3] (verzoeker sub 3).
Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.9.

Op 23 juli 2010 hebben [verzoekers gezamenlijk] een dagvaarding uitgebracht jegens [verweerder 1] , [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en de Stichting ISMW waarin – voor zover van belang – een verklaring voor recht wordt gevorderd dat [verzoekers gezamenlijk] samen met [verweerder 1] het bestuur van de Stichting ISMW vormen.

2.10.

Op 26 november 2010 heeft [verweerder 1] namens de Stichting ISMW een overeenkomst van geldlening gesloten met het Nationaal Restauratiefonds ten behoeve van de verbouwing aan het pand aan de [straat] . [verweerder 1] ondertekende de overeenkomst van geldlening samen met [naam 4] en [naam 1] .

2.11.

Op 11 februari 2011 heeft [verweerder 1] namens de Stichting ISMW een hypotheek verstrekt op het pand aan de [straat] aan het Nationaal Restauratiefonds.

2.12.

Op 18 april 2011 is [verweerder 1] verschenen ten overstaan van [notaris] te Amsterdam waar hij heeft verklaard dat het bestuur van de Stichting ISMW eerder die dag met algemene stemmen had besloten de statuten van de Stichting ISMW te wijzigen. In de gewijzigde statuten is, voor zover van belang, in lid 2 van artikel 5 het volgende bepaald:

“Elke persoon die met de stichting een overeenkomst heeft gesloten krachtens welke die persoon van de stichting het exclusieve recht verkrijgt op het gebruik van het belangrijkste gedeelte van een verdieping van een gebouwde onroerende zaak gedurende ten minste twaalf maanden is, zolang als hij dat gebruiksrecht heeft, lid van het bestuur”.

2.13.

Eveneens op 18 april 2011 heeft [verweerder 1] , namens de Stichting ISMW, gebruiks-overeenkomsten gesloten met de drie stichtingen op grond waarvan zij exclusief gebruik mochten maken van (ruimtes in en de tuin van) het pand aan de [straat] . [verweerder 1] ondertekende de gebruiksovereenkomsten samen met [naam 4] en [naam 3] .

2.14.

Op 19 en 20 april 2011 heeft de Kamer van Koophandel de wijziging van de statuten van de Stichting ISMW ingeschreven en tevens de opgave van [verweerder 1] inhoudende aanvulling van het bestuur van de Stichting ISMW met de drie stichtingen.

2.15.

Bij vonnis van 20 april 2011 heeft deze rechtbank (in de procedure die was ingeleid met de onder 2.9 genoemde dagvaarding) geoordeeld dat het bestuur van de Stichting ISMW op dat moment bestond uit:
- [verweerder 1] (verweerder sub 1);
- [verzoeker 4] (verzoeker sub 4);
- [verzoeker 2] (verzoeker sub 2);

- [verzoeker 3] (verzoeker sub 3).

2.16.

Begin mei 2011 hebben [verzoekers gezamenlijk] de Kamer van Koophandel verzocht om de registratie van de samenstelling van het bestuur van de Stichting ISMW in overeenstemming te brengen met het vonnis van 20 april 2011. De Kamer van Koophandel heeft de door [verzoekers gezamenlijk] gewenste aanpassing in het handelsregister geweigerd, omdat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard en nog niet in kracht van gewijsde was gegaan.

2.17.

Tegen de onder 2.14 bedoelde besluiten van de Kamer van Koophandel hebben [verzoekers gezamenlijk] op 27 mei 2011 bezwaar gemaakt. De behandeling van het bezwaar is vervolgens voor onbepaalde tijd aangehouden totdat in het hoger beroep tegen het vonnis van 20 april 2011 zou zijn beslist.

2.18.

Tegen het vonnis van 20 april 2011 heeft [verweerder 1] (samen met de andere gedaagden in die procedure) op 13 juli 2011 hoger beroep ingesteld.

2.19.

Bij arrest van 26 augustus 2014 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van 20 april 2011 bekrachtigd, voor zover de rechtbank voor recht heeft verklaard dat het bestuur van de Stichting ISMW bestaat uit:
- [verweerder 1] (verweerder sub 1);
- [verzoeker 4] (verzoeker sub 4);
- [verzoeker 2] (verzoeker sub 2);
- [verzoeker 3] (verzoeker sub 3).

In het arrest is voorts, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“3.6.2. [verweerder 1] nemen bij deze grief tot uitgangspunt dat het bestuur tot en met november 2000 bestond uit [verweerder 1] en [verzoekers gezamenlijk] Volgens [verweerder 1] is de samenstelling van het bestuur van de Stichting [ISMW] nadien gewijzigd als gevolg van bestuursbesluiten die weliswaar in strijd met de statuten zijn genomen, maar welke besluiten, bij gebreke van vernietiging daarvan, desondanks geldig zijn. Het hof constateert dat noch in de memorie van grieven, noch in de conclusie van antwoord en noch in de pleitaantekeningen van [verweerder 1] is vermeld welke bestuursleden, op welke datum, welk bestuursbesluit tot benoeming of ontslag zouden hebben genomen. Waar tussen partijen vaststaat dat [verzoekers gezamenlijk] na november 2000 niet bij enig bestuursbesluit zijn betrokken, zou in eerste instantie alleen [verweerder 1] als bestuurslid een besluit hebben kunnen nemen waarmee hij beoogde een wijziging in de bestuurssamenstelling van de Stichting [ISMW] te bewerkstelligen. Wanneer het hof, evenals [verzoekers gezamenlijk] , de grief aldus verstaat geldt het volgende.

3.6.3.

Artikel 5 lid 1 van de statuten van de Stichting [ISMW] bepaalt dat het bestuur van de stichting uit ten minste vijf en ten hoogste negen leden bestaat. Artikel 10 lid 2 van die statuten bepaalt dat bestuursbesluiten worden genomen met meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.

3.6.4.

Ingevolge artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Ingevolge artikel 2:15 lid 1 sub a BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen. Tot dergelijke wettelijke en statutaire bepalingen die het tot stand komen van een besluit regelen in de zin van onderdeel 1 van artikel 15 horen niet die, welke de vereisten voor de geldigheid van een besluit stellen, zoals een vereist minimum aantal bestuursleden of een vereiste meerderheid van stemmen. De Stichting [ISMW] heeft in de statuten tot uitdrukking gebracht dat van een bestuursbesluit slechts sprake kan zijn indien het bestuur uit ten minste vijf leden bestaat en een geldige meerderheid met het besluit heeft ingestemd. Een in strijd met deze statutaire bepalingen genomen besluit is een nietig besluit. (…)”.

2.20.

[verweerder 1] heeft op 8 december 2014 aan de Kamer van Koophandel verzocht [verzoekers gezamenlijk] uit te schrijven als bestuurders van de Stichting ISMW, de functie van Stichting Felicity te wijzigen in die van secretaris en zijn eigen bevoegdheid te wijzigen in ‘alleen bevoegd’.

2.21.

Op 24 december 2014 heeft de Kamer van Koophandel het bezwaar van [verzoekers gezamenlijk] tegen haar besluiten van 19 en 20 april 2011 (zie hiervoor onder 2.17 en 2.14) gegrond verklaard en tevens geweigerd de opgaven van [verweerder 1] van 8 december 2014 in het handelsregister in te schrijven. De Kamer van Koophandel overwoog, voor zover van belang, als volgt:

“Gelet op (…) het arrest van het Hof van 26 augustus 2014, in het bijzonder rechtsoverweging 3.6.4., is de Kamer van Koophandel van oordeel dat sinds 1 juli 2000 het bestuur van de stichting wordt gevormd door de heren [verweerder 1] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] en [verzoeker 2] . Bovendien heeft het Hof (in r.o. 3.6.2.) vastgesteld dat de heren [verzoeker 3] , [verzoeker 4] en [verzoeker 2] sinds november 2000 niet bij enig bestuursbesluit betrokken zijn geweest. Naar het oordeel van de Kamer zijn gelet op het arrest van het Hof, alle besluiten nadien als nietige besluiten te kwalificeren. De inschrijving van de 3 stichtingen als nieuw bestuurslid alsmede de statutenwijziging zijn dienovereenkomstig zonder rechtsgrond gedaan. (…)”.

2.22.

[verweerder 1] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, voor zover daaruit volgt dat de opgaven van 8 december 2014 buiten behandeling zijn gelaten. De Kamer van Koophandel heeft dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.23.

Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) heeft op 22 september 2016 geoordeeld dat de Kamer van Koophandel het bezwaar van [verzoekers gezamenlijk] (zie hiervoor onder 2.17) terecht gegrond heeft verklaard en terecht heeft geweigerd om de opgaven van [verweerder 1] van 8 december 2014 in te schrijven. Het CBB overwoog daartoe, voor zover van belang, als volgt:

“(…) Tussen partijen is niet in geschil dat uit het (door appellant niet in rechte aangevochten) arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 augustus 2014 voortvloeit dat vanaf 1 juli 2000 het rechtsgeldig bestuur van ISMW werd gevormd door vier bestuursleden, te weten [ [verweerder 1] ] en [ [verzoekers gezamenlijk] ]. [ [verweerder 1] ]stelt dat de samenstelling van het bestuur van ISMW in een bestuursvergadering van 29 november 2014 met meerderheid van geldig uitgebrachte stemmen bij wijze van coöptatie is gewijzigd. Volgens de notulen van deze vergadering (…) waren ter vergadering (aanvankelijk) aanwezig [ [verweerder 1] ], [Hilai c.s.] en de bestuurders van de stichtingen Sapientia, Felicity en’t Kinderhartje. Uit de notulen blijkt evenwel niet dat is besloten tot benoeming van de stichtingen als bestuurders, ondanks het feit dat [ [verweerder 1] ] dit bij e-mailbericht van 23 november 2014 als agendapunt heeft voorgedragen, terwijl van een dergelijk besluit ook anderszins geen blijk is gevonden in het dossier. Het College wijst er overigens op dat ook de gang van zaken tijdens deze vergadering aanleiding geeft voor gerede twijfel aan de totstandkoming van een rechtsgeldig besluit tot benoeming van de stichtingen als bestuurders. Zo blijkt uit de notulen dat [ [verzoekers gezamenlijk] ] ter vergadering bezwaar hebben gemaakt tegen de aanwezigheid van de stichtingen, dat zij de vergadering tussentijds hebben verlaten en de vergadering op een andere locatie zonder aanwezigheid van [ [verweerder 1] ] hebben voortgezet. Van beide vergaderingen bestaan notulen die door partijen in het geding zijn gebracht. Volgens de notulen die zijn opgesteld door [verzoeker 3] , hebben [ [verzoekers gezamenlijk] ] op diezelfde middag het voorstel van [ [verweerder 1] ] tot benoeming van de stichtingen verworpen, [ [verweerder 1] ] als bestuurder ontslagen en op hun beurt – buiten aanwezigheid van [ [verweerder 1] ] – drie nieuwe bestuursleden benoemd. Onder deze omstandigheden bestaat gerede twijfel aan de rechtsgeldigheid van de beweerdelijk op bedoelde vergadering(en) genomen benoemingsbesluiten. (…)”.

2.24.

Op 10 oktober 2016 hebben de drie stichtingen, althans heeft mr. Berendsen namens deze, de deurwaarder geïnstrueerd om een dagvaarding uit te brengen jegens de Stichting ISMW. In de dagvaarding vorderen de drie stichtingen een verklaring voor recht dat zij lid zijn van het bestuur van de Stichting ISMW. Aan deze vordering hebben zij onder verwijzing naar artikel 5 van de (gewijzigde) statuten van de Stichting ISMW (zie hiervoor onder 2.12) het volgende ten grondslag gelegd:

“(…)

3. [De drie stichtingen] hebben ieder sinds 18 april 2011 een gebruiksovereenkomst met [de Stichting ISMW] (…). In de considerans van de gebruiksovereenkomst staat expliciet opgenomen dat [de Stichting ISMW] een bestuurszetel beschikbaar stelt voor de gebruiker.

4. [De drie stichtingen] maken thans nog steeds gebruik van een verdieping van de onroerende zaak van [de Stichting ISMW].

5. Ofschoon [de drie stichtingen] sinds 18 april 2011 steeds feitelijk hebben deelgenomen aan bestuursvergaderingen en ook gebruik hebben gemaakt van hun stemrechten, blijkt dat zij in het handelsregister van de kamer van koophandel niet als zodanig zijn ingeschreven. De overige leden van het bestuur weigeren in te stemmen met inschrijving in het handelsregister als bestuurder (…)”.

2.25.

De dagvaarding is op 10 oktober 2016 betekend aan [verweerder 1] .

2.26.

[verweerder 1] heeft vervolgens (kennelijk) besloten namens de Stichting ISMW niet te verschijnen en dus geen verweer te voeren tegen de vorderingen van de drie stichtingen.

2.27.

Bij vonnis van 30 november 2016 heeft deze rechtbank voor recht verklaard dat de drie stichtingen lid zijn van het bestuur van de Stichting ISMW en de Stichting ISMW veroordeeld binnen vier weken na betekening van het vonnis aan het handelsregister van de Kamer van Koophandel opgave te doen van het feit dat de drie stichtingen sinds 18 april 2011 bestuurders zijn van de Stichting ISMW (hierna: het verstekvonnis).

2.28.

Op 2 december 2016 is het verstekvonnis betekend aan [verweerder 1] .

2.29.

[verweerder 1] heeft vervolgens (kennelijk) besloten namens de Stichting ISMW om ook geen verzet aan te tekenen tegen het verstekvonnis.

2.30.

Op 4 januari 2017 heeft [naam 5] , bestuurder van Stichting Felicity, per e-mail aan [verzoekers gezamenlijk] een uitnodiging gestuurd voor een bestuursvergadering van de Stichting ISMW. Op de agenda voor de vergadering stond onder meer het ontslag van [verzoekers gezamenlijk] als bestuurders van de stichting.

2.31.

Op 6 januari 2017 hebben [verzoekers gezamenlijk] aan [naam 5] bericht dat Stichting Felicity geen bestuurder is van de Stichting ISMW en dus niet rechtsgeldig bestuursvergaderingen bijeen kan roepen.

2.32.

Op 9 januari 2017 heeft [naam 5] vervolgens het verstekvonnis per e-mail opgestuurd aan [verzoekers gezamenlijk] Sinds de betekening van het verstekvonnis waren toen ruim vijf weken verstreken.

In de begeleidende e-mail heeft [naam 5] het volgende gemeld:

“Volgens bijgevoegd vonnis zijn [de drie stichtingen] sinds 18 april 2011 bestuurder van de Stichting (…) ISMW.

Dit vonnis is onherroepelijk.”

2.33.

Op 10 januari 2017 hebben [verweerder 1] en de drie stichtingen om 18.30 uur buiten aanwezigheid van [verzoekers gezamenlijk] de in de e-mail van 4 januari 2017 aangekondigde vergadering (zie hiervoor onder 2.30) gehouden waarin blijkens de notulen (voor zover vereist) is besloten tot het ontslag van [verzoekers gezamenlijk] als bestuurders van de Stichting ISMW. Vervolgens heeft [verweerder 1] van dit ontslag opgave gedaan aan de Kamer van Koophandel en gepoogd de drie stichtingen in te schrijven als nieuwe bestuurders. De Kamer van Koophandel heeft geweigerd de opgave te verwerken, omdat zij gelet op de aard van het verstekvonnis, de historie in het dossier van de Stichting ISMW en de omstandigheid dat deze verzoekschriftprocedure aanhangig was,

“gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgaaf alsmede de bevoegdheid van de aangevers”.

2.34.

Op 24 januari 2017 heeft mr. Hennis namens de Stichting ISMW verzet ingesteld tegen het verstekvonnis. Op 31 januari 2017 hebben [verzoekers gezamenlijk] (althans heeft mr. Hennis namens [verzoekers gezamenlijk] ) derdenverzet ingesteld tegen het verstekvonnis. De procedures hebben de volgende zaak- en rolnummers: C/13/623378 / HA ZA 17-137 respectievelijk C/13/623555 / HA ZA 17-148 (deze procedures zijn gevoegd en worden hierna gezamenlijk de verzetprocedure genoemd). In de verzetprocedure is een comparitie van partijen bepaald op 23 oktober 2017.

3 Het verzoek

3.1.

Verzoekers verzoeken voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in de hoofdzaak
[verweerder 1] met onmiddellijke ingang als bestuurder van de Stichting ISMW te ontslaan, met veroordeling van [verweerder 1] in de kosten;

in de voorlopige voorziening

I. [verweerder 1] en – voor zover vereist – de drie stichtingen voor de duur van het geding (of totdat de beslissing in de verzetprocedure in kracht van gewijsde is gegaan) te schorsen als bestuurders;
II. [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] – voor zover vereist – voor de duur van het geding (of totdat de beslissing in de verzetprocedure in kracht van gewijsde is gegaan) te benoemen als bestuurders van de stichting ISMW, in de rollen van voorzitter, secretaris, respectievelijk penningmeester,

een en ander met veroordeling van [verweerder 1] in de kosten.

3.2.

Aan deze verzoeken leggen verzoekers – kort gezegd – het volgende ten grondslag.

De handelwijze van [verweerder 1] bij de totstandkoming van het verstekvonnis is evident in strijd met de door artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek (BW) vereiste redelijkheid en billijkheid tegenover de overige bestuurders van de Stichting ISMW ( [verzoekers gezamenlijk] ) en in strijd met zijn wettelijke verplichting om zich tegenover de stichting behoorlijk van zijn bestuurstaak te kwijten (artikel 2:9 BW).

Voorts heeft [verweerder 1] bij de vervulling van zijn bestuurstaak in strijd met de statuten gehandeld. Hij heeft in strijd met de statuten het pand aan de [straat] verhuurd via de drie stichtingen. Voorts heeft hij gehandeld in strijd met artikel 8 van de statuten waar is bepaald dat de Stichting ISMW in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd door twee bestuursleden gezamenlijk.

3.3.

[verweerder 1] en de drie stichtingen voeren gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat (in ieder geval) sinds het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 augustus 2014, waartegen geen beroep in cassatie is ingesteld (zie hiervoor onder 2.19) vaststaat dat op dat moment
- [verweerder 1] (verweerder sub 1);
- [verzoeker 4] (verzoeker sub 4);
- [verzoeker 2] (verzoeker sub 2); en
- [verzoeker 3] (verzoeker sub 3)

lid waren van het bestuur van de Stichting ISMW.

4.2.

Verweerders stellen zich op het standpunt dat het verzoekschrift niet rechtsgeldig (ook) namens de Stichting ISMW is ingediend en dat het (voor zover nodig) namens de Stichting ISMW is ingetrokken door mr. Berendsen bij brief van 18 januari 2017. Of dit standpunt juist is, kan (voorlopig) in het midden blijven. Het verzoek van de andere drie verzoekers, drie (voormalige) bestuurders, is in ieder geval ontvankelijk. Dat [verzoekers gezamenlijk] belanghebbenden zijn wordt (terecht) niet betwist want niet in geschil is dat [verzoekers gezamenlijk] bestuurders van de Stichting ISMW zijn geweest en ten tijde van het indienen verzoekschrift zelfs nog als bestuurders stonden ingeschreven in het handelsregister (hiervoor onder 2.5). Deze inschrijving was ook terecht, want, zoals hiervoor is overwogen, waren zij (in ieder geval) sinds 26 augustus 2014 bestuurder van de Stichting ISMW en verweerders hebben niet gesteld dat vóór indiening van het verzoekschrift op 10 januari 2017 een besluit tot ontslag was genomen, althans stukken waaruit van een eerder (rechtsgeldig) besluit zou blijken, zijn niet in het geding gebracht (vgl. Hoge Raad 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290). Dit betekent dat het verzoek in ieder geval inhoudelijk kan worden behandeld.

4.3.

De rechtbank kan op grond van artikel 2:298 BW een bestuurder van een stichting ontslaan. Artikel 2:298 BW noemt drie gronden voor ontslag:

(i) handelen in strijd met de wet;

(ii) doen of nalaten in strijd met de statuten;

(iii) wanbeheer.

In algemene zin kan over deze ontslaggronden – voor zover van de beoordeling van belang – het volgende worden opgemerkt.

Ad (i) Met de term ‘strijd met de wet’ heeft de wetgever bedoeld dat het moet gaan om handelen in strijd met wetsbepalingen die voor de stichting in het algemeen van belang zijn; dat wil zeggen het samenstel van alle regels waardoor de stichting en haar bestuurders worden beheerst (waaronder begrepen in ieder geval de relevante bepalingen van Boek 2 BW).

Ad (ii) Een bestuurder wiens bestuurdersgedrag onverenigbaar is met hetgeen naar de bepalingen van (de wet of van) de statuten van een behoorlijk bestuurder mag worden geëist, kan door de rechter worden ontslagen.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat [verweerder 1] heeft gehandeld in strijd met de statuten van de Stichting ISMW en in strijd met de wet (artikelen 2:8 en 2:9 BW). Hiertoe wordt het volgende overwogen. Krachtens de statuten is [verweerder 1] niet bevoegd op eigen houtje te handelen (zie artikel 5 en artikel 10 van de statuten). Dat is wel wat hij in 2011 en eind 2016 heeft gedaan. In april 2011 heeft hij, terwijl de procedure bij deze rechtbank over de vraag wie de bestuurders van de Stichting ISMW waren (zie hiervoor onder 2.15) nog liep (en – deels – vlak voordat vonnis zou worden gewezen), het volgende gedaan:

- een hypotheek verstrekt namens de Stichting ISMW (zie hiervoor onder 2.11);

- een besluit tot statutenwijziging genomen (zie hiervoor onder 2.12);

- namens de Stichting ISMW gebruiksovereenkomsten getekend met de drie stichtingen (zie hiervoor onder 2.12),

zonder [verzoekers gezamenlijk] hiervan op de hoogte te stellen.

4.5.

Door op eigen houtje namens de Stichting ISMW te handelen zoals hij heeft gedaan heeft [verweerder 1] evident gehandeld in strijd met de statuten. Volgens de statuten is hij immers niet zelfstandig bevoegd namens de stichting besluiten te nemen en te handelen en hij wist (althans behoorde te weten) dat [verzoekers gezamenlijk] op het moment dat hij dit alles deed zijn medebestuurders waren. Het vonnis van deze rechtbank van 23 september 2009 heeft gezag van gewijsde (zie hiervoor onder 2.8). Met dat vonnis stond vast dat het bestuur van de Stichting ISMW tussen juli 2000 en november 2000 bestond uit [verweerder 1] en [verzoekers gezamenlijk] Dit betekent dat [verweerder 1] vanaf 23 september 2009 wist dat hij samen met deze drie heren in die periode het bestuur van de Stichting ISMW vormde en dat de samenstelling van het bestuur dus sinds (eind) november 2000 alleen (rechtsgeldig) gewijzigd had kunnen worden door een bestuursbesluit (van deze vier heren, althans een besluit waarvan zij alle vier op de hoogte waren (zie artikel 10 lid 2 van de statuten)). In het licht van r.ov. 3.6.4. van het arrest van het hof (zie hiervoor onder 2.19) moet zelfs worden aangenomen dat de vier heren ook samen geen rechtsgeldige besluiten konden nemen zonder eerst een vijfde bestuurslid te benoemen. Een besluit tot (aanvulling en) wijziging van het bestuur is er niet. Het verweer van [verweerder 1] – dat hij op 18 april 2011 er vanuit moest en mocht gaan dat het bestuur van de Stichting ISMW werd gevormd door hem, [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , en dat zij gezamenlijk rechtsgeldig tot statutenwijziging konden besluiten (omdat zij als bestuurders waren ingeschreven in het handelsregister) – gaat niet op. In het door [verweerder 1] in het geding gebrachte uittreksel uit het handelsregister van 19 april 2011 staat weliswaar vermeld dat naast hem [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] bestuurder zijn van de Stichting ISMW, maar [verweerder 1] mocht op de juistheid van deze inschrijving – anders dan hij betoogt – niet vertrouwen. Onduidelijk is hoe de inschrijving van deze ‘bestuurders’ – die volgens het uittreksel in functie zouden zijn getreden in november en december 2000 en januari 2001) – tot stand is gekomen. [verweerder 1] heeft immers geen bestuursbesluit in het geding gebracht, waaruit blijkt dat het bestuur sinds (eind) november 2000 rechtsgeldig is gewijzigd (zie ook r.ov. 3.6.4. van het arrest van het hof, hiervoor onder 2.19).

4.6.

Door [verzoekers gezamenlijk] bewust buiten dit alles te houden heeft [verweerder 1] ook gehandeld in strijd met de wet (artikelen 2:8 en 2:9 BW): een behoorlijk bestuurder hoort zijn medebestuurders te informeren.

4.7.

Voorts heeft [verweerder 1] eind 2016 besloten namens de Stichting ISMW geen verweer te voeren tegen de vorderingen van de drie stichtingen die tot het verstekvonnis hebben geleid en om geen verzet aan te tekenen tegen het verstekvonnis. Dit alles wederom zonder [verzoekers gezamenlijk] hierin te kennen. Deze beslissingen zijn bovendien onbegrijpelijk want [verweerder 1] had – mede in het licht van het arrest van het hof van 26 augustus 2014 en de recente uitspraak van het CBB van 22 september 2016 van luttele dagen daarvoor (zie hiervoor onder 2.23) – geen enkele grond om aan te (mogen) nemen dat de drie stichtingen gelijk hadden. Hij wist dat zij geen bestuurders van de Stichting ISMW waren. Dat vermeende bestuurderschap berustte immers op de door hem onbevoegdelijk gewijzigde statuten en de door hem onbevoegdelijk namens de Stichting ISMW ondertekende gebruiksovereenkomsten. Ook door aldus te handelen heeft [verweerder 1] evident gehandeld in strijd met de statuten en de wet.

4.8.

Dit alles betekent dat er voldoende gronden zijn om [verweerder 1] als bestuurder te schorsen en mogelijk ook te ontslaan, zodat de overige daarvoor door [verzoekers gezamenlijk] aangevoerde gronden geen bespreking behoeven.

4.9.

Uit al het voorgaande volgt tevens dat minst genomen twijfelachtig is of de drie stichtingen ooit rechtsgeldig bestuurder van de Stichting ISMW zijn geworden, maar dat over hun positie geen zekerheid bestaat totdat in de verzetprocedure onherroepelijk is beslist.

4.10.

Uit al het voorgaande volgt tevens dat vooralsnog moet worden aangenomen dat [verzoekers gezamenlijk] nog steeds bestuurder van de Stichting ISMW zijn. Verzoekers hebben weliswaar de notulen van de vergadering van 10 januari 2017 (zie hiervoor onder 2.33) in het geding gebracht waarin is vastgelegd dat [verzoekers gezamenlijk] tijdens die vergadering als bestuurders zijn ontslagen, maar [verweerder 1] en de drie stichtingen hebben in deze procedure geen gevolgen verbonden aan dat besluit en [verzoekers gezamenlijk] betwisten de rechtsgeldigheid ervan. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, kan niet zonder meer worden aangenomen dat tijdens die vergadering op 10 januari 2017 een rechtsgeldig besluit tot ontslag is genomen. De kwestie van de rechtsgeldigheid van dat besluit lag in deze procedure bovendien niet voor en het debat daarover heeft dan ook nog niet plaatsgevonden.

4.11.

Thans ligt de vraag voor wat dit alles betekent voor de verzoeken in deze procedure. In artikel 2:298 lid 2 BW is bepaald dat de rechtbank hangende het onderzoek (in het kader van het eerste lid: ontslag van de bestuurder) voorlopige voorzieningen in het bestuur kan treffen en de bestuurder kan schorsen. De subsidiaire verzoeken zien daaraan voorbij waar zij voorzieningen beogen totdat de beslissing in de verzetprocedure in kracht van gewijsde is gegaan. De verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen kunnen ook niet worden toegewezen als de rechtbank thans (ten gronde) beslist [verweerder 1] te ontslaan.

4.12.

Omdat de rechtbank van oordeel is dat de vraag wie thans het bestuur van de Stichting ISMW vormen (deels) eerst kan en zal moeten worden beoordeeld in de verzetprocedure, acht zij het – mede in het licht van de jarenlange strijd die over deze kwestie al tussen partijen wordt gevoerd – niet opportuun om op dit moment enige definitieve beslissing te nemen. Dit betekent dat [verweerder 1] op dit moment (slechts) zal worden geschorst.

4.13.

Omdat, zoals hiervoor onder 4.9 is overwogen, er minst genomen twijfel over bestaat of de drie stichtingen rechtsgeldig tot bestuurder zijn benoemd en juist die vraag voorligt in de verzetprocedure, ziet de rechtbank aanleiding ook de drie stichtingen te schorsen. Voor deze (tijdelijke) maatregel is – anders dan verweerders lijken te betogen – niet vereist dat (de rechtbank oordeelt dat) de drie stichtingen iets ‘fout’ hebben gedaan (hebben gehandeld in strijd met de wet of de statuten of wanbeheer hebben gepleegd).

4.14.

Ten aanzien van [verzoekers gezamenlijk] zal de rechtbank vooralsnog de status quo handhaven. Ten aanzien van de vraag of zij (nog) bestuurder zijn krijgen [verzoekers gezamenlijk] van de rechtbank in het licht van de voorgeschiedenis vooralsnog het voordeel van de twijfel. Gezien de over de bestuurssamenstelling (ook bij de Kamer van Koophandel) ontstane verwarring hebben [verzoekers gezamenlijk] en de Stichting ISMW er belang bij dat [verzoekers gezamenlijk] (zoals verzocht) – voor zover vereist – worden (her)benoemd tot bestuurder. Het verzoek hen bij wijze van voorlopige voorziening te benoemen als bestuurders van de Stichting ISMW, in de rollen van voorzitter, secretaris, respectievelijk penningmeester, zal dan ook worden toegewezen.

4.15.

Deze voorlopige voorzieningen zijn tijdelijke maatregelen. In deze procedure is niet de vraag aan de orde wie thans de bestuurders van de Stichting ISMW zijn. Die vraag kan en zal eerst (deels) in de verzetprocedure worden beoordeeld. Dit betekent dat [verzoekers gezamenlijk] krachtens deze beschikking slechts tijdelijk tot bestuurder van de Stichting ISMW zijn benoemd en als zodanig van hun bevoegdheden als bestuurder terughoudend gebruik moeten maken. Zij moeten “op de winkel passen” en in beginsel geen beslissingen nemen die onomkeerbare gevolgen hebben.

4.16.

De rechtbank zal de zaak aanhouden tot na de comparitie van partijen in de verzetprocedure. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de (interne) rekestenrol van donderdag 16 november 2017 voor uitlating partijen over het verzoek ten gronde. Indien partijen daartoe aanleiding zien, kunnen zij ook op een eerdere datum bij akte (gemotiveerd) aan de rechtbank kenbaar maken dat de behandeling van de zaak moet worden voortgezet (en in welke zin), waarop de rechtbank dan (gehoord partijen) zal beslissen.

4.17.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

met betrekking tot het verzoek om voorlopige voorzieningen:

5.1.

schorst [verweerder 1] , hangende het onderzoek en tot nader order, met onmiddellijke ingang als bestuurder van de Stichting ISMW,

5.2.

schorst – voor zover vereist – Stichting Felicity, Stichting Sapientia en Stichting ’t Kinderhartje, hangende het onderzoek en tot nader order, met onmiddellijke ingang als bestuurders van de Stichting ISMW,

5.3.

benoemt – voor zover vereist – [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] , hangende het onderzoek en tot nader order, met onmiddellijke ingang als bestuurders van de Stichting ISMW, als volgt:

  • -

    [verzoeker 2] : voorzitter;

  • -

    [verzoeker 3] : secretaris;

  • -

    [verzoeker 4] : penningmeester,

5.4.

verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

verstaat dat deze beslissingen dienen te worden ingeschreven in het handelsregister,

met betrekking tot het verzoek ten gronde:

5.6.

verwijst de zaak naar de (interne) rekestenrol van donderdag 16 november 2017 voor uitlating partijen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2017.