Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2297

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
C/13/623053 / HA RK 17/31
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek toegewezen. Opmerkingen van de voorzitter aan het adres van een partij. De bewuste opmerking van de voorzitter, zoals onder 2.13 van de beslissing weergegeven, kan naar objectieve maatstaven bij verzoekster de gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid hebben gewekt. Bedoelde opmerking, die ter zitting verder niet werd toegelicht, wekt immers de indruk dat de rechtbank op voorhand ervan uitging dat de Bank ter zake van de omstreden handtekeningen het gelijk aan haar zijde had. Objectief beschouwd kan door de opmerking van de voorzitter bij verzoekster de vrees zijn ontstaan dat sprake was van een gebrek aan onpartijdigheid, nu de voorzitter door haar opmerking tegen de medewerker van de Bank de indruk wekte dat zij hem in bescherming nam. Dit in samenhang met de reactie naar aanleiding van de geweigerde akte “dat de rechtbank het wel genoeg vond zo”, terwijl achteraf is gebleken dat in de brief van de griffier van 25 januari 2017 ten onrechte niet was vermeld dat nieuwe producties wel mochten overgelegd voor zover die geen betrekking hadden op de vermeerdering van eis. De reactie van de rechters bij monde van de voorzitter dat in feite een beschuldiging werd geuit tegen de medewerker van de Bank aangaande het vervalsen van handtekeningen, moet voorbarig worden geacht, omdat slechts was geconstateerd dat de handtekeningen niet hetzelfde waren. Het is niet onbegrijpelijk dat hierdoor bij verzoekster de indruk is versterkt dat de rechtbank aan haar standpunt reeds op voorhand geen geloof hechtte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 30 januari 2017 ter zitting gedane en onder rekestnummer

C/13/623053 / HA RK 17/31 ingeschreven verzoek van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CLAIM PARTICIPANTS B.V.,

gevestigd te Arkel,

verzoekster,

advocaat: mr. R. Ludding, gevestigd te Rijswijk,

welk verzoekt strekt tot wraking van mrs. R.A. Dudok van Heel, voorzitter, A.H.E. van der Pol en M. Haentjes, leden, rechters te Amsterdam, hierna: de rechters.

1 Verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

  • -

    het verkorte proces-verbaal van de zitting gehouden op 30 januari 2017 met daarin opgenomen het wrakingsverzoek gedaan door mr. J.C.J. Wouters, advocaat gevestigd te Hilversum, advocaat van verzoekster in de bodemzaak;

  • -

    de akte tot overlegging van producties en tot aanvulling van de wrakingsgronden met bijlagen van verzoekster van 6 februari 2017;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechters met bijlagen van 13 februari 2017.

1.2

De rechters hebben meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 15 februari 2017, waar de rechtbank de directeur van verzoekster, [ ], haar advocaat en de rechters heeft gehoord. De rechters werden vergezeld door mr. J. Thomas, teamvoorzitter. Mr. Ludding heeft pleitaantekeningen overgelegd en [naam 1] een schriftelijke reactie.

2 De feiten

2.1

Verzoekster treedt op namens zeven lastgevers in een bij de rechters aanhangige zaak onder nummer C/13/581797 / HA ZA 15-185. De wederpartij van verzoekster is de naamloze vennootschaap ABN AMRO BANK N.V., hierna de Bank.

2.2

Bij dagvaarding van 12 januari 2015 is de Bank door (de rechtsvoorgangster van) verzoekster als lasthebber van niet nader genoemde materiële eisers gedagvaard tot vergoeding van schade die bij MKB-ondernemingen zou zijn veroorzaakt als gevolg van het afsluiten van renteswaps.

2.3

Bij tussenvonnis van 22 april 2015 is onder meer overwogen: “De eisende partij moet in haar repliek, gelet op de verweren in de conclusie van antwoord, in elk geval inzicht geven in de identiteit van de materiële eisers (cedenten, lastgevers, opdrachtgevers), in de concrete communicatie met de materiële eisers over relevante kenmerken en eigenschappen van swaps (indien dergelijke communicatie heeft plaatsgevonden) en in de overige concrete omstandigheden die voor iedere materiële eiser relevant zijn geweest bij de totstandkoming van de swaps.”

2.4

Bij repliek heeft verzoekster zeven lastgevers geïndividualiseerd. Bij dupliek heeft de Bank de stukken uit de dossiers van de lastgevers waarover zij beschikte overgelegd. Het ging om 87 producties, waaronder alle documenten in het kader van het aangaan van de renteswaps. De dossiers van de zeven lastgevers zelf bevatten minder documenten.

2.5

Op 13 juli 2016 heeft de rechtbank pleidooi bepaald op 30 januari 2017 van 09:30 uur tot 12:30 uur en van 13:30 uur tot 16:30 uur. Bij e-mail van 1 augustus 2016 hebben de rechters aan de advocaten een voorlopige indeling van de dag van pleidooi voorgesteld.

2.6

Bij brief van 18 oktober 2016 is namens de rechters aan beide advocaten meegedeeld dat mr. Wouters de akte wijziging/vermeerdering van (grondslagen van) eis uiterlijk op 9 november 2016 diende in te dienen en is tevens om een reactie gevraagd op de producties van de Bank bij dupliek alsmede om de inhoudelijke reactie op de dupliek reeds in deze akte op te nemen. Voorts hebben de rechters laten weten dat zij vooralsnog van oordeel blijven dat de individuele dossiers op hun eigen merites moeten worden beoordeeld, maar dat het aan mr. Wouter is om te bepalen wat hij aan zijn vorderingen ten grondslag wil leggen. Als dat de door hem als “generieke kenmerken” aangeduide grondslagen zijn, had hij het recht die ook te bepleiten. Voor het pleidooi over de “generieke kenmerken” zou dan meer tijd worden ingeruimd dan in het oorspronkelijke voorstel. Hij zou dan wel minder tijd krijgen om de individuele dossiers te bespreken. De rechtbank ging er daarbij vanuit dat hij bij zijn pleidooi over de generieke kenmerken ook zou aangeven of en op welke wijze die in de individuele dossiers een rol zouden spelen. Bij deze brief is een globale agenda van de dag van pleidooi meegestuurd. In de ochtend zouden de generieke kenmerken besproken worden en in de middag de individuele zaken van de zeven lastgevers.

2.7

Bij akte van 9 november 2016 heeft verzoekster de grondslagen van de eis aangevuld en voorlopig gereageerd op de conclusie van dupliek met de producties, welke akte op 7 december 2016 is aangevuld. In de akte van 7 december 2016 heeft verzoekster aangekondigd dat zij de bijstand van mr. Ludding had ingeroepen en dat de grondslag van de eis nog aangevuld zou kunnen worden met een rechtsgrond ontleend aan het mededingingsrecht.

2.8

Begin januari 2017 heeft lastgeefster [ ], hierna [ ], in het kader van de voorbereiding van het pleidooi geconstateerd dat de handtekening van haar echtgenoot op het op 30 november 2007 gedateerde formulier Cliëntenprofiel Treasury anders was dan die op de Bevestiging Renteswap transactie van 30 november 2007. Deze producties waren door de Bank bij dupliek overgelegd. De handtekening op het laatste stuk was volgens haar zonder meer die van haar echtgenoot. Bij brief van 6 januari 2017 heeft mr. Wouters de Bank hiervan op de hoogte gesteld en is de Bank gevraagd om een bevredigende uitleg te verschaffen, bij gebreke waarvan dit door hem bij pleidooi aan de orde zou worden gesteld. De Bank heeft niet gereageerd. Wel is door de Bank bij akte van 30 januari 2017 als productie toegestuurd het formulier Intake Treasury van 30 november 2007. Ook de handtekening op dat formulier was volgens [ ] niet die van haar echtgenoot. Bij akte van 30 januari 2017 heeft de Bank voorts de brief met het voorstel Gebruik van Rentederivaten van 30 november 2007 in het geding gebracht. Volgens [ ] had zij die brief nooit eerder gezien.

2.9

Bij akte ingediend op 13 januari 2017 ten behoeve van de zitting op 30 januari 2017 heeft verzoekster de grondslag van de eis aangevuld met een rechtsgrond ontleend aan het mededingingsrecht. Bij deze akte waren ook producties overgelegd, waaronder een e-mailwisseling tussen de Bank en van een van de lastgevers. Na verzet van de Bank heeft de rechtbank de akte geweigerd.

2.10

De griffier heeft bij brief van 25 januari 2017 namens de rechters meegedeeld dat deze akte was geweigerd. Het verzoek om verlenging van de spreektijd werd eveneens geweigerd. Nadere producties mochten alleen worden ingediend indien ze geen betrekking hadden op de geweigerde akte.

2.11

Blijkens het verkorte proces-verbaal van de zitting van 30 januari 2017 hebben in de ochtend de advocaat van verzoekster en de advocaat van de Bank gepleit aan de hand van hun pleitaantekeningen, vragen van de rechtbank beantwoord en gereageerd op elkaars stellingen. Na een schorsing is de rechtbank overgegaan tot de behandeling van de afzonderlijke dossiers van de zeven lastgevers. De advocaat van de Bank heeft gepleit aan de hand van pleitaantekeningen en beide advocaten en (vertegenwoordigers van) partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaars stellingen gereageerd. Tijdens de behandeling van de zaak van [ ] heeft mr. Wouters op enig moment een schorsing verzocht.

2.12

Bij de behandeling van de zaak [ ] was aanwezig haar relatiemanager bij de Bank, de heer [ ].

2.13

Blijkens het verkorte proces-verbaal heeft mr. Wouters na de schorsing verklaard als volgt: “Bij de bezwaren die mevrouw [ ] uiteenzette tegen de ondertekening van de twee formulieren van 30 november 2007 gaf zij aan dat dit niet de handtekening van haar echtgenoot [ ] was. Op enig moment, niet lang nadat dit gezegd was, richtte de voorzitter van de rechtbank zich tot de heer [ ] van ABN Amro met de mededeling: “De rechtbank kan zich niet voorstellen dat u deze brieven ondertekend heeft, maar maakt u zich geen zorgen.” Even later, toen mevrouw [ ] de brief van 30 november 2007 aan de orde stelde, die zij pas vorige week van mij heeft ontvangen, heeft de voorzitter van de rechtbank zich weer tot de heer [ ] gewend met de mededeling dat het gaat om een verschrijving. Ik ga ervan uit dat de voorzitter namens de gehele Kamer spreekt. Mijn wrakingsverzoek ziet dan ook op de gehele Kamer”.

3 De gronden van het verzoek

3.1

Verzoekster heeft aan haar verzoek het volgende ten grondslag gelegd.

De rechtbank had haar opvattingen over verzoekster en haar aanpak niet mogen laten doorwerken in haar opstelling tijdens het pleidooi. De rechtbank heeft van meet af aan bezwaren gehad tegen de collectieve aanpak op commerciële basis van verzoekster. Daarbij stonden voor verzoekster generieke kenmerken centraal. De rechtbank had dat oordeel bij vonnis mogen geven, maar heeft dat niet gedaan. Integendeel, in het tussenvonnis van 22 april 2015 is dat oordeel niet gegeven. Daar komt nog bij dat het verweer van de Bank van meet af aan ook generiek is geweest, terwijl bij de behandeling van de individuele dossiers, op opvallende wijze generiek verweer is gevoerd.

3.2

In de conclusie van repliek heeft verzoekster uitdrukkelijk gesteld dat de communicatie die er met de Bank is geweest, niet duidelijk heeft gemaakt wat de relevante kenmerken en eigenschappen van renteswaps zijn, althans niet op een manier die aan de daartoe te stellen eisen voldoet. Verzoekster heeft verwezen naar een overgelegde brochure en gesteld dat de informatie die in deze brochure besloten ligt, nooit is gecommuniceerd. Ook heeft verzoekster gesteld dat de Bank heeft nagelaten een rentecap te adviseren op de wijze als in de brochure over een rentecap vermeld. Verzoekster heeft afrondend gesteld dat als objectieve voorlichting zou hebben bestaan uit het ter beschikkingstellen van beide brochures iedere MKB ondernemer zou hebben gekozen voor een rentecap.

3.3

In de loop van de middag constateerde verzoekster dat de voorzitter steeds meer aanstuurde op een sfeer van gemeenzaamheid met (advocaten en vertegenwoordigers van) de Bank. Dit werd duidelijk in onderonsjes over allerlei niet ter zake doende aspecten. De individuele lastgevers heeft de voorzitter op intimiderende wijze ondervraagd. Telkens als een lastgever had laten weten na contact met de rechtsvoorgangster van verzoekster tot het inzicht te zijn gekomen dat een verkeerd product was verkocht in de vorm van een renteswap en dat de bank een rentecap had moeten verkopen, antwoordde de rechter dat na de rentedaling van het najaar 2008 iedereen natuurlijk wel voor een rentecap geopteerd zou hebben. Daarmee werd een centraal element in de beleving van de lastgevers vernederend uitgeschakeld.

3.4

Bij de behandeling van het individuele dossier van [ ] heeft de advocaat van de Bank verklaard dat [ ] op 30 november 2007 de offerte had ontvangen, kennis had kunnen nemen van de brochure en dat [ ] het treasury formulier en het cliëntenprofiel heeft ondertekend. Dit was voor het eerst dat werd gereageerd op de brief van 6 januari 2017, maar op de kwestie van de handtekening werd verder niet ingegaan. Dit was ook voor het eerst dat de Bank aan haar verweer ten grondslag legde dat beide formulieren door [ ] ondertekend waren. Vervolgens begon de rechter aan de ondervraging van [ ]. Deze heeft de kwestie van de twee handtekeningen aan de orde gesteld. De voorzitter wendde zich toen ineens tot [ ]. Deze verklaarde dat hij zich wel heel ongemakkelijk voelde dat er iets werd gesuggereerd. De voorzitter had moeten tegenwerpen dat er niets werd gesuggereerd. [ ] heeft immers niets meer aangevoerd dan dat de twee handtekeningen niet van haar man waren. De voorzitter zei echter tegen [ ] dat de rechtbank zich niet kon voorstellen dat hij die brieven ondertekend had, dus maakt u zich maar geen zorgen. De rechter heeft echter tot drie keer toe van [ ] geëist dat zij zou verklaren te begrijpen dat [ ] zich terecht aangevallen voelde door de beschuldiging dat hij het verzonnen heeft dat haar man die stukken heeft ondertekend, terwijl die beschuldiging niet is geuit.

3.5

Nadat [ ] de handtekeningenkwestie aan de orde had gesteld, heeft de voorzitter mr. Wouters het verwijt gemaakt dat “wij hier allemaal door worden overvallen”. Aan mr. Wouters werd hiermee een onterecht verwijt gemaakt. De handtekeningenkwestie is belichaamd in de twee producties van de Bank die pas bij dupliek zijn overgelegd. Terwijl de daarna toegezonden productie het vergelijkingsmateriaal opleverde voor de conclusie dat de handtekening op de twee formulieren niet die van de echtgenoot van [ ] is. Het stond mr. Wouters vrij om die bij pleidooi aan de orde te stellen. De opstelling van de voorzitter getuigt ook hier van partijdigheid. De toezending door de Bank van de laatste productie bij brief van 12 januari 2017 aan mr. Wouters bevestigde de juistheid van de constatering van [ ], terwijl de stelling van de advocaat van de Bank dat [ ] op 30 november 2007 het Cliëntenprofiel Treasury en het Intake Treasury formulier had ondertekend, leidde tot de noodzaak om op de handtekeningenkwestie in te gaan. In ieder geval kon mr. Wouters de rechtbank niet eerder dan bij pleidooi informeren over de handtekeningenkwestie. Hem is ook niet herhaaldelijk om informatie gevraagd, anders dan de informatie in het tussenvonnis, waarop verzoekster heeft gereageerd.

3.6

Vervolgens bracht [ ] de brief van 30 november 2007 ter sprake. Zij wees op een inconsistentie in die brief, omdat daarin wordt vermeld dat beide formulieren door [ ] rechtsgeldig zijn getekend terwijl niettemin wordt verzocht beide documenten in te vullen en te ondertekenen. Ook legt de brief haar in de mond dat zij verwacht dat op termijn de rente gaat stijgen, terwijl noch zij noch haar man ooit enige renteverwachting hebben uitgesproken. Tot slot maakte [ ] melding van dubbele teksten in de brief. Op dat moment brak de voorzitter het betoog van [ ] af en wendde zij zich tot [ ] met de mededeling dat het ging om verschrijvingen in zijn brief.

3.7

Na deze tweede mededeling van de voorzitter aan [ ] heeft mr. Wouters om schorsing van de behandeling gevraagd. Na de schorsing heeft verzoekster de rechters gewraakt wegens de twee genoemde uitlatingen van de voorzitter. De gehele meervoudige kamer is gewraakt, omdat de voorzitter de eerste uitlating met zoveel woorden had gedaan namens de kamer.

3.8

Ter zitting van de wrakingskamer is hieraan toegevoegd dat bij een zaak als de onderhavige waarbij sprake is van ongelijkwaardige partijen een rechter extra zorg dient te besteden aan het bewaren van de uiterlijke objectiviteit. De bewuste uitlatingen vonden daarbij ook nog plaats in een sfeer van gemeenzaamheid met de Bank. Er bestond geen enkele reden om de akte van 13 januari 2017 te weigeren en al helemaal niet met de woorden van de voorzitter “omdat de rechtbank het wel genoeg vond zo”. Volgens de brief van de griffier van 25 januari 2017 mochten alleen nadere producties worden ingediend die geen betrekking hadden op de geweigerde akte. De bij die akte behorende producties, correspondentie tussen de Bank en een van de lastgevers, werden dus niet toegelaten. Het was niet te begrijpen dat die stukken bij de akte niet mochten worden overgelegd. In die akte werden generieke argumenten aangevoerd en de akte bevatte vooral verwijzingen naar Europese regelgeving. De opmerking van de voorzitter dat na 2008 iedereen voor een rentecap zou hebben geopteerd, suggereert dat het standpunt van de lastgevers is gebaseerd op wijsheid achteraf. Deze opmerking diende ook geen enkel objectief doel. De voorzitter lijkt zich onvoldoende bewust van haar emoties en begrijpt onvoldoende dat het uiten daarvan een indruk van partijdigheid of vooringenomenheid wekt.

4 De reactie van de rechters

4.1

De rechters hebben aangevoerd dat zij niet de schijn van partijdigheid hebben gewekt. Ondanks eerdere uitdrukkelijke instructie van de rechtbank (bij tussenvonnis en in brieven voorafgaand aan de zitting) kwam mr. Wouters op de zitting ook in het dossier [ ] niet met een inhoudelijke reactie op het betoog en de producties van de bank. De zaak [ ] werd als vijfde individuele zaak behandeld. [ ] stelde aan de orde dat op het Cliëntenprofiel Treasury en het formulier Intake Treasury niet de handtekening van haar man stond. De Bank had daarnaast de swap bevestiging in het geding gebracht. Volgens [ ] hadden haar man en zij alleen die bevestiging getekend. Zij had de volgens haar niet ondertekende stukken ook niet in haar eigen dossier aangetroffen. De jongste rechter zei dat hij de handtekeningen wel op elkaar vond lijken, waarop de voorzitter zei dat zij daar geen uitspraak over konden doen omdat zij geen handtekeningdeskundigen zijn. Daarop zei [ ] dat hij zich heel ongelukkig voelde in deze situatie. Hij wilde dat het met [ ] goed zou gaan (haar man had een aantal jaren geleden een hersenbloeding gehad) en nu zat hij hier. Nadat [ ] had uitgelegd dat alle formulieren waren doorgenomen met een collega van treasury voor het ondertekenen van de renteswap, flapte de voorzitter eruit dat de rechtbank er niet van uitging dat hij de handtekeningen zelf op de formulieren – die alle uit zijn dossier afkomstig waren – had gezet en dat hij zich daar geen zorgen over hoefde te maken. Misschien niet heel professioneel, maar wel de natuurlijke reactie van de voorzitter als iemand – in feite – wordt beschuldigd van het vervalsen van documenten. Omdat de voorzitter zich realiseerde dat [ ] misschien niet besefte wat haar opmerkingen impliceerden, vroeg zij haar of zij begreep wat zij eigenlijk zei met haar opmerking dat haar man die handtekeningen niet had gezet. Op die vraag kwam niet echt een antwoord en de voorzitter is er verder niet op doorgegaan. De oudste rechter intervenieerde met de opmerking “u overvalt de rechtbank en de Bank ook wel met deze stukken/opmerkingen” (of woorden van gelijke strekking). [ ] antwoordde daarop dat zij deze stukken pas vlak voor de zitting van de bank had ontvangen.

4.2

Vervolgens zei [ ] dat zij de brief die de bank twee weken voorafgaand aan de zitting had overgelegd nooit had ontvangen en dat er ook onjuistheden in stonden. Zij las een paragraaf uit die brief voor waarin enerzijds werd verzocht om het Cliëntenprofiel Treasury en het formulier Intake Treasury te ondertekenen en anderzijds werd meegedeeld dat die formulieren rechtsgeldig ondertekend al in het bezit van de Bank waren. Deze paragraaf is innerlijk tegenstrijdig. Toen heeft de voorzitter gezegd dat zij zou noteren dat [ ] die brief nooit had ontvangen en dat, als dat het geval was, de inhoud niet van belang was voor de beoordeling. De voorzitter heeft toen ook gezegd, althans bedoeld te zeggen, dat [ ] in de gelegenheid zou worden gesteld die “verschrijving” toe te lichten, want de voorzitter nam aan dat die innerlijke tegenstrijdigheid in de brief een verschrijving was. Daarmee liep de voorzitter wellicht wat op de zaken vooruit, maar is niet de schijn van partijdigheid gewekt. De veronderstelling dat het een verschrijving betrof is daarmee verklaarbaar.

4.3

De instructie van de voorzitter aan de griffier naar aanleiding van de akte ingekomen op 13 januari 2017 was om de akte terug te sturen en mr. Wouters de gelegenheid te geven om eventuele producties die bij die akte waren gevoegd bij aparte akte opnieuw in het geding te brengen voor zover die producties niet zagen op de vermeerdering van eis. Ter zitting heeft de voorzitter verklaard dat in die brief had moeten staan dat die producties alsnog in het geding gebracht mochten worden. De rechters hebben die brief niet vooraf in concept gezien. De griffier heeft de brief helaas niet geheel juist geformuleerd.

4.4

De rechters gingen ervan uit dat de rechtbank en partijen allemaal over dezelfde stukken beschikten. De brief van 6 januari 2017 van mr. Wouters aan de Bank was aan de rechtbank echter niet bekend.

4.5

Ter zitting hebben de rechters bij monde van de voorzitter toegegeven dat zij beter hadden moeten uitleggen waarom de akte wijziging grondslag van eis te laat was ingediend. In die akte was namelijk niet gemotiveerd waarom die wijziging van eis niet eerder had kunnen plaatsvinden. Bovendien ging het niet om individuele dossiers terwijl dat aan verzoekster wel was gevraagd. Volgens de voorzitter had de Bank van de individuele zaken die in de middag aan de orde kwamen, goede samenvattingen gemaakt. Het leek haar mede gelet op de krappe zittingstijd efficiënt om daarvan gebruik te maken. In dat kader heeft zij gezegd dat de Bank goede samenvattingen maakte.

5 De beoordeling

5.1

Volgens artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een verzoek tot wraking worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn geworden waarop het verzoek berust. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door verzoekster in haar akte van 6 februari 2017 aangevoerde 5 nieuwe wrakingsgronden niet tijdig gedaan. Deze nieuwe gronden slaan op andere uitlatingen van de voorzitter of leden van de meervoudige kamer op de zitting van 30 januari 2017. Niet valt in te zien dat deze gronden niet ook op de zitting of direct daarna konden worden aangevoerd. De rechtbank zal echter wel acht slaan op de aanvulling van gronden voor zover deze aanvulling een ondersteuning vormt voor de - wel - ter zitting aangevoerde gronden, te weten de twee uitlatingen van de voorzitter (zie hierboven in rov. 2.13) waarvan moet worden aangenomen dat die namens de gehele meervoudige kamer zijn gedaan, omdat de overige leden zich daarvan niet hebben gedistantieerd.

5.2

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.3

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij bestaande vrees hiervoor objectief gerechtvaardigd is.

5.4

De tweede gewraakte uitlating betreft een interpretatie van een innerlijk tegenstrijdige brief. Een dergelijke opmerking gaat niet de grenzen te buiten van wat een rechter tijdens een pleidooi kan zeggen. De rechters hebben toegelicht dat de voorzitter heeft bedoeld te zeggen dat de Bank nog in de gelegenheid zou worden gesteld om de betreffende brief toe te lichten, nadat [ ] had gewezen op inconsistenties in de brief van 30 november 2007. In de opmerking van de voorzitter ligt niet reeds een oordeel over de inhoud van de brief besloten noch over de eventuele gevolgtrekking op grond daarvan. Schijn van partijdigheid kan door deze opmerking niet zijn gewekt.

5.5

Naar het oordeel van de rechtbank dient de eerste wrakingsgrond wel tot toewijzing van het verzoek te leiden. De bewuste opmerking van de voorzitter aan het adres van [ ], zoals onder 2.13 weergegeven, kan naar objectieve maatstaven bij verzoekster de gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid hebben gewekt. Bedoelde opmerking, die ter zitting verder niet werd toegelicht, wekt immers de indruk dat de rechtbank op voorhand ervan uitging dat de Bank ter zake van de omstreden handtekeningen het gelijk aan haar zijde had. Dat de rechters zich overvallen voelden door de handtekeningenkwestie die door [ ] bij pleidooi aan de orde is gesteld aan het einde van een lange zittingsdag, is overigens niet onbegrijpelijk. Verzoekster heeft evenwel terecht aangevoerd dat bij een zaak als de onderhavige waarbij sprake is van een partij die zichzelf als de zwakkere partij ziet extra zorg dient te worden besteed aan het bewaren van de uiterlijke objectiviteit. Objectief beschouwd kan door de opmerking van de voorzitter bij verzoekster de vrees zijn ontstaan dat sprake was van een gebrek aan onpartijdigheid, nu de voorzitter door haar opmerking tegen [ ] de indruk wekte dat zij hem in bescherming nam. Dit in samenhang met de reactie naar aanleiding van de geweigerde akte van 13 januari 2017 “dat de rechtbank het wel genoeg vond zo”, terwijl achteraf is gebleken dat in de brief van de griffier van 25 januari 2017 ten onrechte niet was vermeld dat nieuwe producties wel mochten overgelegd voor zover die geen betrekking hadden op de vermeerdering van eis.

5.6

De reactie van de rechters bij monde van de voorzitter jegens [ ] dat zij in feite een beschuldiging heeft geuit tegen [ ] aangaande het vervalsen van handtekeningen, moet voorbarig worden geacht, omdat slechts was geconstateerd dat de handtekeningen niet hetzelfde waren. Het is niet onbegrijpelijk dat hierdoor bij [ ] de indruk is versterkt dat de rechtbank aan haar standpunt reeds op voorhand geen geloof hechtte.

5.7

Dit betekent dat het verzoek dient te worden toegewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

 wijst het verzoek tot wraking toe.

Aldus gegeven door mrs. A.W.J. Ros, voorzitter, I.M. Bilderbeek en Y.A.M. Jacobs, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 maart 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 39, vijfde lid Rv geen voorziening open.