Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2356

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
620558 / HA RK 461.2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. De beslissing van de rechter om geen aanhouding te verlenen is een processuele beslissing. Het door een rechter nemen van een (niet welgevallige) processuele beslissing levert op zichzelf volgens vaste jurisprudentie geen grond op voor wraking. Dat kan slechts anders zijn, indien deze beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze redelijkerwijs slechts kan worden verklaard door vooringenomenheid van de rechter. Daarvan is in deze zaak geen sprake. De beslissing is geenszins onbegrijpelijk. Het komt de rechtbank voor dat de beslissing na toepassing van hoor en wederhoor is genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 15 december 2016 ter zitting gedane en onder rekestnummer

C/13/620558/HA RK 461.2016 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.G. Borgesius,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. A. Sissing, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

  • -

    het proces-verbaal van 15 december 2016 van de comparitie gehouden in de zaak tussen verzoeker als gedaagde en zijn wederpartij;

  • -

    een schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek van 20 december 2016;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter van 27 januari 2017.

1.2

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 3 februari 2017, waar de rechtbank de gemachtigde van verzoeker en de rechter heeft gehoord. De rechter was vergezeld door haar griffier.

2 De feiten

2.1

Verzoeker is gedaagde partij in een bij de rechter aanhangige zaak. Eiseres in die zaak is eigenaar van parkeergarages en stelt dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan zogenoemd “treintje rijden”. Bij brief van 6 december 2016 heeft eiseres een akte eisvermeerdering naar de rechtbank en de verzoeker gestuurd, waarin drie nieuwe gevallen van “treintje rijden” werden genoemd. Verzoeker heeft deze akte met bijlagen op 11 december 2016 per brief ontvangen. Sinds 12 december 2016 is zijn gemachtigde, mr. Borgesius, bij de zaak betrokken. Bij fax van 14 december 2016 heeft mr. Borgesius aan de rechter om aanhouding gevraagd.

2.2

Blijkens het proces-verbaal heeft mr. Borgesius op de comparitie zijn aanhoudingsverzoek herhaald en toegelicht. De wederpartij heeft zich verzet tegen het aanhoudingsverzoek. Vervolgens heeft de rechter als haar beslissing meegedeeld dat de zaak op de comparitie zou worden afgedaan en dat het aanhoudingsverzoek niet werd gehonoreerd. Dat verzoeker pas zo laat in deze fase van de procedure naar een gemachtigde is gegaan, komt voor zijn rekening en risico. Bovendien heeft de gemachtigde, ook als hij pas op 12 december 2016 was ingeschakeld, voldoende tijd gehad om de zitting voor te bereiden en namens verzoeker het woord te voeren, aldus de rechter.

2.3

Vervolgens heeft verzoeker de rechter gewraakt.

3 De gronden van het verzoek

3.1

Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij zich tegen de vlak voor de comparitie ingediende eisvermeerdering wilde verweren en dat hij een nadere conclusie van antwoord wilde indienen. Hij heeft zich daarom tot mr. Borgesius gewend. Mr. Borgesius staat andere klanten van de wederpartij bij en in die nog lopende procedure speelt het retentierecht (mogelijk) een rol. Dat zou nu ook het geval kunnen zijn. Door het verzoek tot aanhouding niet toe te staan heeft de rechter verzoeker een belangrijke kans van hoor en wederhoor ontnomen en heeft verzoeker geen goede kans gekregen om verweer te voeren. Door de vermeerdering van eis ligt de zaak anders dan daarvoor. Mr. Borgesius wil verzoeker op een goede manier bijstaan. Niet alleen door het indienen van de conclusie van antwoord uit de andere lopende zaak tegen de wederpartij van verzoeker waarin hij ook optreedt, maar ook omdat tegen de eisvermeerdering meer verweer valt te voeren.

3.2

Daarnaast heeft de rechter deze beslissing gebaseerd op een vooringenomen standpunt zonder alle feiten en omstandigheden te kennen. Zij kwam direct tot de conclusie dat van een beroep op een retentierecht geen sprake is of kan zijn en ontnam de gemachtigde het woord om het verzoek tot aanhouding en de andere punten uit die andere procedure toe te lichten. De rechter zei dat het een eenvoudige zaak is en dat er slechts “drie data” bijgekomen waren.

3.3

Ter zitting heeft mr. Borgesius nog aangevoerd dat in de vermeerdering van eis drie nieuwe feiten naar voren zijn gebracht. Hij werd in zijn toelichting waarom hij nog schriftelijk op de eisvermeerdering wilde reageren door de rechter onderbroken. Daar komt nog bij dat hem de kans werd ontnomen om nog te concluderen, al berust dit wellicht op een misverstand. Verzoeker heeft belang bij nader verweer. Dat het om een simpele zaak zou gaan en dat geen beroep op een retentierecht mogelijk was, was een te voorbarige conclusie van de rechter.

4 De reactie van de rechter

4.1

De rechter heeft aangevoerd dat van enige vooringenomenheid dan wel de schijn daarvan jegens één van partijen geen sprake is geweest. Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou volgen dat zij partijdig is geweest. Het betreft hier een onwelgevallige beslissing die geen grond kan opleveren voor wraking. Voordat zij haar beslissing nam, heeft mr. Borgesius alle ruimte gekregen om toe te lichten waarom hij vond dat de mondelinge behandeling niet door kon gaan en waarop zijn aanhoudingsverzoek gebaseerd was. Er is geen sprake geweest van schending van hoor en wederhoor en mr. Borgesius is niet het woord ontnomen. Wel heeft de rechter het gesprek willen beperken tot de aanhoudingskwestie en heeft zij de inhoudelijke kant van de zaak op dat moment afgekapt. Mogelijk heeft mr. Borgesius niet goed begrepen dat hij vervolgens tijdens de mondelinge behandeling inhoudelijk op de zaak en de vermeerderde eis had mogen ingaan en dan ook zijn beroep op een retentierecht en de door hem genoemde jurisprudentie uitvoerig had kunnen toelichten. Daarnaast bestond er altijd nog de mogelijkheid dat tijdens de mondelinge behandeling besloten zou zijn, dat partijen nader schriftelijk zouden mogen reageren.

4.2

Ter zitting heeft de rechter aangevoerd dat beide partijen al tweemaal hadden geconcludeerd en dat daarom een inlichtingencomparitie was gelast. Zij hoorde geen reden voor aanhouding. Mr. Borgesius was vier dagen van tevoren ingeschakeld en had dus de gelegenheid gehad om de zaak voor te bereiden. Hij had ook een pleitnota kunnen indienen. De rechter heeft weersproken dat zij zich over het retentierecht heeft uitgelaten maar het is mogelijk dat zij heeft gezegd: “wat doet een retentierecht ertoe in het kader van al dan niet aanhouden?” of woorden van gelijke strekking.

5. De beoordeling

5.1

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3

De beslissing van de rechter om geen aanhouding te verlenen is een processuele beslissing. Het door een rechter nemen van een (niet welgevallige) processuele beslissing levert op zichzelf volgens vaste jurisprudentie geen grond op voor wraking. Dat kan slechts anders zijn, indien deze beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze redelijkerwijs slechts kan worden verklaard door vooringenomenheid van de rechter. Daarvan is in deze zaak geen sprake. De beslissing is geenszins onbegrijpelijk. Het komt de rechtbank voor dat de beslissing na toepassing van hoor en wederhoor is genomen. Mr. Borgesius is bovendien drie dagen voorafgaand aan de comparitie door verzoeker als zijn gemachtigde ingeschakeld. Mede gelet op zijn betrokkenheid als gemachtigde bij de andere zaak tegen de wederpartij van verzoeker mag hij verondersteld worden op zijn minst al over enige kennis over de achtergronden van de zaak van verzoeker te beschikken. Bovendien had hij een pleitnota kunnen indienen. Tot slot is niet gebleken dat de rechter verzoeker niet in de gelegenheid wilde stellen om tijdens de comparitie naar voren te brengen wat hij relevant vond.

5.4

Daarnaast heeft verzoeker gesteld dat de rechter een vooringenomen standpunt heeft ingenomen. De rechter heeft toegelicht dat alleen is gesproken over het verzoek tot aanhouding. Dat zij in dat kader heeft gezegd dat een retentierecht niet van belang is voor de beslissing over de aanhouding, is evenmin onbegrijpelijk. Uit het proces-verbaal blijkt dat het haar ging om de argumenten die relevant waren om te beoordelen of de inhoudelijke behandeling kon plaatsvinden. Gelet op deze omstandigheden heeft de rechter niet blijk gegegeven van enige vooringenomenheid of de schijn daarvan.

5.5

Dit betekent dat het verzoek dient te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, M.W. van der Veen en A.P. Schoonbrood-Wessels, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 39, vijfde lid Rv geen voorziening open.