Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2416

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-04-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
13/845031-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vleeshandelaar veroordeeld voor belastingontduiking: er zijn onjuiste of geen bedragen aan omzetbelasting opgegeven. Een suppletieaangifte is niet bedoeld om de Belastingdienst als tijdelijk kredietverstrekker te gebruiken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845031-12 (Promis)

Datum uitspraak: 12 april 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam , meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Egypte) op [geboortedag] 1962 ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[GBA-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 maart 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Boerlage en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A. Çinar naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] , op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 juli 2010 tot en met 31 oktober 2012, in de gemeente(n) Amsterdam en/of Apeldoorn , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting:

- over het jaar 2009 (D-106 4/6) en/of;

- over het jaar 2010 (D-051) en/of;

- over het eerste kwartaal 2012 (D-050) en/of;

- over het tweede kwartaal 2012 (D-061 6/9) en/of;

- over het derde kwartaal 2012 (D-061 7/9),

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, bij de (bevoegde) Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst,

hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan – zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n),

(telkens) opzettelijk ten onrechte op voornoemde aangifte(n) (een) te la(a)g(e), althans onjuist(e) bedrag(en) aan omzet en/of (een) te la(a)g(e), althans onjuist(e) bedrag(en) aan te betalen omzetbelasting heeft/hebben opgegeven en/of doen opgeven en/of vermeld en/of doen vermelden,

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

2.

hij, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] , in of omstreeks de periode van 1 februari 2012 tot en met 3 december 2012, in de gemeente(n) Amsterdam en/of Apeldoorn , althans in Nederland,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (jaar)aangifte voor de omzetbelasting over het jaar 2011,

niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst gestelde termijn heeft gedaan,

terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de redengevende feiten en omstandigheden, zoals hieronder vermeld.1 De inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – wordt slechts gebruikt tot het bewijs van het ten laste gelegde feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud, kennelijk betrekking heeft.

Omzet en belastingaangifte over 2009

Verdachte heeft sinds 1 januari 2009 een eenmanszaak genaamd [bedrijf 1] , waarmee hij (kalkoen)vlees inkoopt en verkoopt.2 Door de belastingdienst is aan verdachte gevraagd aangifte omzetbelasting (hierna: OB) te doen over het jaar 2009.3 Namens verdachte is op 13 juli 2010 door [naam 1] , zijn toenmalige boekhouder, een nihilaangifte over 2009 ingediend.4 Uit de administratie van een Duitse vleesleverancier, [bedrijf 2] , blijkt dat in 2009 in totaal voor € 1.224.813,36 aan vlees is geleverd aan verdachte of [bedrijf 1] .5 Dit wordt bevestigd door getuige [naam 2] , bedrijfsleider van [bedrijf 2] , die heeft verklaard dat [bedrijf 2] vanaf 2009 zaken doet met verdachte, handelend onder de naam [bedrijf 1] .6

Verdachte heeft verklaard dat hij in 2009 geen omzet heeft genoten, nu hij in dat jaar gedetineerd zat. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit een controleformulier van 22 januari 2009 blijkt dat verdachte is gecontroleerd tijdens een van zijn vleestransporten.7 Verdachte heeft weliswaar van 15 juni 2009 tot en met 12 november 2009 gedetineerd gezeten, zo blijkt uit zijn historische detentiestaat, maar dit heeft hem er niet van weerhouden zijn bedrijfsvoering door een ander te laten voortzetten. Zo heeft verdachtes voormalig echtgenote [naam 3] verklaard dat, tijdens verdachtes detentie in 2009, een vriend van verdachte telkens naar Duitsland reed om vlees in te kopen en dat daarna aan verdachtes afnemers te verkopen.8

Omzet en belastingaangifte over 2010

Op 2 februari 2012 is namens verdachte / [bedrijf 1] een aangifte OB over 2010 bij de Belastingdienst binnengekomen waarin staat vermeld dat een bedrag van € 19.393,00 is omgezet.9 Uit de administratie van [bedrijf 2] over het jaar 2010 blijkt dat voor een totaalbedrag van € 1.322.994,88 aan vlees is geleverd aan verdachte / [bedrijf 1] .10

Daarnaast zijn in de periode van 15 november 2010 tot en met 30 december 2010 door [bedrijf 2] 44 facturen gericht aan [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) met een totaalbedrag van € 286.804,41 .11 Uit de administratie van [bedrijf 3] is echter gebleken dat zij in 2010 voor een totaalbedrag van € 124.701,19 aan vlees hebben ingekocht bij [bedrijf 2] .12 Getuige [naam getuige] , bedrijfsleider van [bedrijf 3] , heeft verklaard dat verdachte twee keer de gegevens van [bedrijf 3] heeft mogen gebruiken, in verband met problemen met het BTW-nummer van [bedrijf 1] .13 Deze wijziging van gegevens wordt bevestigd door [naam 2] .14 Verdachte heeft hierover verklaard dat hij in opdracht van [bedrijf 3] naar [bedrijf 2] reed om vlees op te halen, welk vlees geheel bestemd was voor [bedrijf 3] . Deze verklaring van verdachte acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op de administratie van [bedrijf 3] en de verklaringen van [naam getuige] en [naam 2] . De rechtbank rekent het verschil tussen de administratie van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , zijnde € 162.103,22 , toe aan verdachte en beschouwt dit als zijn inkoopkosten.

Omzet en belastingaangifte over 2011

Op 12 december 2011 is door de Belastingdienst aan verdachte gevraagd om voor 31 januari 2012 aangifte OB te doen over het jaar 2011.15 Op 26 juli 2012 is geconstateerd dat er geen aangifte OB door verdachte/ [bedrijf 1] is ingediend.16

Uit de administratie van [bedrijf 2] blijkt dat in 2011 in totaal voor € 2.245.162,71 aan vlees is geleverd aan [bedrijf 3] .17 Uit de administratie van [bedrijf 3] is echter gebleken dat zij in 2010 voor een totaalbedrag van € 481.817,04 aan vlees hebben ingekocht bij [bedrijf 2] .18 Gelet op hetgeen bij de omzet en aangiftebelasting over 2010 is overwogen, rekent de rechtbank het verschil, zijnde € 1.766.522,71 , als inkoopkosten toe aan verdachte.

Omzet en belastingaangifte over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2012

Over 2012 zijn door medeverdachte [medeverdachte] , de boekhouder van verdachte in 2012, drie kwartaalaangiften ingediend. Over het eerste kwartaal is in de aangifte OB vermeld dat een bedrag van € 39.086,00 is omgezet.19 De administratie van verdachte, die bij medeverdachte is aangetroffen, vermeldt dat in die periode voor een bedrag van € 158.070,44 is ingekocht.20 Uit de administratie van een Duitse vleesleverancier [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) blijkt dat in die periode voor een totaalbedrag van € 663.818,72 aan vlees is geleverd aan verdachte / [bedrijf 1] .21

De aangifte over het tweede kwartaal vermeldt dat een bedrag van € 154.866,00 is omgezet.22 De administratie van verdachte, die bij medeverdachte is aangetroffen, vermeldt dat in die periode voor een bedrag van € 157.142,34 is ingekocht.23 Uit de administratie van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ) blijkt dat in die periode voor een totaalbedrag van € 445.515,00 aan vlees is geleverd aan verdachte / [bedrijf 1] .24

De aangifte over het derde kwartaal vermeldt dat een bedrag van € 105.333,00 is omgezet.25 De administratie van verdachte, die bij medeverdachte is aangetroffen, vermeldt dat in die periode voor een bedrag van € 240.164,27 is ingekocht.26 Uit de administratie van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] blijkt dat in die periode voor een totaalbedrag van € 511.864,00 aan vlees is geleverd aan verdachte / [bedrijf 1] .27

Verantwoordelijkheid boekhouder

Verdachte heeft verklaard dat hij telkens al zijn papieren aan zijn boekhouder heeft gegeven en dat hij erop mocht vertrouwen dat zijn boekhouder de juiste omzet aangaf bij de Belastingdienst. Deze verklaring acht de rechtbank niet aannemelijk, nu deze verklaring geen steun vindt in het dossier, waarbij de rechtbank in het bijzonder acht slaat op de verklaring van [naam 1] , de inkoopadministratie die van de Duitse vleesleveranciers is ontvangen en - als het gaat om 2012 - het grote verschil tussen die administratie en de bij medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen administratie.

Opzet

De rechtbank acht bewezen dat verdachte opzet had op het doen van deze onjuiste en onvolledige aangiften, dan wel op het niet doen van aangifte. Verdachte heeft immers over de gehele periode gewerkt met meerdere boekhouders en bovendien bestaan er significante verschillen tussen wat aan omzet is opgegeven en wat aan inkoopadministratie is aangetroffen. Deze omstandigheden kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden geduid dan dat verdachte met zijn handelen opzet had op het doen van onjuiste en onvolledige aangiften OB.

Conclusie

De rechtbank acht, gelet op hetgeen hiervoor is genoemd, bewezen dat verdachte de aangiften omzetbelasting over 2009, 2010 en de eerste drie kwartalen van 2012 onjuist en onvolledig heeft gedaan en dat hij de aangifte OB over 2011 niet heeft gedaan. Nu deze aangiften een lager dan wel geen bedrag aan omzet vermelden, is aan verdachte een te laag bedrag aan omzetbelasting in rekening gebracht.

Medeplegen

De rechtbank acht bewezen dat verdachte dit ten aanzien van de aangiften OB over de eerste drie kwartalen van 2012 tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] heeft gedaan. Verdachte heeft immers verklaard dat hij weliswaar niet zelf de aangiften deed, maar dat hij dat door zijn boekhouder liet doen. Verdachte overhandigde inkoopfacturen aan zijn medeverdachte, deze maakte vervolgens de verkoopfacturen, maar verwerkte slechts een deel daarvan in de aangiften OB. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern aldus heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering.

De rechtbank acht, op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte heeft ten laste gelegde heeft begaan zoals hierna in rubriek 5 is vermeld.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte,

1.

al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] , op meer tijdstippen in de periode van 13 juli 2010 tot en met 31 oktober 2012, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting:

- over het jaar 2009,

- over het jaar 2010 (D-051),

- over het eerste kwartaal 2012 (D-050),

- over het tweede kwartaal 2012 (D-061 6/9) en

- over het derde kwartaal 2012 (D-061 7/9),

telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan bij De Belastingdienst, hebbende die onjuistheid en onvolledigheid hierin bestaan – zakelijk weergegeven – dat hij, verdachte en zijn medeverdachte, telkens opzettelijk ten onrechte op voornoemde aangiften te lage, althans onjuiste bedragen aan omzet en te betalen omzetbelasting hebben opgegeven en/of vermeld, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

2.

al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] , in de periode van 1 februari 2012 tot en met 3 december 2012, in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het jaar 2011, niet heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een andere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Een voorwaardelijke gevangenisstraf en een forse onvoorwaardelijke taakstraf zijn volgens de raadsman passend.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan gelet op de ernst van de bewezen feiten, de persoon van verdachte en in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich tussen 2009 en 2012 schuldig gemaakt aan belastingfraude door een zeer groot deel van zijn omzet te verzwijgen bij de Belastingdienst. Hij heeft hierbij puur uit financieel gewin gehandeld. Verdachte is ook niet uit zichzelf gestopt met het doen van onjuiste belastingaangiften, zelfs niet nadat bij hem in 2010 een boekenonderzoek is gedaan. Het is louter aan het ingrijpen van de FIOD en het Openbaar Ministerie te danken dat het frauduleuze handelen van verdachte is beëindigd. Hoewel bij gebrek aan een deugdelijke administratie niet precies kan worden vastgesteld hoe hoog het belastingnadeel als gevolg van het handelen van verdachte is geweest, staat het op basis van de beschikbare inkoopfacturen wel vast dat dit ten minste € 350.000,00 is.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging voorts acht te slaan op de zogenoemde oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht van de hoven en de rechtbanken. Genoemde oriëntatiepunten dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Volgens deze oriëntatiepunten is bij fraude met een bedrag tussen € 250.000,00 en € 500.000,00 een gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden het uitgangspunt. In beginsel acht de rechtbank deze bandbreedte passend voor de door verdachte gepleegde fraude.

Als strafverlagende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM met bijna 2,5 jaar is overschreden. Deze termijn is aangevangen op 3 december 2012, zijnde datum waarop verdachte is aangehouden voor deze zaak, en uitgangspunt is dat binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn op de beschuldiging dient te zijn beslist. Deze forse overschrijding maakt dat de rechtbank een substantieel lagere straf zal opleggen. De ernst van het feit is echter zodanig dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf onvermijdelijk is en blijft.

Verdachte heeft verklaard dat hij nog altijd onderneemt in dezelfde branche. Dit maakt dat de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel van 3 maanden aangewezen acht, om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een dergelijk strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

10 Beslissing

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op, ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde:

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

en

opzettelijk een bij belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. D.J. Cohen Tervaert en G. Demmink, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M. van der Mark en H.L.A. Haulo, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2017.

1 De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de dossiers van de FIOD-ECD met dossiernummer [nummer] . De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina’s in de dossiers.

2 D-020, p.612.

3 D-039, p.664.

4 D-035, p.657 en V05-01, p.485.

5 D-107, p.970-972.

6 RHV-003b-02-04, p.1171.

7 D-021, p.613.

8 V02-01, p.448.

9 D-051, p.870-871.

10 D-107, p.973-976.

11 D-112, p.990.

12 D-116, p.1067-1071.

13 Een proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 28 februari 2017 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [naam getuige] .

14 RHV-003b-02-04, p.1171.

15 D-126, p.1089.

16 D-039, p.664.

17 D-111, p.984-989.

18 D-115, p.1047-1062.

19 D-050, p.868-869.

20 D-125, p.1086.

21 D-110, p.978.

22 D-053, p.875.

23 D-125, p.1086.

24 D-110, p.978.

25 D-059, p.887.

26 D-125, p.1086.

27 D-060, p.888.