Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2200

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
19-04-2017
Zaaknummer
13.737.898-13
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Uitlevering. Afwijzing van verzoeken om opheffing van de – geschorste – uitleveringsdetentie en om teruggave van de borgsom na een onherroepelijk civielrechtelijk verbod op uitlevering. Het verbod is niet-absoluut. Bij gebreke van een afwijzende beslissing van de Minister van Veiligheid en Justitie op het uitleveringsverzoek is de uitleveringsprocedure nog niet beëindigd. Handhaving van de – geschorste – uitleveringsdetentie is niet in strijd met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, EVRM en (nog) niet in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, Protocol 4 bij het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.737.898-13

RK nummers: 17/1926 en 17/1927

BESLISSING

op de op 1 maart 2017 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoeken tot opheffing van de – geschorste – uitleveringsdetentie en tot teruggave van de borgsom in de zaak van:

[naam opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

hierna te noemen: verzoeker.

1 Procesgang

Verzoeker is op 12 september 2013 aangehouden in verband met een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten van Amerika. Het uitleveringsverzoek strekt tot strafvervolging wegens negen gevallen van ontucht met een minderjarige.

De uitleveringsdetentie is op 13 september 2013 door de rechter-commissaris onder voorwaarden geschorst, waarna verzoeker met ingang van 18 september 2013 in vrijheid is gesteld.

Op 23 september 2014 heeft de rechtbank de uitlevering van verzoeker toelaatbaar verklaard.

Bij arrest van 26 mei 2015 heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie tegen die uitspraak verworpen (ECLI:NL:HR:2015:1341).

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft bij beschikking van 8 juli 2015 het uitleveringsverzoek ingewilligd.

De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 27 oktober 2015 het gevorderde verbod om verzoeker uit te leveren aan de Verenigde Staten afgewezen.

De opgeëiste persoon houdt zich – in elk geval – vanaf dit vonnis niet meer aan de voorwaarden waaronder de uitleveringsdetentie is geschorst.

In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag bij arrest van 13 december 2016 de uitlevering van verzoeker aan de Verenigde Staten verboden (ECLI:NL:GHDHA:2016:3606). Dit arrest is inmiddels onherroepelijk.

De rechtbank heeft op 9 februari 2017 eerdere verzoeken tot opheffing van de – geschorste –uitleveringsdetentie en tot teruggave van de borgsom afgewezen.

Het huidige verzoekschrift is in besloten raadkamer behandeld op behandeld op 10 maart 2017, in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink, en, namens de niet verschenen verzoeker, mrs. M. Pestman en T. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift vervolgens aangehouden tot 24 maart 2017, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid stellen:

- na te gaan wanneer het ministerie van Justitie en Veiligheid nadere vragen heeft gesteld aan de Amerikaanse autoriteiten en

- bij de Amerikaanse autoriteiten na te vragen binnen welke termijn zij naar hun inschatting inhoudelijk zullen reageren op de vragen.

De behandeling van het verzoekschrift is voortgezet op 24 maart 2017, in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. A. Oswald, en, namens de niet verschenen verzoeker, de raadslieden.

2 Standpunt van verzoeker

Namens verzoeker hebben zijn raadslieden zich op het standpunt gesteld dat de uitleveringsdetentie moet worden opgeheven en dat de borgsom moet worden teruggegeven aan verzoeker, omdat handhaving van de – geschorste – uitleveringsdetentie onrechtmatig is.

3 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen.

4 Oordeel van de rechtbank

4.1

Inleiding

De rechtbank stelt allereerst vast dat, anders dan de raadslieden hebben aangevoerd, de vragen

die de rechtbank beantwoord wenste te zien inmiddels beantwoord zijn. Met de raadslieden is

de rechtbank van oordeel dat de aldus verkregen informatie weinig inhoudelijk inzicht biedt

in de correspondentie tussen het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Amerikaanse

autoriteiten. Duidelijk is echter geworden dat het ministerie van Veiligheid en Justitie op

15 december 2016 de Amerikaanse autoriteiten om een reactie heeft gevraagd op stukken die

namens verzoeker in de voorzieningsprocedure zijn ingebracht. Verder is, in

overeenstemming met de tweede vraag van de rechtbank, bij de Amerikaanse autoriteiten

navraag gedaan naar de inschatting van die autoriteiten over de termijn binnen welke zij

zullen reageren op de stukken. Een medewerker van het ministerie heeft bovendien, blijkens

de door partijen overgelegde e-mail correspondentie, meegedeeld dat die reactie inmiddels is

ontvangen en dat het ongeveer één maand zal duren, voordat de Minister van Veiligheid en

Justitie op basis van deze aanvullende informatie een nieuwe beslissing op het

uitleveringsverzoek zal nemen, indien de aanvullende informatie daartoe aanleiding geeft.

4.2

Mag de Minister van Veiligheid en Justitie een nieuwe beslissing nemen op het uitleveringsverzoek?

De rechtbank volgt niet de lezing van de raadslieden dat het arrest van gerechtshof Den Haag de uitlevering van verzoeker aan de Verenigde Staten absoluut verbiedt.

Het gerechtshof Den Haag heeft:

- geconcludeerd dat verzoeker bij veroordeling in de Verenigde Staten een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een met artikel 3 EVRM strijdige onmenselijke of vernederende behandeling,

- geconstateerd dat de Amerikaanse autoriteiten geen specifieke, op de veiligheid van verzoeker gerichte garanties hebben verstrekt die zijn veiligheid in het gevangenissysteem van Oregon kunnen waarborgen en

- daarom de uitlevering verboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het arrest niet anders worden gelezen, dan dat de uitlevering van verzoeker aan de Verenigde Staten is verboden, voor zover en voor zolang de Amerikaanse autoriteiten geen specifieke, op de veiligheid van verzoeker gerichte garanties hebben verstrekt die zijn veiligheid in het gevangenissysteem van Oregon kunnen waarborgen.

De lezing van de raadslieden gaat verder dan waartoe de verplichting tot eerbiediging van artikel 3 EVRM noopt en verdraagt zich evenmin met de verplichting tot uitlevering die op grond van artikel 1 van het uitleveringsverdrag met de Verenigde Staten op Nederland rust.

Ook overigens staat het arrest van het gerechtshof Den Haag er niet aan in de weg dat de Minister van Veiligheid en Justitie een nieuwe beslissing op het uitleveringsverzoek neemt. De rechtbank verwijst daartoe naar Rb. Den Haag (vzr.) ECLI:NL:RBDHA:2015:471, r.o. 3.3:

Het bezwaar van [eiser] dat de nieuwe beschikking van de Minister in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel moet worden verworpen. Weliswaar heeft het hof na de eerdere beschikking van 20 december 2012 de uitlevering van [eiser] bij (onherroepelijk geworden) arrest van 23 juli 2013 wegens het niet voldoen van de Staat aan de op hem rustende onderzoeksplicht bij wege van voorlopige voorziening verboden, maar daaruit volgt nog niet dat de Minister, bij gewijzigde omstandigheden, niet een nieuwe beschikking zou kunnen geven op basis van het eerdere, door de uitleveringsrechter toelaatbaar geachte uitleveringsverzoek. Dat het uitleveringsverzoek in de gegeven omstandigheden als afgedaan zou moeten worden beschouwd, valt niet af te leiden uit de bepalingen in de Uw. (…) Voorts ziet het door het hof geconstateerde beletsel niet op de inhoud van het uitleveringsverzoek (…). Zouden de VS een nieuw (gelijkluidend) uitleveringsverzoek doen, dan zou dat de positie van [eiser] dan ook niet wezenlijk verbeteren ten opzichte van de huidige situatie, aangezien verwacht mag worden dat de uitleveringsrechter niet tot een ander oordeel zou komen (…). (…) Indien de voorzieningenrechter nader onderzoek noodzakelijk zou achten, dan zal hij de uitlevering (tijdelijk) verbieden. Ook in dat opzicht heeft [eiser] geen belang bij het opnieuw volgen van de procedure voor de uitleveringsrechter.

Ook in het onderhavige geval is sprake van een uitleveringsbeletsel dat niet op de inhoud van het uitleveringsverzoek betrekking heeft, ook in de zaak van verzoeker zou bij een nieuw uitleveringsverzoek de positie van verzoeker niet wezenlijk verbeteren ten opzichte van de huidige situatie en ook in het onderhavige geval zou verzoeker in voorkomend geval tegen een voor hem ongunstige beslissing van de Minister van Veiligheid en Justitie in kort geding kunnen opkomen.

4.3

Is de uitleveringsprocedure beëindigd?

Uit de omstandigheden dat:

- het ministerie van Veiligheid en Justitie de Amerikaanse autoriteiten heeft gevraagd om een reactie op – in totaal ongeveer 300 pagina’s aan – stukken die namens verzoeker in de kort gedingprocedure zijn ingebracht en

- een medewerker van dat ministerie heeft meegedeeld dat die reactie inmiddels ontvangen is en dat het ongeveer één maand zal duren, voordat de Minister van Veiligheid en Justitie op basis van deze aanvullende informatie een nieuwe beslissing op het uitleveringsverzoek zal nemen, indien de aanvullende informatie daartoe aanleiding geeft,

volgt dat de Minister van Veiligheid en Justitie nog niet afwijzend heeft beslist op het uitleveringsverzoek, laat staan dat hij de Amerikaanse autoriteiten en de officier van justitie mededeling heeft gedaan van zo een afwijzende beslissing.

Anders dan de raadslieden menen, moeten artikel 33, zesde lid, Uitleveringswet (UW) – dat bepaalt dat de beslissing van de Minister op het uitleveringsverzoek ter kennis wordt gebracht van verzoekende staat – en artikel 36 UW – dat bepaalt dat de beslissing van de Minister op het uitleveringsverzoek ter kennis wordt gebracht van de officier van justitie – ook worden toegepast in een geval als het onderhavige.

Uit artikel 37, tweede lid, UW – volgens welke bepaling de officier van justitie een last tot vrijheidsbeneming moet geven, zodra hij kennis heeft gekregen van de afwijzende beslissing van de Minister van Veiligheid en Justitie op het uitleveringsverzoek – volgt dat de rechtbank de – al dan niet geschorste – uitleveringsdetentie moet opheffen, indien de Minister van Veiligheid en Justitie afwijzend heeft beslist op het uitleveringsverzoek.

Die beslissing brengt immers mee dat de uitleveringsprocedure is beëindigd, zodat voor – al dan niet geschorste – vrijheidsbeneming uit hoofde van de Uitleveringswet geen plaats meer is. Nu de Minister van Veiligheid en Justitie nog geen afwijzende beslissing op het uitleveringsverzoek heeft genomen, is de uitleveringsprocedure nog niet beëindigd. Een verplichting tot opheffing van de uitleveringsdetentie om deze reden is derhalve niet aan de orde.

4.4

Is handhaving van de – geschorste – uitleveringsdetentie in strijd met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, EVRM?

In een geval als het onderhavige is het handhaven van de – geschorste – uitleveringsdetentie in beginsel niet onrechtmatig, zolang de Minister nog geen afwijzende beslissing heeft genomen. In beginsel, omdat de verplichting tot eerbiediging van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon, zoals neergelegd in het EVRM, grenzen stelt aan het voortduren van die - geschorste - detentie.

Zo is vrijheidsbeneming met het oog op uitlevering immers alleen gerechtvaardigd

for as long as extradition proceedings are in progress and that if those proceedings are not prosecuted with due diligence, the detention will cease to be permissible (EHRM 24 maart 2015, 11620/07 (Gallardo Sanchez/Italië), § 40).

De opgeëiste persoon bevindt zich echter niet in uitleveringsdetentie. De uitleveringsdetentie is immers onder voorwaarden geschorst.

Volgens vaste rechtspraak van het EHRM vallen vrijheidsbeperkende maatregelen – zoals schorsingsvoorwaarden – niet onder de reikwijdte van artikel 5 EVRM:

mere restrictions on the liberty of movement are not covered by Article 5 but fall under Article 2 § 1 of Protocol No. 4. However, the distinction between the restriction of movement and the deprivation of liberty is merely one of degree or intensity, and not one of nature or substance. In order to determine whether someone has been ‘deprived of his liberty’ within the meaning of Article 5, the starting point must be the concrete situation and account must be taken of a whole range of criteria such as the type, duration, effects and manner of implementation of the measure in question (EHRM (Grote Kamer) 5 juli 2016, 23755/07 (Buzadji/Moldavië), § 103).

De schorsingsvoorwaarden zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun aard, duur, gevolgen en uitvoeringsmodaliteiten ook niet zodanig bezwarend, dat zij verzoeker zijn vrijheid ontnemen op een wijze die vergelijkbaar is met daadwerkelijke vrijheidsbeneming (vgl. EHRM (Grote Kamer) 23 februari 2017, 43395/09 (Tommaso/Italië), § 88-89).

Anders dan de raadslieden menen is artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, EVRM dus niet van toepassing.

4.5

Is handhaving van de – geschorste – uitleveringsdetentie in strijd met artikel 2 van Protocol 4 bij het EVRM?

Met de raadslieden is de rechtbank van oordeel dat de schorsingsvoorwaarden wel een beperking opleveren van het in artikel 2, eerste lid, Protocol 4 bij het EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van verplaatsing en, wat betreft de voorwaarde dat verzoeker Nederland niet mag verlaten, van het in artikel 2, tweede lid, Protocol 4 bij het EVRM gegarandeerde recht een land te verlaten.

Anders dan de raadslieden is de rechtbank echter van oordeel dat deze beperking gerechtvaardigd is op grond van artikel 2, derde lid, Protocol 4 bij het EVRM. De beperking is bij wet voorzien en is noodzakelijk in een democratische samenleving voor de voorkoming van strafbare feiten. Gezien de aard van de voorwaarden en het doel daarvan – het voorkomen van vlucht, opdat verzoeker in voorkomend geval kan worden uitgeleverd ter vervolging wegens ernstige strafbare feiten – en gelet op de omstandigheid dat er voldoende voortgang in de procedure zit, is deze beperking op dit moment niet onevenredig.

Handhaving van de – geschorste – uitleveringsdetentie is dus niet in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, Protocol 4 bij het EVRM.

De rechtbank tekent daarbij aan dat zij niet kan uitsluiten dat de evenredigheidstoets anders zal uitvallen, wanneer moet worden vastgesteld dat er geen of onvoldoende voortgang in de uitleveringsprocedure wordt gemaakt.

4.6

Conclusie

Nu de uitleveringsprocedure nog niet is beëindigd en handhaving van de – geschorste – uitleveringsdetentie niet in strijd is met de artikelen 5, eerste lid, aanhef en onder f, EVRM en 2, eerste en tweede lid, Protocol 4 bij het EVRM, bestaat geen verplichting tot opheffing van de – geschorste – uitleveringsdetentie.

Gelet op de omstandigheid dat de Minister van Veiligheid en Justitie binnen ongeveer een maand een nieuwe beslissing op het uitleveringsverzoek zal nemen, ziet de rechtbank ook overigens geen aanleiding om nu al de – geschorste – uitleveringsdetentie op te heffen.

Een en ander brengt mee dat het verzoek tot opheffing van de uitleveringsdetentie en het verzoek om teruggave van de borgsom zullen worden afwezen.

5 Beslissing

WIJST AF het verzoek tot opheffing van de – geschorste – uitleveringsdetentie.

WIJST AF het verzoek tot teruggave van de borgsom.

Deze beslissing is genomen op 24 maart 2017 door:

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

en mrs. C. Klomp en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier.