Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2362

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
623577 HA RK 17/43
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek niet ontvankelijk. Afdoening buiten zitting. Het doen van een wrakingsverzoek is nadat de rechter is begonnen met het doen van zijn uitspraak niet meer mogelijk. Dat deze situatie zich hier voordoet, leidt de rechtbank af uit het proces-verbaal. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze situatie worden gelijkgesteld met de situatie waarin de behandeling van de zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, in welk geval een verzoek tot wraking niet meer mogelijk is (ECLI:NL:HR:1998:AD2977). Op het moment dat een rechter aanvangt met de uitspraak, is de behandeling van de zaak immers geëindigd, is het proces van oordeelsvorming afgerond en heeft de rechter een beslissing genomen. Bij de uitspraak formuleert de rechter de genomen inhoudelijke beslissingen en geeft hij inzicht in de afwegingen die aan die beslissing ten grondslag liggen. Daarmee geeft de rechter geen blijk van (de schijn van) partijdigheid, maar geeft hij zijn oordeel. Voor zover de door de rechter genomen beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen volgens een procespartij desalniettemin de schijn van partijdigheid wekken, kan dit, gezien het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, nog slechts in hoger beroep aan de orde worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op het ter zitting van 6 februari 2017 mondeling gedane en onder rekestnummer C/13/623577/ HA RK 17/43 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] , verblijvende te [plaats] ,

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van J. Knol, politierechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

 Het proces verbaal met bijlagen van de zitting van 6 februari 2017.

2 De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1

Verzoeker is verdachte in een bij de rechtbank onder parketnummer 96/126062-15 geregistreerde strafzaak. In deze zaak heeft op 6 februari 2017 een mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van de rechter.

2.2.

In het proces-verbaal van de zitting van 6 februari 2017 is onder meer het volgende opgenomen:

“[ ]

De politierechter sluit het onderzoek en spreekt het vonnis uit.

De politierechter deelt het volgende mee. Het systeem van het registreren van motorvoertuigen heeft de bedoeling te voorkomen dat mensen in auto’s gaan rondrijden met een zelfbedacht kenteken. Dat zou een enorm woud aan informatie geven waar niet mee valt te werken. De Wegenverkeerswet vereist dat een kenteken nodig is voordat men op de weg mag rijden met een voertuig. Dat kenteken moet op grond van de Wegenverkeerswet voldoen aan de wettelijke vereisten van kleur, letters en cijfers, om de uniformiteit te vergoten. Als men zich daar niet aan houdt, wekt dat verwarring voor instanties. De auto van een ambassadeur heeft een afwijkend kenteken, op grond van een wettelijke basis. In de Wegenverkeerswet is geen bevoegdheid gegeven voor het aanpassen van het kenteken zoals u, verdachte, dat heeft gedaan. Het kenteken met de tekst ‘ [plaats] ’ voldoet dan ook niet aan de wettelijke vereisten en aldus is het kenteken vals. De politierechter acht dan ook het primair ten laste gelegde bewezen.

[ ]”

2.3

Vervolgens heeft verzoeker de rechter gewraakt op de grond dat de politierechter in beginsel afstand heeft genomen van waarheidsvinding en bewijs buiten beschouwing laat, waaruit diens vooringenomenheid blijkt.

2.4

Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.5

Het verzoek is te laat gedaan. Het doen van een wrakingsverzoek is nadat de rechter is begonnen met het doen van zijn uitspraak niet meer mogelijk. Dat deze situatie zich hier voordoet, leidt de rechtbank af uit het proces-verbaal. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze situatie worden gelijkgesteld met de situatie waarin de behandeling van de zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, in welk geval een verzoek tot wraking niet meer mogelijk is (ECLI:NL:HR:1998:AD2977). Op het moment dat een rechter aanvangt met de uitspraak, is de behandeling van de zaak immers geëindigd, is het proces van oordeelsvorming afgerond en heeft de rechter een beslissing genomen. Bij de uitspraak formuleert de rechter de genomen inhoudelijke beslissingen en geeft hij inzicht in de afwegingen die aan die beslissing ten grondslag liggen. Daarmee geeft de rechter geen blijk van (de schijn van) partijdigheid, maar geeft hij zijn oordeel. Voor zover de door de rechter genomen beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen volgens een procespartij desalniettemin de schijn van partijdigheid wekken, kan dit, gezien het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, nog slechts in hoger beroep aan de orde worden gesteld.

2.6

Voor een mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 515 lid 1 Sv bestaat geen aanleiding. Het in deze bepaling als vanzelfsprekend opgenomen recht op hoor en wederhoor is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Aan dat onderzoek komt de rechtbank niet toe omdat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien het na de uitspraak is gedaan.

2.6

Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

 verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort voorzitter, A.W.J. Ros en A.J. Dondorp, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2017

in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.