Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:234

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4090
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:1051, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser verzoekt gesubsidieerde rechtsbijstand voor het voeren van een civielrechtelijke procedure in Nederland tegen Ratko Mladić waarin hij schadevergoeding vordert wegens een onrechtmatige daad (het plegen van genocide in Bosnië-Herzegovina waarbij zijn vader om het leven is gekomen). Verweerder heeft de aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de omstandigheden dat eiser de Nederlandse nationaliteit heeft, woonachtig is in Nederland, op voorhand niet is uitgesloten dat de Nederlandse civiele rechter rechtsmacht heeft, de immateriële schade van het schadeveroorzakende feit zich (in ieder geval gedeeltelijk) in Nederland voordoet en Mladić zijn feitelijke verblijfsplaats in Nederland heeft (in afwachting van zijn procedure bij het Joegoslavië Tribunaal) in dit geval voldoende aanknopingspunten aanwezig zijn voor de conclusie dat het door eiser gestelde rechtsbelang binnen de Nederlandse rechtssfeer ligt. Deze zaak wijkt af van de zaak waarin de Afdeling op 23 juli 2014 uitspraak heeft gedaan, omdat het daar een eisende partij betrof die niet in Nederland woonde en die niet de Nederlandse nationaliteit had. De rechtbank verklaart daarom het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/4090

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T. de Boer),

en

[verweerder] , verweerder

(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag van 23 oktober 2015 om een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 3 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens was ter zitting [naam 1] , partner van eiser, aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser heeft bij aanvraag van 23 oktober 2015 verzocht om gesubsidieerde rechtsbijstand voor het voeren van een civielrechtelijke procedure tegen [naam 2] ( [naam 2] ) waarin hij schadevergoeding vordert wegens een onrechtmatige daad. De vader van eiser is in juli 1995 in Srebrenica door de Bosnisch-Servische troepen onder leiding van [naam 2] gevangen genomen en vermoord. Eiser verwijt [naam 2] dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door het plegen van genocide, althans daaraan leiding gegeven te hebben, waarbij zijn vader om het leven is gekomen. Hierdoor heeft eiser schade geleden. [naam 2] verblijft sinds 31 mei 2011 in Nederland in afwachting van zijn proces bij het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag.

1.2

Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 12 van de Wrb, omdat er geen aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtssfeer. Naar aanleiding van het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft verweerder advies van de Commissie voor Bezwaar gevraagd en heeft de gemachtigde van eiser zijn standpunten op een hoorzitting van de Commissie voor Bezwaar op 20 april 2016 toegelicht. Op basis van het op 20 april 2016 uitgebrachte advies heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1

Op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wrb wordt uitsluitend rechtsbijstand verleend ter zake van in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen aan natuurlijke en rechtspersonen wier financiële draagkracht de in artikel 34 genoemde bedragen niet overschrijdt.

2.2

De in artikel 12 van de Wrb vermelde zin “in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen” is niet nader gedefinieerd. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat hierin de begrenzing van de voorziening van de gefinancierde rechtsbijstand is vastgelegd. Het begrip Nederlandse rechtssfeer bakent de Nederlandse verplichting om in rechtsbijstand te voorzien af ten opzichte van de verplichtingen waarin andere, in het concrete geval meer aangewezen landen behoren te voorzien. Uitgangspunt dient te zijn dat het land waar zich de civiele of strafzaak voordoet verantwoordelijk is voor de rechtsbijstandsvoorziening (Kamerstukken II 1991/92, 22 609, nr. 3, 1992/93, 22 609. Nr. 6 en 2000/01 27 400 VI, nr. 10).

3.1

In geschil is of het door eiser gestelde rechtsbelang, gelegen in de te voeren civielrechtelijke procedure, binnen de Nederlandse rechtssfeer ligt.

3.2

Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2723, op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een rechtsbelang dat binnen de Nederlandse rechtssfeer ligt. Verweerder heeft in dit verband de volgende feiten en omstandigheden van belang geacht. De gestelde onrechtmatige daad heeft in het buitenland plaatsgevonden, de gestelde feiten zullen naar buitenlands recht moeten worden beoordeeld en de tenuitvoerlegging van een eventueel toewijzende uitspraak zal hoogstwaarschijnlijk in het buitenland moeten plaatsvinden. Net zoals in de uitspraak van de Afdeling geldt hier ook dat de eventuele rechtsmacht van de Nederlandse rechter uitsluitend gebaseerd zal zijn op het feit dat [naam 2] in Nederland verblijft in afwachting van een procedure voor het Joegoslavië-Tribunaal dat in Nederland is gevestigd. Dat eiser de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland woonachtig is, doet aan het voorgaande niet af, aldus verweerder.

3.3

Eiser betoogt dat wel sprake is van een in de Nederlandse rechtssfeer liggend rechtsbelang. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit, is woonachtig in Nederland, [naam 2] heeft zijn vaste woon- en verblijfsplaats in Nederland, de Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 2 en artikel 9 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht, er is geen redelijk alternatief voor een civiele procedure in een ander land en het is voor eiser, zowel juridisch als praktisch, onmogelijk om bij het Joegoslavië-Tribunaal schadevergoeding te vorderen van [naam 2] . Daarbij komt dat [naam 2] naar verwachting nog jaren in Nederland zal verblijven en er een risico is dat hij, vanwege zijn slechte gezondheid, zal overlijden voordat de procedure voor het Joegoslavië-Tribunaal is afgerond.

3.4

Bij de beoordeling of het gestelde rechtsbelang binnen de Nederlandse rechtssfeer ligt zijn naar het oordeel van de rechtbank de volgende omstandigheden van belang. Anders dan in voornoemde uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2014, die over een soortgelijke zaak ging, heeft eiser de Nederlandse nationaliteit en is hij woonachtig in Nederland. Hoewel het niet aan de bestuursrechter is om te oordelen over de bevoegdheid (waaronder rechtsmacht) van de Nederlandse civiele rechter, is op voorhand niet uitgesloten dat de Nederlandse civiele rechter rechtsmacht heeft. Gelet op het feit dat eiser in Nederland woont zal, anders dan in de uitspraak van de Afdeling, de eventuele rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet uitsluitend gebaseerd zijn op het feit dat [naam 2] in Nederland verblijft. Verder is van belang dat het schadeveroorzakende feit zich weliswaar in Bosnië-Herzegovina heeft voorgedaan, maar dat de immateriële schade zich (in ieder geval gedeeltelijk) in Nederland voordoet doordat eiser hier woonachtig is. Ook in dat opzicht is deze zaak anders dan de zaak waarin de Afdeling op 23 juli 2014 uitspraak heeft gedaan. Daarnaast is van belang dat [naam 2] zijn feitelijke verblijfplaats in Nederland heeft en is nog onzeker hoelang zijn procedure bij het tribunaal zal gaan duren. Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in dit geval voldoende aanknopingspunten aanwezig zijn voor de conclusie dat het door eiser gestelde rechtsbelang binnen de Nederlandse rechtssfeer ligt.

3.5

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 juli 2014 mede van belang geacht, zoals door verweerder ook naar voren is gebracht, dat eventuele rechtsmacht van de Nederlandse rechter uitsluitend is gebaseerd op het feit dat het Joegoslavië-Tribunaal in Nederland is gevestigd en niet is gebleken dat de internationale gemeenschap en Nederland daarbij aandacht hebben besteed aan de mogelijkheid dat in Nederland aanvragen om toevoegingen voor rechtsbijstand voor het voeren van civielrechtelijke procedures tegen gedetineerden van het Joegoslavië-Tribunaal zouden worden gedaan. Zoals hiervoor al is overwogen, zal in de onderhavige zaak de eventuele rechtsmacht van de Nederlandse rechter vermoedelijk niet uitsluitend gebaseerd zijn op het feit dat het Joegoslavië-Tribunaal in Nederland is gevestigd. Daarnaast wordt overwogen dat de rechtbank weliswaar de doelstelling van de Wrb erkent, waaronder het beheersbaar houden van de kosten voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand behoort, maar in dit geval kan daar naar het oordeel van de rechtbank minder gewicht aan worden toegekend dan in de zaak die bij de Afdeling voorlag. Anders dan in die zaak heeft eiser immers de Nederlandse nationaliteit en is hij woonachtig in Nederland. Daarmee is de potentiële kring van mensen die schadevergoeding willen vorderen van gedetineerden van alhier gevestigde internationale hoven aanzienlijk beperkter dan in de zaak bij de Afdeling, omdat in die zaak eiser een buitenlandse nationaliteit had en woonachtig was in Bosnië-Herzegovina. Bovendien lijken zaken waarin een soortgelijke vraag voorligt niet veel voor te komen. Verweerder heeft dat desgevraagd ter zitting ook niet gemotiveerd weersproken. Gelet daarop lijkt het gerechtvaardigd dat aan het belang van het beheersbaar houden van de kosten van rechtsbijstand in de onderhavige zaak een minder groot gewicht toekomt.

4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door eiser gestelde rechtsbelang binnen de Nederlandse rechtssfeer ligt. Aan de beoordeling van hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd komt de rechtbank niet meer toe. Omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de zaak finaal te beslechten, omdat uit het dossier niet blijkt of eiser aan de overige voorwaarden om in aanmerking te komen voor een toevoeging voldoet. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- (zegge: zesenveertig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,- (zegge: negenhonderd tweeënnegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling rechter, in aanwezigheid van

mr. M.H.S. Abbing, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
11 januari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.