Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2360

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
619722 HA RK 447.2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. Dat verzoekster onvoldoende aan het woord is geweest volgt niet uit het proces-verbaal van de griffier noch uit het door verzoekster opgestelde verslag van de zitting. Uit het feit dat verzoekster (meerdere keren) het woord is ontnomen door de rechter en dat zij meerdere keren is verzocht het kort te houden, valt niet zonder meer (schijn van) vooringenomenheid af te leiden. Dat de rechter de stukken heeft geweigerd is niet gebleken. Uit het proces-verbaal dat alleen is opgesteld omdat de rechter is gewraakt en alleen tot doel heeft om de wrakingskamer inzicht te geven in het verloop van de zitting, voor zover voor de wraking van belang, kan niet worden afgeleid dat bij de rechter sprake is van vooringenomenheid of bij verzoekster de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor is gewekt. Het is aan de rechter om te bepalen of zij vragen stelt en aan wie. Dat zij niet de juiste vragen zou stellen, klakkeloos verweerder zou volgen of niet aan waarheidsvinding zou doen, blijkt niet uit het proces-verbaal en evenmin uit het door verzoekster opgestelde verslag van de zitting. De door verzoekster gestelde vrees dat de rechter in haar zaak zich niet onpartijdig heeft opgesteld dan wel zich niet onpartijdig heeft uitgelaten - objectief bezien – is daarom niet gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beslissing van 1 februari 2017 op het op 30 november 2016 gedane en onder zaaknummer C/13/619722 HA/RK 447.2016 ingeschreven verzoek van:

de stichting

Stichting Flora & Fauna Bescherming,
gevestigd te Weesp,

verzoekster,

gemachtigde mr. J. van Lunen,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. R.B. Kleiss, rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.


Verloop van de procedure

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

  • -

    het verzoek tot wraking zoals neergelegd in een proces-verbaal van
    30 november 2016 dat is opgesteld door mr. B.E. Giessen, griffier, ten behoeve van de zitting van die datum met zaaknummer AMS 16/7053;

  • -

    de brief van 6 december 2016 van verzoekster aan de griffier van de wrakingskamer (bij deze brief is onder meer een door verzoekster opgemaakt verslag gevoegd van de zitting van 30 november 2016 alsmede een brief van de rechtbank van 16 november 2016 waarin verzoekster wordt uitgenodigd voor die zitting);

  • -

    de brief van 23 december 2016 (met bijlagen) van verzoekster aan de griffier van de wrakingskamer;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter van 4 januari 2017

  • -

    de brief van 10 januari 2017 van mr. J. van Lunen, gemachtigde van verzoekster, gericht aan de griffier van de wrakingskamer.

De rechter berust niet in de wraking.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 18 januari 2017. Namens verzoekster zijn verschenen [ ] (voorzitter) en [ ] (secretaris) met mr. Van Lunen. De rechter is verschenen met mr. B.E. Giessen (griffier). De beslissing is bepaald op 1 februari 2017.

1 Feiten

  1. Verzoekster is verzoekende partij in een bij de rechter aanhangige voorlopige voorzieningenprocedure met zaaknummer AMS 16/7053.

  2. Als verweerder in die procedure treedt op de staatssecretaris van Economische Zaken. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weesp heeft als derde partij aan het geding deelgenomen.

  3. De zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Ter zitting van 30 november 2016 heeft verzoekster de rechter gewraakt. In het van die zitting door de griffier opgestelde proces-verbaal zijn – zakelijk weergegeven – de volgende wrakingsgronden opgenomen:
-verzoekster is onvoldoende in de gelegenheid gesteld het woord te voeren;

-de vragen die de rechter aan de gemeente Weesp moet stellen, stelt zij niet;
-de rechter gaat klakkeloos uit van de stellingen van verweerder;

-de rechter heeft niet gerept over de stukken die verzoekster bij brief van 27 november 2016 heeft toegezonden.
Hieruit blijkt een vooringenomenheid van de rechter, aldus verzoekster.
Bij brief van 6 december 2016 heeft verzoekster als nieuwe wrakingsgrond aangevoerd dat het proces-verbaal van de zitting van 30 november 2016 op essentiële en cruciale gronden niet overeenkomt met en zelfs haaks staat op hetgeen ter zitting door verzoekster is gezegd. Bij het nemen van haar beslissing zal de rechter dan ook uitgaan van onjuiste gronden. Indien de procedure op basis van dit proces-verbaal zal worden voortgezet, is verzoekster genoodzaakt de rechter opnieuw te wraken, aldus de verklaring van verzoekster ter zitting. Verder is in de brief van 6 december 2016 een nadere toelichting gegeven over het ten onrechte weigeren door de rechter van tijdig ingediende stukken.
Bij brief van 23 december 2016 heeft verzoekster nogmaals een nieuwe grond aan haar wrakingsverzoek toegevoegd. Mede gezien de ter zitting door verzoekster gegeven toelichting, komt deze nieuwe grond er in de kern op neer dat de rechter, in het kader van door verzoekster verzochte ordemaatregelen, niet blind mocht vertrouwen op de toezegging van de gemeente Weesp dat geen werkzaamheden zouden worden verricht met betrekking tot het onderwerp van de gevraagde voorlopige voorziening. De rechter heeft niet op behoorlijke wijze aan waarheidsvinding gedaan. De door de gemeente uitgevoerde werkzaamheden hadden immers wel degelijk betrekking op hetgeen onderwerp was van de voorlopige voorzieningenprocedure, aldus verzoekster, en zij had dus wèl een ordemaatregel moeten treffen.

Bij brief van 10 januari 2017 van mr. Van Lunen is de wrakingsgrond dat de rechter heeft geweigerd stukken van verzoekster toe te laten nader toegelicht. Door ten onrechte herhaaldelijk te stellen dat de stukken te laat zijn ingediend en door de stukken niet bij de beoordeling van het geschil te betrekken, is de schijn van partijdigheid gewekt, aldus de brief van mr. Van Lunen.

3 De reactie van de rechter

De rechter heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat het proces-verbaal van de griffier de gang van zaken op de zitting van 30 november 2016 zakelijk weergeeft. Verzoekster heeft in de eerste termijn uitgebreid het woord kunnen voeren. Ook kreeg verzoekster een tweede termijn, maar op dat moment is de rechter gewraakt. Dat verzoekster is gevraagd het kort te houden, getuigt niet van vooringenomenheid. Het is immers de taak van de rechter om de orde op de zitting te bepalen en de tijd in de gaten te houden. Verder is het aan de rechter om te bepalen welke vragen aan partijen worden gesteld. De te laat door verzoekster ingediende stukken zijn niet geweigerd. De rechter heeft de stukken immers niet aan verzoekster teruggegeven. Verweerder had geen bezwaar tegen het meenemen van de stukken. Afgesproken is dat, als naar die stukken verwezen zou worden, de betreffende passages opgezocht en voorgelezen zouden worden. Voor zover de wraking ziet op het niet treffen van een ordemaatregel, kan hieruit geen (schijn van) partijdigheid worden afgeleid. Er is geen ordemaatregel getroffen omdat de gemeente Weesp reeds had toegezegd geen werkzaamheden meer te laten verrichten.

4 De gronden van de beslissing

4.1

Op grond van het bepaalde in artikel 8:15 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat hij jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig is dan wel een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.

4.2

Uit de stukken die aan de wrakingskamer ter beschikking zijn gesteld en uit de ter zitting hierop gegeven toelichting volgt dat verzoekster op de volgende vier gronden van mening is dat de rechter vooringenomen en/of niet onpartijdig is:
(1) verzoekster heeft op de zitting onvoldoende het woord gekregen;
(2) de rechter heeft ten onrechte geweigerd stukken van verzoekster aan te nemen;
(3) de inhoud van het proces-verbaal van 30 november 2016 is onjuist;
(4) de rechter stelt niet de juiste vragen, gaat klakkeloos uit van de stellingen van verweerder, doet onvoldoende aan waarheidsvinding en vertrouwt ten onrechte op toezeggingen van de gemeente Weesp.

4.3

De wrakingskamer overweegt over de eerst genoemde grond het volgende.
Zowel uit het proces-verbaal van de griffier als uit het door verzoekster opgestelde verslag van de zitting blijkt dat verzoekster in de eerste termijn in de gelegenheid is gesteld het woord te voeren. Het moge zo zijn dat verzoekster (meerdere keren) het woord is ontnomen door de rechter en dat zij meerdere keren is verzocht het kort te houden. Hieruit valt echter niet zonder meer (schijn van) vooringenomenheid af te leiden. Verzoekster miskent hiermee immers dat het aan de rechter is om op de zitting te orde te bewaken (te voorkomen dat partijen door elkaar heen spreken) en de tijd in de gaten te houden. Er kan pas worden gesproken van (schijn van) vooringenomenheid indien een procespartij geen redelijke gelegenheid wordt geboden het woord te voeren. Aanwijzingen dat daarvan in dit geval sprake was, zijn er niet.

4.4

Over de tweede grond overweegt de wrakingskamer dat in de uitnodigingsbrief voor de zitting door de rechtbank is opgenomen dat nieuwe stukken kunnen worden ingediend tot een dag vóór de zitting. Verzoekster heeft een bewijsstuk in het geding gebracht waaruit blijkt dat door haar nagezonden stukken (die waren verstuurd bij aangetekende brief van 28 november 2016) op 29 november 2016 om 5.54 uur bij de rechtbank zijn bezorgd. Om die reden stelt zij zich op het standpunt dat de stukken tijdig zijn ingediend. Volgens de verklaring van de rechter ter zitting dient de uitnodigingsbrief van de rechtbank zo te worden begrepen dat de stukken uiterlijk de dag vóór de dag voorafgaande aan de zitting moeten zijn ontvangen. In de bij de uitnodigingbrief gevoegde bijlage staat, onder het kopje “Het insturen van stukken” voor zover van belang opgenomen: “U kunt tot uiterlijk de dag voor de zitting nog stukken naar de voorzieningenrechter sturen die van belang zijn voor uw zaak. De voorzieningenrechter stuurt deze stukken dan ook naar de overheidsinstantie. […]”. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan de tekst van de uitnodigingsbrief, zeker in combinatie met de folder worden uitgelegd op de wijze als door verzoekster is gesteld. Er kan dus niet zonder meer worden vastgesteld dat verzoekster de stukken te laat heeft ingediend. Wat hiervan ook zij, de wrakingskamer deelt niet het standpunt van verzoekster dat de rechter de stukken heeft geweigerd. Zij heeft de stukken (met instemming van verweerder) aangenomen onder de mededeling dat de stukken ter plekke zullen worden bekeken indien er naar verwezen wordt. Dat dit ook is gebeurd blijkt uit pagina 3 van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de rechter bijlage 4 van verzoekster heeft geciteerd. Ook ten overstaan van de wrakingskamer heeft de rechter verklaard dat de zij de nagezonden stukken meeneemt in de procedure. Dat de rechter mogelijk ten onrechte ter zitting heeft medegedeeld dat de stukken eigenlijk te laat zijn ingediend, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van (schijn van) vooringenomenheid. De omstandigheid dat de rechter de stukken, hoewel zij - zij het wellicht ten onrechte - meende dat de stukken te laat waren toegestuurd, deze toch heeft toegelaten, wijst er eerder op dat zij verzoekster ter wille heeft willen zijn.

4.5

Ook uit de onjuistheid van de inhoud van het proces-verbaal volgt dat de rechter vooringenomen is, aldus verzoekster. Hierover overweegt de wrakingskamer dat het proces-verbaal is opgesteld en ondertekend door de griffier, niet door de rechter. Wel heeft de rechter zich gecommitteerd aan de inhoud van het proces-verbaal en verklaard dat het een zakelijke weergave is van het verhandelde ter zitting van 30 november 2016. Het proces-verbaal is, zo is ter zitting toegelicht, alleen opgesteld omdat de rechter is gewraakt en heeft derhalve alleen tot doel om de wrakingskamer inzicht te geven in het verloop van de zitting, voor zover voor de wraking van belang. Het zal derhalve niet dienen als basis voor de door de rechter te nemen beslissing. Een zittingsproces-verbaal is geen volledige weergave van al hetgeen op een zitting is gezegd of gebeurd, maar een zakelijke weergave van hetgeen voor de beoordeling (in dit geval van de wraking) van belang is. In het proces-verbaal komen de ter zitting aangevoerde wrakingsgronden - zij het wellicht enigszins ingekort - allemaal aan de orde. Dat het proces-verbaal anderszins onjuistheden of omissies bevat waaruit kan worden afgeleid dat bij de rechter - door zich aan dat proces-verbaal te committeren - sprake is van vooringenomenheid of bij verzoekster de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor is gewekt, is niet gebleken.

4.6

Over de vierde grond overweegt de wrakingskamer het volgende. Het is aan de rechter om te bepalen of zij vragen stelt en aan wie. Dat zij niet de juiste vragen zou stellen, klakkeloos verweerder zou volgen of niet aan waarheidsvinding zou doen, blijkt niet uit het proces-verbaal en evenmin uit het door verzoekster opgestelde verslag van de zitting.

4.7

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de door verzoekster gestelde vrees dat de rechter in haar zaak zich niet onpartijdig heeft opgesteld dan wel zich niet onpartijdig heeft uitgelaten - objectief bezien - niet gerechtvaardigd is. De beslissing is dan ook als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de procedure met nummer AMS 16/7053 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. K.A. Brunner, voorzitter, en G.H. Marcus en W.A.J.P. van der Reek, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2017, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier. Bij ontstentenis van de voorzitter is deze beslissing ondertekend door de oudste rechter.

Tegen deze beslissing staat ingevolge artikel 8:18 lid 5 Algemene wet bestuursrecht geen rechtsmiddel open.