Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2609

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-04-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
C/13/625500 / KG ZA 17-299
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing executoriaal beslag op een pand wordt wegens misbruik van recht toegewezen; de verkoopopbrengst komt geheel toe aan de bank en biedt de beslaglegger geen verhaal.

Vordering tot informatieverstrekking over woon-en verblijfplaats en overige, vooral financiële omstandigheden is ook toewijsbaar en de Nederlandse rechter is bevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/625500 / KG ZA 17-299 CB/DP

Vonnis in kort geding van 20 april 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats]

eiser in conventie bij dagvaarding van 24 maart 2017,

verweerder in reconventie

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie bij dagvaarding van 24 maart 2017,

advocaten mrs. R.A.W.J. van Eijck en M.C. Luiten te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

zonder bekende woon-/verblijfplaats,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. G.C. Haulussy te Rotterdam.

Eisers in conventie zullen hierna gezamenlijk [eisers] worden genoemd, en afzonderlijk [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Gedaagde in conventie zal hierna [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 6 april 2017 heeft [eisers] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen en vervolgens in reconventie gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte brief van 4 april 2017. [eisers] heeft de vordering in reconventie bestreden. Partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig

aan de zijde van [eiser sub 1] : mr. Van Eijck, mr. Luiten en [eiser sub 1] ;

aan de zijde van [gedaagde] : mr. Haulussy.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [kind 1] ;

  • -

    [kind 2] ;

hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen

2.2.

[eisers] heeft een kredietverhouding met de ABN AMRO bank. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn, onder meer, ieder eigenaar van de onverdeelde helft van een pand aan de [adres] te Amsterdam. Op 7 mei 2007 heeft [eisers] het pand bezwaard met het recht van hypotheek ten behoeve van ABN AMRO tot een bedrag van € [bedrag] . Het recht van hypotheek op het pand strekt tot zekerheid van al hetgeen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] verschuldigd zijn en/of zullen zijn aan ABN AMRO.

2.3.

Bij beschikking van 24 maart 2010 van de rechtbank te Milaan (Italië) is [eiser sub 1] veroordeeld tot betaling van een maandelijkse bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan [gedaagde] van € [bedrag] , voor zolang de kinderen bij [gedaagde] woonachtig zijn en niet in eigen levensonderhoud kunnen voorzien.

2.4.

Bij beschikking van 13 augustus 2015 van de rechtbank Amsterdam is deze veroordeling in Nederland uitvoerbaar verklaard.

2.5.

[gedaagde] heeft vervolgens wegens een volgens haar bestaande achterstand in de alimentatie, opdracht gegeven aan de gerechtsdeurwaarder tot tenuitvoerlegging van de beschikking van 24 maart 2010, waarna de gerechtsdeurwaarder op 28 september 2015 executoriaal beslag heeft gelegd op de onverdeelde helft van [eiser sub 1] van het pand.

2.6.

Op 30 januari 2017 heeft [eisers] een koopovereenkomst gesloten met [naam] ter zake van het pand. Daarbij zijn [eisers] en [naam] een koopprijs overeengekomen van € [bedrag] . Daarnaast is overeengekomen dat het pand uiterlijk op 1 mei 2017 en vrij van beslag aan [naam] zal worden geleverd.

2.7.

Op 27 januari 2017 beliep de totale vordering van ABN AMRO op [eisers] uit hoofde van de kredietrelatie een bedrag van € [bedrag] aan hoofdsom.

2.8.

[eisers] heeft [gedaagde] verzocht – onder het verlenen van inzage in de hypotheekakte en de kredietovereenkomst tussen [eisers] en ABN AMRO – het executoriaal beslag ten aanzien van het pand op te heffen. [gedaagde] heeft de opheffing van het beslag geweigerd.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eisers] vordert bij vonnis – uitvoerbaar bij voorraad –

I. primair het door [gedaagde] gelegde beslag op de onverdeelde helft van het pand op te heffen, dan wel subsidiair [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het door haar gelegde beslag op de onverdeelde helft van het pand – op straffe van verbeurte van een dwangsom – op te heffen;

II. [gedaagde] te veroordelen tot afgifte binnen vier weken na betekening van dit vonnis – op straffe van verbeurte van een dwangsom – van:

a. de belastingaangiften van de kinderen over de afgelopen vijf jaar;

b. de bankafschriften van de kinderen vanaf 1 januari 2015 tot heden;

c. de uittreksels van de gemeentelijke administratie(s) waaruit blijkt op welk(e) adres(sen) [gedaagde] en de kinderen gedurende de afgelopen vijf jaar ingeschreven hebben gestaan;

d. de huurovereenkomst(en) die betrekking hebben op de woning(en) die gedurende de afgelopen vijf jaar door [gedaagde] en/of de kinderen, al dan niet afzonderlijk van elkaar, zijn bewoond;

III. [gedaagde] te veroordelen om zich binnen vier weken na betekening van dit vonnis – op straffe van verbeurte van een dwangsom – uit te laten over haar feitelijke woon- en verblijfplaats(en) en die van de kinderen gedurende de afgelopen vijf jaar, alsook over de respectieve financiële situaties van de kinderen in die tijdsspanne, een en ander onder overlegging van (de) overigens relevante stukken in haar domein ter onderbouwing van die feitelijke uitlatingen,

een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eisers] stelt daartoe dat het recht van hypotheek op het pand strekt tot zekerheid voor al hetgeen [eisers] verschuldigd zijn en/of zullen zijn aan hypotheekhouder ABN AMRO. Op 27 januari 2017 had ABN AMRO een vordering van € [bedrag] aan hoofdsom op [eisers] De vordering van ABN AMRO overstijgt de verkoopopbrengst van het pand aanzienlijk en die opbrengst komt derhalve volledig en uitsluitend toe aan ABN AMRO als hypotheekhouder. [eisers] hebben [gedaagde] aangeboden de hypotheekakte en de kredietovereenkomst met ABN AMRO aan [gedaagde] toe te sturen. [gedaagde] heeft zonder kennis te nemen van deze documenten geweigerd het beslag op de woning op te heffen. [gedaagde] heeft geen vordering op [eiser sub 2] . Het beslag wordt derhalve gebruikt als oneigenlijk pressiemiddel en vormt een doelloze en ongerechtvaardigde belemmering voor de verkoop van het pand jegens [eiser sub 2] . De woning kan immers niet vrij van beslag worden geleverd aan de rechtsverkrijger. Daarnaast heeft [eiser sub 1] vanaf oktober 2015 al een zeer aanzienlijk bedrag aan kinderalimentatie (in totaal € [bedrag] ) aan [gedaagde] voldaan en zal ABN AMRO de registratie van de hypothecaire geldlening niet doorhalen, indien niet de volledige verkoopopbrengst aan haar toekomt. Door de weigering het beslag op te heffen maakt [gedaagde] misbruik van recht. Daarnaast is thans onduidelijk of [gedaagde] nog wel enige vordering heeft op [eiser sub 1] ter zake van de kinderalimentatie, nu zij weigert ondanks herhaalde verzoeken inzicht te geven in de levens- en financiële situatie van haar en de kinderen, terwijl deze inmiddels al volwassen zijn en dus waarschijnlijk zelf in hun levensonderhoud (kunnen) voorzien. Pas ter gelegenheid van de terechtzitting heeft [gedaagde] bij monde van haar Nederlandse advocaat meegedeeld domicilie te kiezen bij de Italiaanse advocaat die haar heeft bijgestaan bij de totstandkoming van de beschikking waarbij de kinderalimentatie is toegewezen. De vrees bestaat dat [gedaagde] (op papier) telkens een andere woonplaats zal hebben. [gedaagde] frustreert daarmee moedwillig dat [eiser sub 1] de alimentatiebeschikking in rechte kan aantasten en belemmert hem in de bewijslevering in dat kader. De aanknopingspunten ter zake van de woonsituatie van [gedaagde] en de kinderen (en hun financiële situatie) bevinden zich uitsluitend in het domein van [gedaagde] . Primair op de voet van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), subsidiair op grond van artikel 22 Rv wordt verzocht om de informatie te overleggen, aldus [eisers]

3.3.

[gedaagde] voert verweer en betoogt dat pas op het moment van levering aan de rechtsverkrijger de hoogte van de daadwerkelijke vordering van ABN AMRO komt vast te staan. Voorafgaand aan de levering is nog onduidelijk of de gehele verkoopopbrengst ten goede moet komen aan ABN AMRO. De enkele mededeling onder overlegging van de hypotheekakte en een overzicht van de opstaande vorderingen – betreffende de hoogte daarvan – is onvoldoende voor het aannemen van misbruik van recht. Er dient immers vast te staan dat de verkoopopbrengst van het pand integraal toekomt aan ABN AMRO. Van een juridische of feitelijke misslag is geen sprake. Evenmin van een noodtoestand. [gedaagde] is bereid het beslag te doen opheffen op het moment dat de notaris die is belast met de levering van het pand, aan haar meedeelt of er na betaling aan ABN AMRO nog een bedrag resteert. Dat het pand vrij van beslag dient te worden geleverd, komt voor rekening van [eisers] . Nu [gedaagde] geen vordering heeft op [eiser sub 2] is slechts beslag gelegd op de onverdeelde helft van het pand. Omdat [eiser sub 2] geen partij is in het geschil tussen [eiser sub 1] en [gedaagde] en zijn vermogensbestanddelen niet met beslag zijn bezwaard, dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voorts dient [eiser sub 1] zich te wenden tot de rechtbank te Milaan om de hoogte van de kinderalimentatie te bestrijden. [gedaagde] kiest in dat kader domicilie bij haar toenmalige advocaat in Italië. Er is geen grondslag voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter om afgifte van de gevorderde bescheiden te gelasten. Ook niet indien deze gestoeld is op artikel 843a Rv. Ingevolge artikel 8 van de Alimentatieverordening komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe. Daarnaast zou toewijzing van de vordering op dit punt neerkomen op een verkapte inhoudelijke toetsing c.q. onderzoek naar de juistheid van de alimentatiebeschikking, hetgeen is verboden. [eiser sub 1] heeft niet eerder verzocht om afgifte van de bescheiden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 augustus 2015 uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

4.2.

[gedaagde] stelt daartoe dat zij een opeisbare vordering heeft op [eiser sub 1] ter zake van achterstallige kinderalimentatie. [gedaagde] heeft een reeks executiemaatregelen genomen die niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Nu [eiser sub 1] niet vrijwillig voldoet aan de vordering heeft [gedaagde] een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, aldus [gedaagde] .

4.3.

[eiser sub 1] betwist de vordering en voert daartoe aan dat hij vanaf oktober 2015 een zeer aanzienlijk bedrag aan kinderalimentatie (van in totaal € [bedrag] ) aan [gedaagde] heeft voldaan. [gedaagde] heeft dan ook geen spoedeisend belang bij haar vordering. Daarnaast bestaat er geen noodzaak voor het opleggen van lijfsdwang, aangezien dat een uiterste maatregel is. Er is geen vrees dat [eiser sub 1] op korte termijn zijn betalingen zal staken. Deze betalingen zijn bovendien toereikend voor [gedaagde] om te voorzien in het levensonderhoud van de kinderen. Het belang van [eiser sub 1] bij niet toepassen van lijfsdwang weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] . Daarnaast is thans onduidelijk of [gedaagde] nog wel enige vordering heeft op [eiser sub 1] ter zake van de kinderalimentatie, nu zij weigert ondanks herhaalde verzoeken inzicht te geven over de levens- en financiële situatie van haar en de kinderen, aldus [eiser sub 1]

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

Rechtsmacht

5.1.

Partijen twisten over de vraag of de voorzieningenrechter in dit geval rechtsmacht toekomt met betrekking tot het onder II en III gevorderde door [eisers]

5.2.

Vooropgesteld wordt dat geschillen die in verband met een executie rijzen, worden gebracht voor de rechtbank die naar de gewone regels bevoegd zou zijn of in welker rechtsgebied de inbeslagneming plaatsvindt, zich een of meer van de betrokken zaken bevinden of de executie zal geschieden.

5.3.

Niet in geschil is dat het pand waarop executoriaal beslag is gelegd zich in Amsterdam bevindt, zodat de voorzieningenrechter van deze rechtbank ingevolge artikel 438 Rv bevoegd is kennis te nemen van hetgeen door [eisers] onder I wordt gevorderd.

5.4.

Ten aanzien van [eiser sub 1] wordt overwogen dat – mede gelet op de weerspreking van de enkele niet onderbouwde stelling van [gedaagde] dat [eiser sub 1] op de hoogte is – niet aannemelijk is dat [eiser sub 1] bekend zou zijn met de daadwerkelijke woon-/verblijfplaats van [gedaagde] en de kinderen. Niet weersproken is dat [eiser sub 1] , zoals hij ter zitting heeft verklaard, al vele keren tevergeefs aan [gedaagde] en aan de kinderen heeft verzocht om hun verblijfplaats bekend te maken. [gedaagde] heeft in de onderhavige procedure en bij de beslaglegging domicilie gekozen bij respectievelijk haar Nederlandse advocaat en bij de deurwaarder. [gedaagde] heeft voor het eerst ter zitting ten aanzien van de alimentatiebeschikking laten verklaren domicilie te hebben gekozen bij haar toenmalige advocaat in Italië, hetgeen overigens niet door dié advocaat is bevestigd. Aldus heeft zij – door steeds slechts een afgeleide woonplaats te kiezen – naar het oordeel van de voorzieningenrechter er geen blijk gegeven dat zij voornemens is om informatie te verstrekken aan [eisers] over haar werkelijke woon-/verblijfplaats. Ook is de informatie omtrent de domiciliekeuze in Italië op dit moment niet geverifieerd of verifieerbaar. Dit is pas het eerste moment dat zij deze informatie aan [eisers] kenbaar heeft gemaakt. Bovendien kan [gedaagde] zonder enige beperking telkens een nieuwe (afgeleide) woonplaats kiezen. [gedaagde] lijkt zich dan ook bewust onvindbaar te willen houden.

5.5.

Bij gebreke van enige andere thans aan te wijzen bevoegde rechter en gelet op de samenhang van het door [eiser sub 1] onder II en III gevorderde met het onder I gevorderde acht de voorzieningenrechter zich ook bevoegd met betrekking tot deze vorderingen. [eiser sub 1] tracht immers te achterhalen of hij nog langer gehouden is om kinderalimentatie aan [gedaagde] af te dragen en daarmee of en in hoeverre de beslagen gegrond zijn. Vooralsnog is niet aannemelijk dat de vordering, zoals [gedaagde] stelt, ook is bedoeld om de beschikking die aan de beslagen ten grondslag ligt aan te tasten. [eisers] baseert zijn vordering immers op artikel 843a Rv, welk artikel er slechts toe strekt om in het kader van bewijslevering die gegevens en informatie te verzamelen die zich uitsluitend in het domein van [gedaagde] bevinden.

Toepasselijk recht

5.6.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.4. en 5.5 is overwogen zal de voorzieningenrechter Nederlands recht toepassen ten aanzien van hetgeen [eisers] onder II en III heeft gevorderd.

Ontvankelijkheid

5.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat het pand op 1 mei 2017 vrij van beslag aan [naam] geleverd dient te worden. Vanwege het door [gedaagde] gelegde beslag op de onverdeelde helft van [eiser sub 1] van het pand kan [eiser sub 2] evenmin voldoen aan de op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst jegens [naam] ter zake van het pand. [eiser sub 2] kan dan ook in zijn vordering, zoals onder I opgenomen, worden ontvangen. Ten aanzien van het onder II en III gevorderde geldt dat [eiser sub 2] wegens een gebrek aan belang daarin niet ontvankelijk is.

5.8.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, lenen die zich verder voor een gezamenlijke behandeling.

Opheffing beslag

5.9.

Bij de beoordeling van dit executiegeschil is uitgangspunt de beschikking van 24 maart 2010 van de rechtbank te Milaan (Italië), waarin [eiser sub 1] is veroordeeld tot betaling van een bijdrage in de verzorging en opvoeding van kinderen van € [bedrag] per maand. Deze beschikking is in kracht van gewijsde gegaan en kan – gelet op de beschikking van 13 augustus 2015 van de rechtbank Amsterdam – ook in Nederland worden geëxecuteerd, tenzij [gedaagde] hierdoor misbruik van recht maakt.

Spoedeisend belang

5.10.

Gelet op de door [eisers] gestelde leveringsdatum van het pand aan [naam] , heeft hij een spoedeisend belang bij zijn vordering.

5.11.

[eisers] heeft onweersproken gesteld dat ABN AMRO op

27 januari 2017 een opeisbare vordering van € [bedrag] aan hoofdsom op hem en [eiser sub 2] had en dat het pand voor € [bedrag] aan [naam] is verkocht. Het recht van hypotheek op het pand strekt tot zekerheid van al hetgeen [eisers] verschuldigd is aan ABN AMRO. De vordering van ABN AMRO overstijgt de verkoopopbrengst van het pand aanzienlijk en komt daardoor uitsluitend toe aan ABN AMRO als hypotheekhouder. Dit had voldoende kenbaar kunnen zijn voor [gedaagde] , nu zij inzage kon krijgen in de hypotheekakte en de kredietovereenkomst en uit eerdere procedures ook bekend was met de schuldenpositie van in elk geval [eiser sub 1] . Dat pas op het moment bij levering de daadwerkelijke vordering van ABN AMRO op [eisers] bekend is, leidt niet tot een ander oordeel, nu door [gedaagde] is gesteld noch is gebleken van omstandigheden waaruit zij mocht afleiden dat de vordering van ABN AMRO na 27 januari 2017 aanzienlijk minder was geworden. Er blijft eenvoudigweg geen cent van de verkoopopbrengst over voor [gedaagde] . Een en ander leidt tot de slotsom dat [gedaagde] door de beslagen te handhaven, misbruik van recht maakt zodat de door [eisers] onder I primair gevorderde opheffing van het executoriale beslag wordt toegewezen.

Overlegging informatie

5.12.

Zoals hierboven onder 5.4. overwogen is de daadwerkelijke woon-/verblijfplaats van [gedaagde] en de kinderen onbekend bij [eiser sub 1] . Ditzelfde geldt voor hun financiële gegevens. Als gevolg hiervan wordt [eiser sub 1] in zijn mogelijkheden beperkt om elders een procedure aanhangig te maken ter verkrijging van de door hem gevorderde gegevens en ter aantasting van de alimentatiebeschikking. Nu de verplichting tot voldoening van de kinderalimentatie is toegewezen onder voorwaarden en [gedaagde] weigerachtig is om essentiële gegevens voor de controle daarvan aan [eiser sub 1] te verstrekken, heeft [eiser sub 1] er dan ook belang bij de verkrijging daarvan in rechte af te dwingen. [eiser sub 1] tracht immers te achterhalen of hij nog langer gehouden is om kinderalimentatie aan [gedaagde] af te dragen en daarmee of en in hoeverre de beslagen gegrond zijn. Het wordt alleszins begrijpelijk geacht dat [eiser sub 1] het vanwege hun privacy onwenselijk acht, zoals hij ter zitting heeft verklaard, om bijvoorbeeld privédetectives op [gedaagde] en de kinderen af te sturen.
Gelet op het vorenstaande zal dan ook de vordering onder II worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als in het dictum vermeld.

5.13.

Gelet op het vorenstaande heeft [eiser sub 1] vooralsnog geen belang bij toewijzing van hetgeen hij onder III heeft gevorderd. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

5.14.

De door [gedaagde] in reconventie gevorderde lijfsdwang worden afgewezen. Enerzijds is niet weersproken dat er in de afgelopen jaren een aanzienlijk bedrag wél door [eiser sub 1] is afgedragen (al dan niet via executiemaatregelen), terwijl anderzijds door een gebrek aan informatieverstrekking aan de zijde van [gedaagde] voor [eiser sub 1] een zeer moeilijke bewijspositie is ontstaan. Een zeer verstrekkende maatregel als lijfsdwang wordt onder die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar bevonden.

5.15.

Nu [eiser sub 1] en [gedaagde] gewezen echtelieden zijn, zullen de proceskosten zowel in conventie als in reconventie tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

heft op het door [gedaagde] gelegde beslag op de onverdeelde helft van het pand aan de [adres] te Amsterdam,

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eiser sub 1] binnen vier weken na betekening van dit vonnis

van:

a. de belastingaangiften van de kinderen over de afgelopen vijf jaar;

b. de bankafschriften van de kinderen vanaf 1 januari 2015 tot heden;

c. de uittreksels van de gemeentelijke administratie(s) waaruit blijkt op welk(e) adres(sen) [gedaagde] en de kinderen gedurende de afgelopen vijf jaar ingeschreven hebben gestaan;

d. de huurovereenkomst(en) die betrekking hebben op de woning(en) die gedurende de afgelopen vijf jaar door [gedaagde] en/of de kinderen, al dan niet afzonderlijk van elkaar, zijn bewoond.

6.3.

bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat zij niet aan het onder 6.2. bepaalde voldoet, met een maximum van € 50.000,00,

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

6.7.

weigert de gevraagde voorziening,

6.8.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. D. Pieterse, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2017.1

1 type: DP coll: mb