Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:267

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
AMS 16_8016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing vovo. Verzoek van dakloze om toelating tot winteropvang (algemene voorziening Wmo 2015). Verzoek afgewezen i.v.m. zelfredzaamheid verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16//8016

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2017 in de zaak tussen

[verzoeker] , zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoeker

(gemachtigde: mr. J.A.H. Blom),

en

[verweerder] , verweerder.

Procesverloop

Bij e-mailbericht van 23 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker tot

28 december 2016 toegelaten tot de opvang in Amsterdam. Na die datum kan verzoeker geen gebruik meer maken van de opvang.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de

voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure – hier de bezwaarprocedure – niet kan worden afgewacht. Hij let daarbij op de belangen van partijen, waarbij hij een afweging moet maken tussen aan de ene kant het belang van de verzoekende partij dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de ander kant de belangen bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gemachtigde van verzoeker medegedeeld dat verzoeker tot 28 december 2016 gebruik mag maken van de winteropvang, maar dat het na die datum eindigt. Verweerder legt aan dit besluit ten grondslag dat verzoeker op 23 september 2016 zelfredzaam is bevonden. Daarnaast heeft verzoeker geen binding met Amsterdam.

4. Op 27 december 2016 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Bij brief van gelijke datum heeft hij bij deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker stelt dat hij een spoedeisend belang heeft, omdat hij nu niet weet waar hij aan toe is en of hij nou wel of geen opvang zal krijgen. Weliswaar komt hij wel in aanmerking voor opvang indien de winterkouderegeling van toepassing is, maar of en wanneer die van toepassing is hoort verzoeker pas kort voordat die regeling ingaat. Door hem de winteropvang te weigeren heeft hij een onvoldoende adequate opvang. Verder heeft verweerder ook op onjuiste gronden het primaire besluit genomen. Verzoeker heeft namelijk wel voldoende binding met Amsterdam. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte beoordeeld of verzoek zelfredzaam is, omdat de winteropvang een algemene voorziening is op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

5. Op 10 januari 2016 heeft verweerder medegedeeld dat hij verhinderd is ter zitting ter verschijnen. In diezelfde brief heeft verweerder zich op het standpunt gesteld het in het onderhavige geval gaat om het toelaten van verzoeker tot de algemene voorziening winteropvang. Bij toelating tot de algemene voorzieningen worden geen besluiten uitgereikt. Zoals blijkt uit het schrijven van verzoeker heeft hij op dit moment opvang en aan deze opvang is nog geen einde gekomen. De feitelijke gang van zaken rond de winteropvang zoals beschreven op pagina 3 (van het aanvullende beroepschrift: toevoeging rechtbank) is juist: wordt men toegelaten, dan is en blijft men toegelaten totdat anders wordt beslist.

6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

7. Verzoeker was woonachtig in [woonplaats] en is na een scheiding en een huisontruiming in juni 2016 dakloos geworden. Hij is naar Amsterdam gekomen omdat hij naar zijn zeggen daar meer sociale contacten heeft en ook zijn kans op werk groter acht. Op 23 september 2016 heeft hij zich tot verweerder gewend om tot de maatschappelijke opvang te worden toegelaten. Er heeft toen een screening plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan is negatief beslist, omdat verzoeker voldoende zelfredzaam is geacht. Dit is neergelegd in een beschikking van 23 september 2016, welke eiser is uitgereikt tijdens het spreekuur van 23 september 2016.

8. Vanaf 1 december 2016 is de winteropvang geopend. Deze voorziening is tot 1 april 2017, ongeacht de buitentemperatuur, zeven dagen per week geopend. De opvang is dagelijks vanaf 17.30 uur open, waarna de gebruikers de opvang uiterlijk om 09.30 uur de volgende dag verlaten. Verzoeker heeft zich in december voor de winteropvang in de [adres] gemeld en is toegelaten. Bij brief van 19 december 2016 heeft verzoeker verweerder schriftelijk meegedeeld dat hij van de winteropvang gebruik wil blijven maken, omdat hij naar zijn oordeel in de categorie 2 van het screeningsprofiel valt en bovendien een binding met Amsterdam heeft. Ter zitting heeft verzoeker ter illustratie van zijn binding met Amsterdam meegedeeld dat hij inmiddels in de gemeente Amsterdam staat ingeschreven en dat aan hem door de gemeente Amsterdam als dakloze een uitkering ingevolge de Participatiewet is toegekend.

9. In het e-mailbericht van 23 december 2016 heeft verweerder medegedeeld dat de opvang voor verzoeker eindigt op 28 december 2016. Verweerder heeft in de brief van 10 januari 2017 de vraag opgeworpen of sprake is van een besluit omdat bij het toelaten tot een algemene voorziening geen besluiten worden uitgereikt. De omstandigheid dat aan het toelaten van mensen tot een algemene voorziening in het algemeen geen schriftelijke beschikking voorafgaat, maakt echter niet dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 15 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM3583) en 26 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3834) blijkt dat de toelating van tot de maatschappelijke opvang als een besluit op grond van de Wmo kan worden aangemerkt, ook als het algemene voorzieningen betreft. Naar voorlopig oordeel is dan ook de schriftelijke vastlegging van de mededeling om een persoon niet (langer) toe te laten tot een opvangvoorziening een besluit op grond van de Wmo 2015 en staat daartegen bezwaar en beroep open.

10. Aan de orde is de vraag of in de e-mail van 23 december 2016 terecht is meegedeeld dat verzoeker niet langer toegang heeft tot de winteropvangregeling omdat hij voldoende zelfredzaam is. Verzoeker heeft ter zitting betoogd dat zelfredzaamheid voor een algemene voorziening als de onderhavige winteropvang geen rol mag spelen. De voorzieningenrechter onderschrijft dit niet. Het begrip zelfredzaamheid is gedefinieerd in artikel 1.1.1., eerste lid van de Wmo 2015. Uit de uitspraak van de Raad van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1404), en met name rechtsoverwegingen 4.2. en 4.5.3., leidt de voorzieningenrechter af dat het in de Wmo 2015 neergelegde algemene uitgangspunt is dat gemeenten burgers slechts ondersteuning bieden als dat nodig is en dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en voor hun participatie. De betrokkene moet eerst bezien in hoeverre hij zelf en zijn directe omgeving een bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van de eigen situatie. Dat is gelet op genoemde uitspraak ook het geval bij het recht op een algemene voorziening. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat bij de beoordeling of recht bestaat op toelating tot de winteropvang het criterium zelfredzaamheid een rol speelt.

11. Verzoeker heeft betoogd dat hij niet zelfredzaam is en is aangewezen op de winteropvang. De e-mail van 23 december 2016 bevat hieromtrent geen enkele motivering, anders dan dat wordt verwezen naar de eerdere screening van september 2016. De voorzieningenrechter acht deze motivering ontoereikend en het onderzoek onvoldoende onzorgvuldig. Voor een dakloze als verzoeker kan de situatie in twee maanden snel veranderen en is toelating tot een algemene voorziening als de winteropvang in veel gevallen een laatste redmiddel. Het niet (langer) toelaten tot die voorziening eist dus een zorgvuldig onderzoek en een toereikende – op de situatie toegespitste – motivering. Mede gelet op verzoekers brief van 19 december 2016, zal het primaire besluit in bezwaar niet in stand kunnen blijven en zal verweerder in de bezwaarfase een zorgvuldig onderzoek moeten verrichten naar de zelfredzaamheid van verzoeker en deugdelijk moeten motivering waarom het recht op winteropvang niet langer bestaat.

12. Het voorgaande leidt echter niet tot het treffen van een voorlopige voorziening. Uit het schrijven van verweerder van 10 januari 2017 blijkt dat de winteropvang van verzoeker feitelijk niet is beëindigd. Verzoeker heeft ter zitting ook verklaard dat hij zelf nog diverse malen tot de opvang is toegelaten als hij er niet in slaagt ergens anders te overnachten. Gelet op deze gang van zaken, in combinatie met de niet betwiste mededeling van verweerder dat wanneer iemand eenmaal is toegelaten tot een algemene voorziening van die voorziening gebruik kan blijven maken tot anders wordt beslist, maakt dat reeds hierom onvoldoende grond bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dat het voor verzoeker af en toe onduidelijk is of hij tot de opvang wordt toegelaten, maakt het voorgaande niet anders. Feit blijft dat hij tot op heden altijd gebruik heeft kunnen maken van de opvang.

13. Het voorgaande brengt verder met zich dat niet kan worden ingezien waarom verzoeker de behandeling van zijn bezwaarschrift niet kan afwachten. In de beslissing op bezwaar kan vervolgens nader worden ingegaan op hetgeen hieronder onder 11. is overwogen.

14. Nu er (nog) geen onverwijlde spoed is voor het treffen van een voorlopige voorziening, zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen.

15. Voor veroordeling van verweerder in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Wal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 januari 2017.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.