Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:232

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
13/702640-15, 16/5110 en 16/5111
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verzoek 89/591a Sv. Toevoeging ingetrokken, verzoek vergoeding kosten raadsman toegewezen. Matiging i.v.m. bovenmatige declaratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/702640-15

RK: 16/5110 en 16/5111

BESCHIKKING

op het verzoek ex artikel 89 en artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het (post)adres [GBA-adres]

, te dezen woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. R.C. Fransen. [adres] ,

verzoeker.

1 Procesgang

1.1.

Het verzoek is op 22 juli 2016 ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

1.2.

Het Openbaar Ministerie heeft op 10 augustus 2016 zijn standpunt ten aanzien van het verzoek schriftelijk kenbaar gemaakt.

1.3.

De rechtbank heeft op 13 december 2016 de raadsman van verzoeker en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

1.4.

Verzoeker is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2 Inhoud van het verzoekschrift en standpunt verzoeker

2.1.

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 315,00 voor de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis stelt te hebben geleden.

2.2.

Het verzoek strekt daarnaast tot het toekennen van een vergoeding van € 17.347,17 voor de kosten van de raadsman (54,1 uur x € 250,00 + 6% kantoorkosten + 21% btw) en € 550,00 (inclusief btw) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

2.3.1.

In raadkamer heeft de raadsman naar aanleiding van vragen van de rechtbank en in reactie op het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Het Openbaar Ministerie heeft een punt gemaakt van de datum van intrekking van de toevoeging. Het enige dat relevant is, is dat de intrekking heeft plaatsgevonden vóór de uitspraak van de rechtbank. De toevoeging is op verzoek van verzoeker ingetrokken. Over de beweegredenen van verzoeker om zijn raadsman te vragen hem in plaats van op toevoeging op betalende basis bij te staan, kunnen in verband met de geheimhoudingsplicht geen mededelingen worden gedaan. De door het Openbaar Ministerie gemaakte vergelijking met de beschikking van de rechtbank Noord-Holland gaat niet op omdat in die zaak is verzocht om intrekking van de toevoeging nadat duidelijk was dat de zaak zou worden geseponeerd terwijl in deze zaak het verzoek meer dan een half jaar voor de uitspraak van de rechtbank is gedaan en toen in het geheel nog niet duidelijk was hoe de zaak zou eindigen.

2.3.2.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het onderhavige verzoek is de declaratie en die is niet bovenmatig hoog. Het ging om een zware verdenking; er is niet voor niets tegen de medeverdachte van verzoeker 12 maanden gevangenisstraf geëist. De zaak heeft bijna een jaar geduurd en was niet eenvoudig van aard. Er is veel tijd gaan zitten in kort gezegd het onderzoek naar de dynamische verkeerscontrole, een kwestie die destijds nog niet uitgekristalliseerd was. De verdediging heeft onder meer een bezwaarschrift ex artikel 182 lid 6 Sv ingediend om de verbalisant die deze controle heeft uitgevoerd als getuige te horen nu de rechter-commissaris dat verzoek had afgewezen. De beschikking van de rechtbank op het bezwaarschrift kwam drie dagen voor het arrest van het Hof Amsterdam van 21 december 2015 over de dynamische verkeerscontrole (de rechtbank begrijpt: ECLI:NL:GHAMS:2015:5307). De tijd die in rekening is gebracht na het vonnis heeft te maken met het op een nette manier afronden van de zaak. Het is ten slotte niet relevant of verzoeker de rekening inmiddels heeft betaald.

2.4.

De raadsman heeft in raadkamer een e-mail van [persoon] , werkzaam bij de Raad voor Rechtsbijstand, overgelegd waarin wordt bevestigd dat ‘de ingang mutatie (voor de intrekking) moet zijn 24 december 2015’.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

3.1.

De officier van justitie heeft in raadkamer – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie van 10 augustus 2016 – verklaard zich niet te verzetten tegen het toekennen van de standaardschadevergoeding op grond van artikel 89 Sv en de standaardvergoeding voor het opstellen, indienen en toelichten van het verzoekschrift ex artikel 591a Sv maar zich wel te verzetten tegen een (integrale) vergoeding voor kosten van de raadsman. De officier van justitie heeft naar aanleiding van de e-mail van de Raad voor Rechtsbijstand opgemerkt dat hij ervan uitgaat dat de toevoeging op 24 december 2015 is ingetrokken en niet pas op 5 juli 2016 zoals in het schriftelijk standpunt staat zodat het standpunt dat alleen de kosten die na die datum voor vergoeding in aanmerking komen in zoverre niet langer wordt gehandhaafd.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie houdt het volgende in. Artikel 591a lid 2 Wetboek van Strafvordering geeft aan de vrijgesproken verdachte de mogelijkheid tot vergoeding van de kosten van de raadsman, maar behoudens voor zover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is. Uit artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand volgt dat de rechtzoekende die gebruik maakt van zijn toevoeging geen kosten voor het gebruik maken van een raadsman mag vorderen, aangezien hij deze kosten niet heeft gemaakt. De rechtzoekende maakt gebruik van zijn toevoeging, indien op het moment dat de advocaat rechtsbijstand verleent een toevoeging is afgegeven (zie in dit verband de Memorie van Toelichting en bijvoorbeeld ook de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 9 februari 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:911). De raadsman heeft in zijn verzoekschrift aangegeven dat aanvankelijk sprake was van een last tot toevoeging op basis waarvan verzoeker op een voor hem kosteloze manier rechtsbijstand kon verkrijgen, maar dat hij de rechtbank op 24 december 2015 heeft verzocht om de toevoeging in te trekken, aangezien verzoeker op betalende basis bijgestaan wenste te worden (hetgeen een opmerkelijke keuze mag heten voor iemand die bij de politie heeft verklaard meer dan € 70.000,00 schuld te hebben). Dit brengt mee dat vergoeding van de kosten van de raadsman eerst vanaf 24 december 2015 mogelijk is en dat alleen kosten die gemaakt zijn vanaf die datum voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De kosten van vóór die datum zijn immers ‘afgedekt’ door middel van de toevoeging.

3.3.

Subsidiair – voor zover de raadkamer oordeelt dat het verzoek om vergoeding van de kosten van de raadsman niet stuit op artikel 44a van de Wet op de Rechtsbijstand – moeten de gedeclareerde kosten gezien de aard, omvang en de complexiteit van de strafzaak bovenmatig geacht worden. In dit verband zijn de volgende omstandigheden van belang. Ten eerste is zowel de tenlastelegging als het strafdossier niet bijzonder complex en/of omvangrijk. Ook was geen specialistische kennis nodig bij deze strafzaak, die zich als volgt laat samenvatten. Op 14 augustus 2015 heeft een verkeerscontrole plaatsgevonden van een auto waarvan verzoeker de bestuurder was. Persoon B. zat op dat moment op de bijrijdersstoel naast verzoeker. In de auto op de vloer voor de bijrijdersstoel is een rugtas met een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Aan verzoeker (als ook aan B.) is ten laste gelegd dat hij in vereniging een grote hoeveelheid verdovende middelen vermeld op lijst 1 van de Opiumwet heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad. Het strafdossier omvat ongeveer 150 pagina’s, waarvan lang niet alle pagina’s relevant. B. is voor dit feit veroordeeld. Verzoeker is – omdat ten aanzien van hem geen wetenschap van de inhoud van de rugtas kon worden bewezen – vrijgesproken. Niet valt in te zien waarom het voor het voeren van de verdediging noodzakelijk was om 54,10 uur aan deze strafzaak te besteden. In het bijzonder vallen de volgende kostenposten op.

  • -

    Aan cliëntbesprekingen en voorbereiding van die besprekingen wordt 450 minuten (= 7,5 uur) opgevoerd. Het is niet duidelijk in welke mate het voor het voeren van de verdediging het voor de raadsman noodzakelijk was om aan deze post 7,5 uur te besteden;

  • -

    De raadsman voert in totaal aan 444 minuten (= 7,4 uur) op aan studiekosten (niet zijnde dossierstudie). Het betreft studie naar de onderwerpen “medeplegen” en naar “de dynamische verkeerscontrole”. Dit zijn onderwerpen die dermate vaak aan de orde komen in (commune) strafzaken, dat kennis op dit gebied tot de vaste uitrusting van een (commuun) strafrechtadvocaat dient te behoren en studie op dit gebied niet in aanmerking dient te komen voor vergoeding in een specifieke strafzaak. Subsidiair dient het aantal minuten aan studie te worden gematigd;

  • -

    De raadsman heeft 564 minuten (= 9,4 uur) opgevoerd voor het opstellen van de pleitnota en het voorbereiden van de zitting. Niet valt in te zien dat voor het opstellen van een pleitnota en het voorbereiden van de zitting in deze strafzaak in redelijkheid 9,4 uur noodzakelijk was.

  • -

    De raadsman heeft een aantal kostenposten opgevoerd die corresponderen met werkzaamheden die zijn verricht op 20 juli 2016, in totaal 48 minuten. Aangezien het vonnis op 14 juli 2016 onherroepelijk is geworden, valt niet in te zien waarom het voor het voeren van de verdediging noodzakelijk was om op 20 juli 2016 hiervoor nog kosten te maken. Nabespreking van het vonnis met cliënt lijkt aangewezen, maar uit de urenspecificatie blijkt dat op de datum van het vonnis ook reeds cliënt contact is geweest. Vanuit dat licht valt niet in te zien wat de noodzaak is om op 20 juli 2016 in totaal 48 minuten te besteden aan (het voorbereiden van) cliëntbesprekingen.

3.4.

Voor zover de raadkamer het primaire standpunt van het Openbaar Ministerie niet volgt, dienen subsidiair de kosten van de raadsman te worden gematigd en dient op gronden van billijkheid een bedrag aan vergoeding in de kosten van een raadsman van maximaal € 2.000,00 te worden toegekend.

4 Het oordeel van de rechtbank

4.1.

Inleiding

4.1.1.

Verzoeker is op 14 augustus 2015 aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Op 17 augustus 2015 is de bewaring van verzoeker bevolen en is het bevel tot inbewaringstelling onmiddellijk geschorst. Verzoeker is op 29 juni 2016 door de meervoudige kamer van deze rechtbank vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

4.1.2.

Ingevolge artikel 89 Sv kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte, ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden.

4.1.3.

Ingevolge artikel 591a lid 2 Sv kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, welke hij ten gevolge van tijdsverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.

4.1.4.

Op grond van artikel 90 lid 1 Sv heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

4.1.5.

De strafzaak tegen verzoeker is op 13 juli 2016 onherroepelijk geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Het verzoek is derhalve tijdig ingediend.

4.2.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 89 Sv

4.2.1.

De rechtbank acht alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de levensomstandigheden van verzoeker, gronden van billijkheid aanwezig een schadevergoeding toe te kennen tot € 315,00, de standaardschadevergoeding voor 3 dagen die op een politiebureau zijn doorgebracht.

4.3.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591a Sv

4.3.1.

Artikel 44a Wet op de rechtsbijstand luidt:

  1. Indien een verdachte in een strafzaak is bijgestaan door een raadsman die op het moment van de verlening van rechtsbijstand is toegevoegd, wordt met uitzondering van de vergoeding van de eigen bijdrage, geen kostenvergoeding van een raadsman als bedoeld in artikel 591a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering toegekend, tenzij de toevoeging, anders dan na een daartoe ingediende aanvraag, wordt ingetrokken of beëindigd.

  2. In het geval op last van de rechter een raadsman is toegevoegd, wordt overeenkomstig het eerste lid geen kostenvergoeding toegekend, indien de toevoeging op of na de uitspraak van de rechter na een daartoe ingediend verzoek van de verdachte bij de rechterlijke instantie die een last heeft verstrekt, wordt ingetrokken of beëindigd.

4.3.2.

In de onderhavige zaak is op last van de rechtbank een raadsman aan verzoeker toegevoegd. Er is derhalve sprake van een ambtshalve toevoeging als bedoeld in het tweede lid van artikel 44a Wet op de rechtsbijstand. De raadsman heeft op 24 december 2015 de rechtbank verzocht deze toevoeging in te trekken en de toevoeging is daarna ook daadwerkelijk ingetrokken. Aangezien de toevoeging vóór de uitspraak van de rechtbank is ingetrokken, wordt zij geacht nimmer te zijn verstrekt en kan verzoeker een verzoek voor vergoeding van de kosten van zijn raadsman doen, óók ten aanzien van de kosten die de raadsman voor het intrekken van de toevoeging heeft gemaakt. De vraag is of gronden van billijkheid aanwezig zijn het verzoek (integraal) toe te wijzen.

4.3.3.

De rechtbank is bij het beoordelen van een verzoek tot het toekennen van een vergoeding uit ’s Rijks kas op de voet van artikel 591a Sv ter zake van de kosten van rechtsbijstand niet gebonden aan de door de advocaat opgestelde declaratie, ook niet indien deze van een gedetailleerde urenspecificatie is voorzien. Een dergelijke declaratie is niet meer dan een uitgangspunt en de rechter heeft de ruimte daarvan af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn (vgl. Gerechtshof Arnhem 22 januari 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BE8953 en Gerechtshof Arnhem 8 oktober 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY0240). Die gronden van billijkheid kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in de mate waarin de verzoeker aan zichzelf te wijten heeft dat hij de desbetreffende kosten heeft gemaakt, maar zij kunnen ook zijn gelegen in de bovenmatigheid van de declaratie. Het moet in dat laatste geval wel gaan om in meer of mindere mate in het oog springende bovenmatigheid. Is daarvan geen sprake, dan dient de rechter de omvang van de in rekening gebrachte kosten marginaal te toetsen (vgl. Gerechtshof Leeuwarden 3 februari 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BL8539).

4.3.4.

De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, weliswaar gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman maar zal deze in aanzienlijke mate matigen omdat zij van oordeel is dat de gedeclareerde tijd (54,1 uur) bovenmatig is. De strafzaak was juridisch noch feitelijk complex en evenmin omvangrijk. Verder heeft het Openbaar Ministerie de hoogte van de declaratie betwist en is dit is onvoldoende gemotiveerd weersproken door verzoeker. De rechtbank zal in plaats van de gevraagde ruim € 17.000,00 een bedrag van € 5.000,00 (inclusief btw en kantoorkosten) toekennen.

4.3.5.

De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift de standaardvergoeding toekennen.

4.4.

Ten aanzien van het verrekenen ex artikel 90 lid 3 Sv

4.4.1.

Op grond van artikel 90 lid 3 Sv wordt indien de rechter beslist tot het toekennen van (schade)vergoeding naar aanleiding van een verzoek ex artikel 89 en/of 591a Sv, het uit te keren bedrag verrekend met geldboeten en andere aan de Staat verschuldigde geldsommen, tot betaling waarvan de verzoeker bij onherroepelijk geworden vonnis of arrest in een strafzaak is veroordeeld of tot betaling waartoe de verzoeker op grond van een jegens hem uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht is indien die nog niet door hem zijn voldaan.

4.4.2.

Uit gegevens van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) blijkt dat verzoeker op grond van een jegens hem uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht is € 193,00 aan de Staat te betalen.

4.4.3.

De op grond van artikel 89/591a Sv aan verzoeker uit te keren vergoedingsbedragen zullen worden verrekend met het bedrag dat verzoeker op grond van bovengenoemde strafbeschikking verplicht is aan de Staat te betalen.

5 Beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 89 Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 315,00 (driehonderdvijftien euro) voor de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering (en voorlopige hechtenis) heeft geleden.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591a Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 5.000,00 (vijfduizend euro) voor de kosten van de raadsman.

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Ten aanzien van de verrekening ex artikel 90 lid 3 Sv:

De (schade)vergoedingsbedragen worden verrekend met het bedrag dat verzoeker de Staat nog moet betalen met dien verstande dat aan verzoeker € 5.672,00 (vijfduizend zeshonderdtweeënzeventig euro) zal worden uitgekeerd en aan de Staat in de persoon van het CJIB € 193,00 (honderddrieënnegentig euro).

Deze beslissing is gegeven op 13 januari 2017 en in het openbaar uitgesproken door

mr. F.W. Pieters, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier.