Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2590

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2017
Datum publicatie
24-04-2017
Zaaknummer
5761155 EA VERZ 17-172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opzegging arbeidsovereenkomst; geheimhoudingsbeding; ontslag op staande voet; politieke partij; vrijheid van meningsuiting.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Burgerlijk Wetboek Boek 7 672
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0519
JAR 2017/121
NJF 2017/388
Prg. 2017/141
AR 2017/2090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 5761155 EA VERZ 17-172

beschikking van: 24 april 2017

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verweerder]

gevestigd te [plaats] ,

verzoekster tevens verweerster,

nader te noemen: de Stichting,

gemachtigde: mr. U. Karatas,

t e g e n

[verzoekster] ,

wonende te [plaats] ,

verweerster tevens verzoekster,

nader te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr. A.C. Beijderwellen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De Stichting heeft op 23 februari 2017 een verzoek ingediend dat onder meer strekt tot een verklaring voor recht dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst in strijd met de geldende opzegtermijn heeft opgezegd.

De Stichting heeft bij verzoek van 29 maart 2017, ingekomen op 30 maart 2017, haar verzoeken vermeerderd.

[verweerder] heeft op 30 maart 2017 een verweerschrift, tevens houdende een tegenverzoek ingediend.

Op 4 april 2017 heeft de Stichting een USB stick met video en geluidsbanden in het geding gebracht.

Het verzoek is mondeling behandeld ter terechtzitting van 10 april 2017. De Stichting is verschenen bij [naam] , vergezeld door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, vergezeld door haar gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, de gemachtigde van de Stichting aan de hand van een pleitnota. Na verder debat is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de overgelegde bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast.

1.1.

De Stichting is op 25 november 2014 opgericht en is een stichting die personeelsleden in dienst neemt ter ondersteuning van de Tweede Kamerfractie van “ [naam fractie] ”, welke fractie bestond uit [naam voorzitter] (voorzitter van de Stichting) en [naam secretaris-penningmeester] (secretaris-penningmeester van de Stichting).

1.2.

De vereniging Politieke Beweging DENK (hierna: DENK) is op 13 mei 2015 opgericht. Voornoemde [naam voorzitter] is haar voorzitter en [naam] is haar secretaris.

1.3.

DENK heeft op 15 maart 2017 meegedaan aan de Tweede Kamerverkiezingen en is thans met drie zetels in de Tweede Kamer vertegenwoordigd.

1.4.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1971, is met ingang van 1 juni 2016 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, te weten voor de duur van tien maanden, derhalve tot en met 31 maart 2017, in dienst van de Stichting in de functie van communicatieadviseur. Het bruto salaris op basis van een werkweek van 24 uren bedraagt € 1.800,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

1.5.

In artikel 4.4 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat opzeggingen schriftelijk en tegen het einde van de maand dienen te geschieden, waarbij voor beide partijen een opzegtermijn van een maand geldt.

1.6.

In artikel 4.6 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat partijen het recht hebben de overeenkomst schriftelijk op te zeggen indien de partij ernstig toerekenbaar tekortschiet in haar verplichtingen uit deze overeenkomst, na tot nakoming van deze verplichtingen schriftelijk te zijn aangemaand.

1.7.

Ingevolge artikel 6.1 heeft [verweerder] recht op 14,5 vakantiedagen per kalenderjaar.

1.8.

In artikel 10.1 van de arbeidsovereenkomst is het volgende bepaald:

Werknemer erkent dat haar door de werkgever geheimhouding is opgelegd van alle bijzonderheden betreffende de stichting van de werkgever. Het is de werknemer verboden op enigerlei wijze aan derden direct of indirect, in welke vorm ook, enige mededelingen te doen van of aangaande enige bijzonderheden betreffende de stichting van de werkgever of daarmee verband houdende. De werknemer verplicht zich om zowel tijdens als na beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot volstrekte geheimhouding te betrachten omtrent alle gedurende de arbeidsovereenkomst op welke wijze dan ook ter kennis genomen zaken of aangelegenheden, in de nauwste zin des woord, welke de positie van de werkgever in enigerlei kan schaden. Bij iedere overtreding of niet nakoming zal een boete worden opgelegd EUR 10.000,00 per overtreding per dag dat de overtreding of de niet nakoming voortduurt.

1.9.

Artikel 10.3 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat het de werknemer zonder voorafgaande toestemming niet is toegestaan in de publiciteit te treden over zaken die de werkgever aangaan en de werknemer zich zal onthouden van gedragingen en uitlatingen die de eer en de goede naam van de werkgever aantasten.

1.10.

In artikel 11 van de arbeidsovereenkomst is een relatiebeding opgenomen, dat inhoudt dat het [verweerder] is verboden om binnen een periode van drie jaar na beëindiging van het dienstverband, zonder goedkeuring van de Stichting werkzaamheden uit te voeren voor andere fracties die deel uitmaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

1.11.

[verweerder] heeft zich als kandidaat verkiesbaar gesteld voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer voor DENK.

1.12.

Op 14 december 2016 is de Vereniging Artikel 1 opgericht met als bestuurders [naam bestuurder 1] en [naam bestuurder 2] . Sluitingsdatum voor het registreren van nieuwe partijen voor de verkiezingen bij de Kiesraad was 19 december 2016.

1.13.

Op 24 december 2016 om 1:30:37 uur heeft [verweerder] een e-mail gezonden aan [naam voorzitter] , [naam secretaris-penningmeester] en [naam 1] met de volgende inhoud:

Langs deze weg deel ik jullie mede dat ik heb besloten om me terug te trekken als kandidaat-Kamerlid van jullie partij. De belofte van een oprechte anti-racisme partij in Nederland deed mij kiezen voor DENK omdat ik een unieke kans zag bij te dragen aan verbroedering en respect in de samenleving. Ironisch genoeg is juist het gemis aan deze twee waarden binnen denk de reden dat ik vertrek. In de ochtendkrant van morgen licht ik mijn besluit verder toe. Er valt onder andere te lezen dat ik jullie niet vantevoren op de hoogte wilde brengen. Dat doe ik nu uiteindelijk toch op uitdrukkelijk verzoek van [naam 2] ( [naam 3] ), die ik zojuist telefonisch heb ingelicht. (…)”.

1.14.

[verweerder] heeft zich verkiesbaar gesteld voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer voor Artikel 1 en was lijsttrekker voor die partij.

1.15.

Bij brief van 1 januari 2017, verzonden per e-mail van 3 januari 2017, heeft de Stichting [verweerder] met onmiddellijke ingang ontslagen en aanspraak gemaakt op een door [verweerder] te betalen vergoeding van € 4.710,57 omdat [verweerder] de Stichting een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. De Stichting heeft aangezegd dit bedrag te zullen verrekenen met de eindafrekening. Tevens heeft de Stichting in deze brief [verweerder] gesommeerd zich te onthouden van het doen van enige negatieve uitlatingen/of het verstrekken van enige informatie aan derden aangaande de Stichting en alle daaraan gelieerde stichtingen / verenigingen / ondernemingen en personen, op verbeurte van de in de arbeidsovereenkomst op deze overtreding gestelde boete.

1.16.

In de brief van 1 januari 2017 is opgenomen, voor zover hier van belang:

Tot onze grote verbazing hebben wij zaterdag 24 december jl. via de media moeten vernemen dat u niet meer voor ons werkzaam zult zijn en dat u zich zult aansluiten bij een nieuw op te richten, of althans reeds opgerichte partij genaamd “Artikel 1”.

U heeft niet alleen “uw vertrek” zonder enig voorafgaand overleg met ons via de media kenbaar gemaakt, u heeft zich daarbij – en overigens ook daarna – ook nog eens negatief en onheus over ons uitgelaten. Daarbij heeft u niet alleen in strijd gehandeld met het goed werknemerschap, maar u heeft ook meermaals het geheimhoudingsbeding uit uw arbeidsovereenkomst geschonden. Voorts heeft u onze werknemers benaderd en aangegeven dat zij zich ook bij u of althans “Artikel 1” zouden kunnen aansluiten.

U zult begrijpen dat voornoemde handelwijze – in aanloop naar de verkiezingen en in een voor ons cruciale periode – volstrekt ontoelaatbaar is. Elke voornoemde handelwijze op zich kwalificeert als een dringende reden voor een ontslag op staande voet. U heeft het in u gestelde vertrouwen grovelijk geschonden. Uw arbeidsovereenkomst wordt dan ook met onmiddellijke ingang beëindigd.”

Verzoeken van de Stichting

2. De Stichting heeft bij haar verzoekschrift de kantonrechter verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a. primair voor recht te verklaren dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst in strijd met de geldende opzegtermijn heeft opgezegd, met veroordeling van [verweerder] ex artikel 7: 672 lid 10 BW tot betaling van € 2.392,97, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 december 2016 tot de dag der algehele voldoening;

subsidiair voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst van [verweerder] met de opzegging door de Stichting wegens een dringende reden per 3 januari 2017 ten einde is gekomen, en [verweerder] ex artikel 7: 677 lid 2 jo. lid 3 BW te veroordelen om aan de Stichting wegens het door opzet of schuld geven van een dringende reden een vergoeding te betalen van € 3.699,87, te vermeerderen met de wettelijke rente van 3 januari 2017 tot de dag der algehele voldoening;

voor recht te verklaren dat [verweerder] het geheimhoudingsbeding uit haar arbeidsovereenkomst heeft geschonden;

[verweerder] te veroordelen om aan de Stichting te betalen een bedrag van € 10.000,00 per schending door [verweerder] van het geheimhoudingsbeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verschuldigdheid tot de dag der algehele voldoening;

voor recht te verklaren dat [verweerder] in de laatste drie weken van haar arbeidsovereenkomst en/of vanaf 24 december 2016 niet als goed werknemer heeft gehandeld;

[verweerder] te veroordelen om aan de Stichting het bedrag van € 35,00 te betalen wegens het te laat inleveren van de leaseauto;

[verweerder] te verbieden zich negatief en onheus over de Stichting en aan haar verbonden rechtspersonen uit te laten, met bepaling dat [verweerder] een dwangsom van € 10.000,00 aan de Stichting verbeurt voor elke keer dat zij in strijd met dit verbod handelt;

[verweerder] te veroordelen in de kosten van het geding.

3. Bij aanvullend verzoekschrift heeft de Stichting nog verzocht [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 438,97 in verband met ten onrechte over de periode van 24 december 2016 tot en met 31 december 2016 uitbetaald salaris en € 73,53 in verband met een boete die door het CJIB is opgelegd wegens een door [verweerder] met haar door de Stichting ter beschikking gestelde leaseauto begane snelheidsovertreding.

4. Aan deze verzoeken legt de Stichting het volgende ten grondslag. De Stichting stelt dat de arbeidsovereenkomst van [verweerder] onlosmakelijk was verbonden met haar kandidatuur voor DENK. De Stichting stelt primair dat [verweerder] haar arbeidsovereenkomst bij e-mail van 24 december 2016 heeft opgezegd. Daarmee heeft zij de Stichting volledig verrast en niet de geldende opzegtermijn in acht genomen en is zij een vergoeding aan de Stichting verschuldigd. Gebleken is dat [verweerder] in de weken voor haar vertrek betrokken is geweest bij de oprichting van een aan DENK concurrerende politieke partij die ook deel heeft genomen aan de Tweede Kamer verkiezingen. Door nog tijdens haar dienstverband te werken aan de oprichting van een directe concurrent, heeft zij het in haar gestelde vertrouwen ernstig misbruikt en haar functie-uitoefening voor de Stichting onmogelijk gemaakt. Ook heeft [verweerder] op 27 december 2016 een stagiaire van DENK benaderd met de vraag om over te stappen naar Artikel 1. Uit de verklaringen en gedragingen van [verweerder] heeft de Stichting ex artikel 3:35 BW kunnen opmaken dat zij haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, zelfs als dat niet zou overeenkomen met de wil van [verweerder] , aldus de Stichting.

5. Bovendien heeft [verweerder] zich na haar opzegging in landelijke en sociale media meermaals negatief en onheus uitgelaten over DENK en haar leiderschap. Op basis van informatie en kennis die zij gedurende haar arbeidsovereenkomst had verkregen maakte zij (de leiders van) de Stichting en DENK verwijten. Daarmee heeft zij gehandeld in strijd met haar geheimhoudingsbeding. Vanaf 24 december 2016 zijn tientallen opzeggingen van het lidmaatschap van DENK binnengestroomd, aldus de Stichting.

6. Daar komt bij dat [verweerder] na haar opzegging aan de Stichting niets meer van zich heeft laten horen. Ook is zij op de werkdagen 27 en 29 december 2016, zowel als 2 en 3 januari 2017, niet op haar werk verschenen. Zij heeft de bedrijfseigendommen van de Stichting ingeleverd en op 29 december 2016, te laat, de haar ter beschikking gestelde leaseauto.

7. Omdat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet per aangetekende brief was geschied, verkeerde de Stichting in de veronderstelling dat de arbeidsovereenkomst op papier doorliep. Dat was voor haar aanleiding om [verweerder] op staande voet te ontslaan. Vervolgens heeft de Stichting zich bij de brief van 18 januari 2017 van haar gemachtigde op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst met de opzegging van 24 december 2016 ten einde was gekomen en dat de opzegging van 3 januari 2017 enkel stand zou houden, mocht in rechte de opzegging van 24 december 2016 niet rechtsgeldig zijn.

8. De Stichting stelt dat [verweerder] het geheimhoudingsbeding heeft overtreden, waardoor zij boetes heeft verbeurd. Dit betreffen de uitlatingen van [verweerder] in de Volkskrant op 24 december 2016 over de groepsapp bij DENK, de uitlatingen bij de NOS op 24 december 2016, die tijdens een interview bij EenVandaag op 27 december 2016, bij Radiomart op 12 januari 2017, in de NRC van 13 januari 2017, in de uitzending bij RTL Late Night op 16 januari 2017 en in het artikel in de NRC van 10 februari 2017 over het gebruik van “trollen” door Denk.

9. Ten slotte heeft de Stichting gesteld dat [verweerder] in strijd met het goed werknemerschap heeft gehandeld. De (oud-)werknemer is gehouden zich tegenover zijn werkgever discreet en loyaal te gedragen. Dit heeft [verweerder] nagelaten.

Verweer

10. [verweerder] voert als verweer - samengevat - dat van een schadeplichtige ontslagname door haar geen sprake is geweest. De e-mail van 24 december 2016 waarin zij haar kandidaatstelling intrekt kan niet als opzegging van de arbeidsovereenkomst worden beschouwd. Zij heeft niet bedoeld de arbeidsovereenkomst op te zeggen en de Stichting heeft dat ook niet mogen opvatten als een opzegging. Ten aanzien van het ontslag op staande voet voert [verweerder] aan dat dit niet rechtsgeldig is gegeven, nu niet is voldaan aan de onverwijldheideis. Ook is niet duidelijk welke concrete redenen de Stichting aan dit ontslag ten grondslag heeft gelegd, nu in de e-mail van 3 januari 2017 daarover geen duidelijkheid wordt gegeven. Verder bestrijdt [verweerder] dat de door de Stichting aangevoerde redenen een dringende reden opleveren. [verweerder] heeft voorafgaand aan de mededeling in de media de Stichting van haar besluit op de hoogte gesteld. Ze heeft zich verder niet onheus of negatief uitgelaten. Ook heeft zij niet in strijd gehandeld met haar geheimhoudingsplicht. Ten slotte heeft zij geen medewerkers van de Stichting benaderd om zich aan te sluiten bij Artikel 1. Zij heeft besloten zich neer te leggen bij haar ontslag, maar niet bij de ontijdigheid daarvan, zodat zij aanspraak maakt op € 3.699,07 bruto welke vordering verrekend dient te worden met een eventuele vordering van de Stichting en zij verzoekt een verklaring voor recht dat zij gerechtigd is tot verrekening. [verweerder] bestrijdt dat zij een boete aan de Stichting verschuldigd is. Zij heeft haar geheimhoudingsbeding niet geschonden. In dit verband heeft [verweerder] naar voren gebracht dat de Stichting zich ten onrechte vereenzelvigt met de politieke vereniging Denk. Ook inhoudelijk heeft zij nooit mededelingen gedaan van of aangaande de Stichting of heeft zij zaken of aangelegenheden geopenbaard welke de positie van de werkgever op enigerlei wijze kunnen schaden. Zij heeft steeds als goed werkneemster gehandeld. Zij verzoekt veroordeling van de Stichting tot betaling van opgebouwde vakantietoeslag en uitbetaling van niet genoten vakantiedagen, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten.

Beoordeling

De opzegging

11. De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de e-mail van 24 december 2016 van [verweerder] moet worden aangemerkt als een opzegging van de arbeidsovereenkomst, zoals door de Stichting wordt gesteld, maar door [verweerder] wordt betwist. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Daarbij heeft tot uitgangspunt te gelden dat voor de vraag of een mededeling van de werknemer als opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, gelet op het verstrekkende karakter van deze mededeling, sprake moet zijn van een ondubbelzinnige mededeling die erop gericht is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Uit de wetsgeschiedenis van de WWZ volgt dat de regering van oordeel is dat de rechtspraak van de Hoge Raad op het punt van de opzegging door de werknemer onverkort gehandhaafd dient blijven. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, zoals het mogelijk verlies van ontslagbescherming en aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking.

12. Een dergelijke ondubbelzinnige boodschap valt naar het oordeel van de kantonrechter in de e-mail van 24 december 2016 van [verweerder] niet te lezen. [verweerder] meldt daarin slechts dat zij zich terugtrekt als kandidaat-kamerlid voor Denk. De arbeidsverhouding tussen de Stichting en [verweerder] wordt in deze e-mail niet genoemd, noch is er op enigerlei wijze een verwijzing naar die arbeidsovereenkomst in het bericht terug te vinden. De door de Stichting benadrukte strofe: “ik vertrek” slaat in de e-mail duidelijk op haar vertrek als kandidaat-kamerlid voor Denk, hetgeen zoals door [verweerder] ter terechtzitting nog eens is benadrukt, een andere entiteit is dan de Stichting. Bij de beoordeling wordt verder in aanmerking genomen dat de Stichting, gelet op het daarna gegeven ontslag op staande voet, de e-mail kennelijk ook niet als een beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft beschouwd, terwijl [verweerder] ter terechtzitting heeft verklaard dat het ook nooit haar bedoeling is geweest om haar arbeidsovereenkomst op te zeggen. Voor zover de Stichting nog heeft verwezen naar haar e-mail van 27 december 2016 waarin aan [verweerder] wordt gevraagd haar spullen in te leveren, leidt dit niet tot een ander oordeel. Opmerkelijk is immers dat in die e-mail op geen enkele wijze wordt verwezen naar de beweerdelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door [verweerder] . De essentie van deze e-mail is gericht op het inleveren van de materialen en in dat kader wordt verwezen naar artikel 12 van de arbeidsovereenkomst, maar in de reactie valt niet te lezen dat de Stichting de arbeidsovereenkomst inmiddels als opgezegd aanmerkt. Ook in haar in de media gedane uitlatingen verwijst [verweerder] niet naar haar arbeidsovereenkomst met de Stichting, zodat de Stichting ook in combinatie daarmee niet gerechtvaardigd tot de conclusie heeft kunnen komen dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen.

12. Dat de arbeidsovereenkomst door het opgeven van de kandidatuur voor Denk inhoudsloos zou worden, maakt nog niet dat daarmee de arbeidsovereenkomst ook eindigt.

12. Het vorenstaande betekent dat het primaire verzoek niet toewijsbaar is en er geen grond is voor een vergoeding wegens een opzegging in strijd met de geldende opzegtermijn.

Het ontslag op staande voet

15. De tweede vraag die ter beoordeling voorligt is of het ontslag op staande voet stand houdt. Ook deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Uit de brief van de Stichting aan [verweerder] waarin het ontslag op staande voet wordt gegeven, verwijst de Stichting naar de gebeurtenissen van 24 december 2016, het negatief en onheus uitlaten in de media daarbij en overigens ook daarna, maar zonder tijdsaanduiding, het meermaals schenden van het geheimhoudingsbeding en ten slotte het benaderen van werknemers om zich aan te sluiten hij Artikel 1. Al deze feiten hebben zich - zo die al zijn gebeurd - voorgedaan op en kort na 24 december 2016. Het ontslag op staande voet is na meer dan een week gegeven. Goede redenen waarom de Stichting zo lang heeft gewacht met dit ontslag zijn door de Stichting niet gegeven. Van nader onderzoek, juridisch dan wel anderszins is niet gebleken. Voor zover door de Stichting is betoogd dat zij in verband met de feestdagen enig respijt moet worden gegund, wordt de Stichting in dit betoog niet gevolgd. Ter terechtzitting is namens de Stichting verklaard dat er in de dagen na 24 december 2016 geen kerstreces was en het een ‘gewone’ werkweek betrof. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van onverwijldheid, zodat het ontslag op staande voet geen stand houdt. Hetgeen overigens door partijen met betrekking tot het ontslag op staande voet aan de orde is gesteld, behoeft dan ook geen verdere bespreking meer.

15. Het subsidiaire verzoek is daarom niet toewijsbaar, de verzochte vergoeding in verband met door opzet of schuld geven van een dringende reden, wordt afgewezen.

15. Nu [verweerder] heeft berust in het haar gegeven ontslag op staande voet, betekent dit dat de arbeidsovereenkomst per 3 januari 2017 is geëindigd.

Het geheimhoudingsbeding

18. Ook de verzoeken van de Stichting die gebaseerd zijn op overtreding van het geheimhoudingsbeding zijn niet toewijsbaar. Daarbij verdient allereerst aantekening dat het beding zoals dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen bijzonder vaag is geformuleerd. Het verbod om “mededelingen te doen van of aangaande bijzonderheden betreffen de stichting van de werkgever of daarmee verband houdende”, biedt voor de werknemer weinig houvast. Dit gegeven komt voor risico van de Stichting nu zij degene is die de arbeidsovereenkomst gebruikt. In de door de Stichting vermelde uitlatingen van [verweerder] waarmee zij het geheimhoudingsbeding zou hebben overtreden, leest de kantonrechter een dergelijke overtreding bovendien niet. Daarbij wordt allereerst in aanmerking genomen dat het hier gaat om een werknemer die als kandidaat op de lijst staat voor de verkiezingen van de Tweede Kamer en die zich volledig in het politieke en daarmee publieke debat begeeft. Kritische opmerkingen en oordelen over Denk zijn in dat verband dan ook niet zonder meer als een overtreding van dit geheimhoudingsbeding te beschouwen, te meer niet nu niet Denk maar de Stichting haar werkgever is. Het staat [verweerder] vrij, ook als ex-werknemer, zich kritisch uit te laten over de keuzes en denkbeelden van Denk, zeker tegen de achtergrond van haar eigen politieke carrière als partijleidster van Artikel 1 en de in de Grondwet verankerde vrijheid van meningsuiting. Het politieke debat bestaat immers uit conflicterende standpunten en het geheimhoudingsbeding in een arbeidsovereenkomst kan onder de gegeven specifieke omstandigheden niet zo ver strekken dat het [verweerder] belemmert in dat kader kritische beschouwingen te uiten en aan politiek te doen. Een andersluidend standpunt zou een te verregaande inperking van de vrijheid van meningsuiting van [verweerder] inhouden. Voor zover de stellingen van de Stichting een andere conclusie meebrengen, worden deze stellingen niet gevolgd. Door de Stichting zijn verder geen concrete geheimen of bijzonderheden van de Stichting benoemd die door toedoen van [verweerder] in de publiciteit zijn gekomen. Voor zover de Stichting in dit verband heeft gewezen op het NRC-artikel over het gebruik van internet-trollen door Denk, heeft [verweerder] bestreden dat zij de bron van het daarin genoemde lek is geweest. Uit de omstandigheid dat de informatie bij meer mensen binnen Denk beschikbaar was en bij gebreke van concreet bewijs tegen [verweerder] , staat niet vast dat [verweerder] op dit punt het geheimhoudingsbeding heeft overtreden.

18. Bij het vorenstaande wordt nog in aanmerking genomen dat door [verweerder] terecht nog naar voren is gebracht dat de door de Stichting voorgestane vereenzelviging tussen de Stichting enerzijds en Denk en de politieke beweging daarvan in brede zin anderzijds te ver gaat. Voor de vraag of [verweerder] haar geheimhoudingsbeding heeft overtreden dient beoordeeld te worden of zij bijzonderheden van de Stichting naar buiten heeft gebracht. De door de Stichting in haar verzoeken besloten liggende stelling dat informatie over de politieke partij Denk gelijk gesteld moet worden met overtreding van het geheimhoudingsbeding, wordt niet gevolgd.

Het goed werknemerschap

20. Voor zover de Stichting nog heeft gesteld dat [verweerder] zich niet als goed werkneemster heeft gedraging, wordt deze stelling verworpen. Allereerst geldt ook hier dat de door de Stichting voorgestane vereenzelviging tussen de Stichting en Denk niet wordt gevolgd. Daarbij heeft verder tot uitgangspunt te gelden dat [verweerder] iemand is die in het publieke debat in die periode een prominente plaats innam, vermoedelijk ook één van de redenen dat zij voor Denk op de kandidatenlijst terecht is gekomen. Dat [verweerder] , die in de periode van verkiezingstijd vervolgens ervoor kiest om die kandidatenlijst te verlaten en een eigen partij begint, vervolgens media-aandacht genereert is onontkoombaar en kan [verweerder] niet worden verweten. Dat [verweerder] daarbij rekening heeft te houden met de belangen van de Stichting als haar werkgever is evident, maar dat [verweerder] daarbij de grenzen is overgegaan, komt uit de door de Stichting gepresenteerde feiten en omstandigheden niet naar voren. Het is logisch dat door [verweerder] een verklaring is gegeven voor haar keuze en dat zij daarbij de verschillen tussen haar persoonlijke standpunten en die van de Stichting heeft benadrukt, maar daarbij heeft zij zich slechts bediend van persoonlijke opvattingen en meningen. Dat kan haar niet worden verweten. Het gegeven dat [verweerder] bezig is geweest met het oprichten van Artikel 1 ten tijde van haar dienstverband bij de Stichting kan op zich niet als strijdig met het goed werknemerschap worden aangemerkt, nu het een ieder vrij staat een politieke partij te beginnen.

Feiten of omstandigheden die dit in dit geval anders maken, zijn door de Stichting niet naar voren gebracht.

21. Voor zover door de Stichting in dit verband nog is verwezen naar het in de arbeidsovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding kan dit haar niet baten. Het betreft immers een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en van een noodzaak voor het opnemen van het beding als bedoeld in artikel 7:653 lid 2 BW is niet gebleken.

21. Uit het door de Stichting overgelegde feitenmateriaal kan niet worden geconcludeerd dat [verweerder] werknemers van de Stichting zou hebben benaderd om over te stappen naar Artikel 1. De in algemene zin geformuleerde opmerking van [verweerder] kan niet als een dergelijk handelen worden beschouwd.

21. De verzochte verklaring voor recht dat [verweerder] zich niet als goed werkneemster heeft gedragen wordt, te meer nu de Stichting haar belang bij dit verzoek niet heeft toegelicht, reeds om bovenstaande redenen afgewezen.

21. Voor het opleggen van een verbod om zich negatief of onheus uit te laten is geen grond. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is hiervan tot op heden geen sprake geweest en er is thans ook geen aanleiding om te verwachten dat [verweerder] dit zal doen, zodat reeds hierom een dergelijk verbod te ver gaat, nog afgezien van het feit dat het te algemeen geformuleerd is.

De overige verzoeken van de Stichting

25. [verweerder] heeft tegen het verzoek van de Stichting inzake de snelheidsovertreding geen inhoudelijk verweer gevoerd, zodat betaling door [verweerder] van € 73,53 als verzocht toewijsbaar is.

25. Ook heeft [verweerder] geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het verzoek van de Stichting om haar te veroordelen tot betaling van € 35,00 wegens het te laat inleveren van de leaseauto. Dit verzoek is daarom eveneens toewijsbaar.

27. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de Stichting het salaris over de periode 24 december tot en met 31 december 2016 niet onverschuldigd betaald, zodat voor terugbetaling geen rechtsgrond is en het verzoek op dit onderdeel niet toewijsbaar is.

27. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

27. Bij deze uitslag wordt de Stichting als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten.

De verzoeken van [verweerder]

30. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, wordt vastgesteld dat het aan [verweerder] gegeven ontslag op staande voet van 3 januari 2017 niet rechtsgeldig is. Dit brengt mee dat de Stichting jegens [verweerder] schadeplichtig is geworden. De door [verweerder] in dit verband berekende vergoeding van € 3.699,07 bruto is door de Stichting niet bestreden. Datzelfde geldt voor de door [verweerder] verzochte betaling van vakantiegeld en niet genoten vakantiedagen.

30. De betalingsveroordelingen worden –ambtshalve – uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De Stichting wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van [verweerder] – gelet op de samenhang – op nihil worden begroot.

BESLISSING

De kantonrechter:

De verzoeken van de Stichting

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan de Stichting van:

a. € 73,53 ter zake van een snelheidsovertreding;

b. € 35,00 wegens het te laat inleveren van de leaseauto;

veroordeelt de Stichting in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 545,00 aan salaris gemachtigde, voor zover verschuldigd inclusief btw;

veroordeelt de Stichting tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden en de Stichting niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan de beschikking heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af;

De verzoeken van [verweerder]

veroordeelt de Stichting tot betaling van € 3.699,07 bruto aan [verweerder] ;

veroordeelt de Stichting tot betaling aan [verweerder] van € 648,00 bruto ter zake van vakantietoeslag en € 650,50 bruto ter zake van opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen;

verklaart voor recht dat [verweerder] gerechtigd is hetgeen zij op grond van deze beschikking aan de Stichting verschuldigd zal zijn te verrekenen met hetgeen de Stichting op grond van deze beschikking aan haar verschuldigd zal zijn;

veroordeelt de Stichting in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op nihil;

verklaart de betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven door mr. E. Pennink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.