Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:281

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
C/13/619586 / KG ZA 16-1429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Anders dan een beschermingsbewindvoerder hoeft een WNSP-bewindvoerder niet in rechte te worden betrokken in geval van een ontruimingsvordering.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 284
Faillissementswet 285
Faillissementswet 286
Faillissementswet 287
Faillissementswet 287a
Faillissementswet 287b
Faillissementswet 288
Faillissementswet 289
Faillissementswet 290
Faillissementswet 291
Faillissementswet 292
Faillissementswet 293
Faillissementswet 294
Faillissementswet 294a
Faillissementswet 294b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2017/2 met annotatie van M. Scheeper
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/619586 / KG ZA 16-1429 CB/EB

Vonnis in kort geding van 11 januari 2017

in de zaak van

[De verhuurder]

,

gevestigd te [vestigingsplaats verhuurder] ,

eiseres bij gelijkluidende dagvaardingen van 5 en 6 december 2016,

advocaat mr. J. Groenewoud te Amsterdam,

tegen

1 [De huurder] ,

wonende te [woonplaats huurder] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INSOLVENTIE FLEVOLAND, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van gedaagde 1,

3. HEN DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN, GELEGEN TE [adres woning huurder],

gedaagden,

niet verschenen.

Eiseres zal hierna [De verhuurder] worden genoemd en gedaagden 1 en 2 ook wel respectievelijk [De huurder] en de bewindvoerder.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 20 december 2016 heeft [De verhuurder] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met producties. Gedaagden zijn niet verschenen. De bewindvoerder heeft bij brief van mr. M.P.J. Appelman van 19 december 2016 laten weten dat zij haars inziens onterecht is gedagvaard met een vordering die niet toewijsbaar is, dat [De verhuurder] de vordering tegen haar niet heeft willen intrekken of wijzigen en dat zij omwille van de kosten niet op de zitting aanwezig zal zijn. [De huurder] heeft kort voor de zitting telefonisch contact opgenomen met de griffie van de voorzieningenrechter en meegedeeld dat zij wegens ziekte niet in staat was naar de zitting te komen. [De verhuurder] heeft verzocht vonnis te wijzen. Met [De verhuurder] is besproken dat op

11 januari 2017 vonnis zal worden gewezen en dat dit vonnis mogelijk, afhankelijk van het antwoord op de vraag of de bewindvoerder als de formele procespartij moet worden aangemerkt, een tussenvonnis zal zijn.

Ter zitting waren aan de zijde van [De verhuurder] aanwezig A.M.P. van der Hooft (medewerker woonfraude) en mr. Groenewoud.

2 De feiten

2.1.

Met ingang van 11 oktober 1999 huurt [De huurder] (toen nog [voormalige achternaam huurder] geheten) van [De verhuurder] de woning aan het adres [adres woning huurder] (hierna: de woning). De huurovereenkomst is ondertekend door [De huurder] zelf.

2.2.

Op [De huurder] is de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen van artikel 284 e.v. Faillissementswet (Wsnp) van toepassing verklaard. Gedaagde 2 is aangewezen als haar bewindvoerder.

2.3.

Naar aanleiding van meldingen van omwonenden van woonfraude hebben medewerkers van [De verhuurder] op 18 oktober 2016 gesproken met de onderbuurvrouw van [De huurder] , woonachtig aan het [adres buurvrouw]. In het door [De verhuurder] opgestelde gespreksverslag staat dat deze onderbuurvrouw heeft verklaard dat in de woning mensen verblijven die Spaans of Portugees spreken en van Zuid-Amerikaanse, mogelijk Braziliaanse, afkomst zijn. In het verslag staat dat de onderbuurvrouw regelmatig een vrouw met, waarschijnlijk, haar zoon bij de woning ziet.

2.4.

Later diezelfde dag hebben medewerkers van [De verhuurder] bij een onaangekondigd huisbezoek een vrouw van een jaar of 40/45, niet zijnde [De huurder] , in de woning aangetroffen. Zij antwoordde blijkens het door [De verhuurder] opgestelde gespreksverslag ontkennend (“no, no”) op de vragen of zij de (hoofd)huurder van het gehuurde was en of ze in het gehuurde woont.

2.5.

[De huurder] is uitgenodigd om op 25 oktober 2016 op het kantoor van [De verhuurder] uitleg te geven over de bevindingen van [De verhuurder] . Op die uitnodiging is [De huurder] niet verschenen.

2.6.

Op 26 oktober 2016 hebben medewerkers van [De verhuurder] gesproken met de buurvrouw van [De huurder] van nummer 28 (de woning tegenover die van [De huurder] ). Van het gesprek met deze Spaanstalige buurvrouw, die moeizaam Nederlands en Engels spreekt, heeft [De verhuurder] een verslag opgesteld. Daarin staat, kort gezegd, dat [De huurder] , die bekend is bij de buurvrouw, de woning al jaren onderverhuurt en dat er momenteel Spaanstalige mensen wonen (een man, vrouw, baby en nog een kind). In het verslag staat dat de buurvrouw [De huurder] ongeveer één keer per maand ziet langskomen en dat de buurvrouw denkt dat [De huurder] in Duitsland verblijft.

2.7.

Op 2 november 2016 is [De huurder] verschenen op een tweede uitnodiging van [De verhuurder] . In het van dat gesprek opgemaakte verslag staat onder meer het volgende:

“Mevrouw vertelt dat zij erg alleen is en geen vrienden en kennissen in de buurt heeft. Hierdoor verblijft zij vaak bij mensen van de kerk in [buurt kerk]. Vrienden willen niet altijd naar haar toe komen omdat zij [buurt woning] te ver weg vinden en de buurt niet prettig vinden. (…) Er verblijven ook wel eens mensen bij haar in de woning omdat zij het niet prettig vindt om alleen te zijn.

Hierna werd het gesprek nogal warrig. Mevrouw zegt psychische problemen te hebben maar hiervoor geen medicijnen te willen gebruiken. Zij zegt dat ze achtervolgd wordt door mensen en een brief heeft geschreven aan de Amerikaanse President. (…)”

2.8.

[De verhuurder] heeft [De huurder] gesommeerd de huurovereenkomst op te zeggen. Aan die sommatie heeft [De huurder] geen gevolg gegeven.

2.9.

Op 22 november 2016 heeft [De huurder] een brief aan [De verhuurder] geschreven, waarin zij uitlegt dat zij de huur niet wil opzeggen omdat zij de woning niet heeft onderverhuurd. [De huurder] schrijft in deze brief dat de personen die in de woning zijn aangetroffen, vrienden zijn van een vriend van haar die momenteel in Brazilië leeft. Deze brief bevat veel passages die wijzen in de richting van ernstige verwardheid bij [De huurder] .

3 De beoordeling

3.1.

[De verhuurder] heeft gevraagd verstek te verlenen tegen de niet verschenen gedaagden. Gedaagden zijn op juiste wijze gedagvaard maar zijn, om verschillende redenen, niet verschenen. Op de vraag of het gevraagde verstek kan worden verleend zal hierna worden ingegaan.

3.2.

De bescherming van een onder bewind gestelde dient niet verder te strekken dan noodzakelijk is. Door de toepassing van de Wsnp-schuldsaneringsregeling is [De huurder] niet volledig handelingsonbekwaam geworden, maar slechts onbevoegd om beheershandelingen te verrichten of zonder medewerking van de bewindvoerder of machtiging van de kantonrechter beschikkingshandelingen te verrichten ten aanzien van de onder bewind staande goederen. De door [De verhuurder] ingestelde ontruimingsvordering heeft geen vermogensrechtelijk karakter, maar ziet op de (niet financiële kant van de) verbintenisrechtelijke relatie tussen [De verhuurder] en [De huurder] . Om die reden kan de vordering tegen [De huurder] zelf worden ingesteld en was het niet nodig de bewindvoerder (eveneens) in rechte te betrekken. [De verhuurder] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tegen de bewindvoerder, met veroordeling van [De verhuurder] in de proceskosten van de bewindvoerder, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

3.3.

Het bericht van [De huurder] , kort voor de zitting, dat zij de zitting niet zou kunnen bijwonen wegens ziekte wordt opgevat als een verzoek tot aanhouding van de zitting. Daarbij dient te worden bedacht dat [De huurder] in een verwarde toestand lijkt te verkeren en ten gevolge daarvan in een kwetsbare positie. Haar belang om in rechte te kunnen reageren op de vordering is groot, omdat het behoud van haar woning op het spel staat. Het is van belang dat alle relevante informatie zoveel als mogelijk boven tafel komt. Daarom zal een voortzetting worden bepaald waarvoor [De huurder] opnieuw zal moeten worden opgeroepen. [De huurder] doet er verstandig aan een advocaat in de arm te nemen. Als het in de beslissing vermelde tijdstip hen niet schikt, kunnen [De verhuurder] en [De huurder] tot uiterlijk 24 uur voor de zitting schriftelijk en gemotiveerd een verzoek tot verplaatsing indienen, onder opgave van hun verhinderdata voor een periode van zes weken.

3.4.

Bij de dagvaarding van de onbekende gedaagden 3 zijn de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen, zodat het gevraagde verstek tegen hen zal worden verleend. De beslissing op de tegen deze gedaagden gerichte vordering zal worden aangehouden en gezamenlijk worden genomen met de beslissing op de vordering tegen [De huurder] .

3.5.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

verklaart [De verhuurder] niet-ontvankelijk in de vordering tegen de bewindvoerder,

4.2.

veroordeelt [De verhuurder] in de proceskosten van de bewindvoerder, tot op heden begroot op nihil,

4.3.

bepaalt dat de behandeling van de vordering tegen [De huurder] zal worden voortgezet op dinsdag 17 januari 2017 te 14.45 uur,

4.4.

gelast [De verhuurder] [De huurder] uiterlijk op maandag 9 januari 2017 op te roepen voor de onder 4.3 bedoelde zitting,

4.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter civiel, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2017.1

1 type: eB coll: mb