Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2198

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
10-05-2017
Zaaknummer
AMS 16/797
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke toewijzing Wob-verzoek over openbaarmaking van documenten over vernielingen door studentenprotesten bij Universiteit van Amsterdam in 2014-2015. Verweerder had vanwege gedeeltelijke weigering van openbaarmaking onder verwijzing naar een eerdere beslissing het bezwaar niet niet-ontvankelijk, maar ongegrond moeten verklaren. De rechtbank acht verder de bestempeling van onderdelen van e-mails als niet relevant niet terecht. Verweerder heeft zich tot slot ten onrechte op het standpunt gesteld dat artikel 11, eerste lid, van de Wob aan openbaarmaking van een document in de weg staat. Beroep gegrond. Verweerder moet een nieuw besluit nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/797

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Rademacher).

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk toegewezen.

Bij besluit van 22 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken waarvan openbaarmaking is geweigerd overgelegd met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en tevens een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte documenten als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2016. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 1 november 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen de ontbrekende stukken waarvan openbaarmaking is geweigerd alsnog over te leggen. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de door eiser verleende toestemming om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte documenten, ook geldt voor de aanvullend door verweerder over te leggen stukken.

Verweerder heeft bij brief van 7 november 2016 de onvolledige overgelegde documenten alsnog volledig overgelegd.

Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij brief van 17 juli 2015 heeft eiser (onder meer) op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot vernielingen, vandalisme, beschadigingen, vernietiging (of andere/vergelijkbare omschrijvingen/namen) aan of in locaties van de Universiteit van Amsterdam als gevolg van protest, verzet, bezetting van studenten (of andere/vergelijkbare omschrijvingen/namen) in de periode 2014 en 2015.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser gedeeltelijk toegewezen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat op basis van het verzoek van eiser 16 documenten zijn aangetroffen. Over de documenten 1 tot en met 11 heeft verweerder al besloten op 21 juli 2015, waarbij een gedeelte van de documenten openbaar is gemaakt. Verweerder verwijst naar dit besluit en stelt dat de Wob niet van toepassing is op al openbaargemaakte documenten.

In de documenten 12, 13 en 14 is deels informatie opgenomen over andere (bestuurlijke) onderwerpen. Deze informatie is uit de documenten verwijderd. Verweerder heeft verder de documenten 12 tot en met 16 gedeeltelijk openbaar gemaakt en openbaarmaking gedeeltelijk geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob (persoonlijke levenssfeer). Ten aanzien van document 12 is openbaarmaking ook op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob (persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad) geweigerd. Verweerder ziet geen aanleiding om in niet tot personen herleidbare vorm informatie over deze persoonlijke beleidsopvattingen openbaar te maken.

Van de bijlage bij document 15 heeft verweerder openbaarmaking geheel geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c (opsporing en vervolging), d (inspectie, controle en toezicht) en g (onevenredige benadeling), en artikel 11, eerste lid, (persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad) van de Wob.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard voor zover het zich richt tegen de beslissing over de documenten 1 tot en met 11. Over deze documenten is bij besluit van 21 juli 2015 beslist en dit besluit is onherroepelijk geworden. Verweerder heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard voor zover het zich richt tegen de beslissing over de documenten 12 tot en met 16. Verweerder heeft de motivering aangevuld, in die zin dat hij ten aanzien van de documenten 12 tot en met 14 heeft overwogen dat een aantal passages buiten de reikwijdte van het verzoek van eiser valt, omdat de betreffende passages geen betrekking hebben op vernielingen, vandalisme, beschadigingen of vernietiging van het Maagdenhuis . Volgens verweerder is het besluit om niet alle door eiser verzochte informatie openbaar te maken ook niet in strijd met artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiser heeft in zijn inleidende beroepschrift van 2 februari 2016 integraal zijn bezwaargronden herhaald. In zijn brief van 25 augustus 2016 heeft eiser de bezwaargronden opnieuw herhaald en daarbij nieuwe gronden vermeld.

Eiser heeft vermeld dat hij niet over de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob in discussie gaat omdat hij uitsluitend anonieme (de rechtbank begrijpt: geanonimiseerde) documenten wenst te ontvangen, conform zijn verzoek. Eiser heeft ten aanzien van de documenten 1 tot en met 11 aangevoerd dat verweerder niet kan verwijzen naar het besluit van 21 juli 2015, omdat het onderhavige Wob-verzoek een nieuw verzoek betreft dat op zichzelf beoordeeld dient te worden. Verder snijdt volgens eiser de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c (opsporing en vervolging) geen hout, omdat er helemaal geen vervolging is ingesteld. Meer in het algemeen stelt eiser dat het beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob geen doelt treft, omdat de documenten geen intern beraad betreffen en het beroep op dit artikel in strijd komt met uitgangspunten van openbaarheid van informatie en transparantie van besluitvorming en de controlemogelijkheid van burgers op het bestuur.

5. Verweerder heeft in zijn verweerschrift bepleit dat het beroep kennelijk ongegrond moet worden verklaard, tenzij eiser alsnog aanvullende beroepsgronden indient. Eiser heeft vervolgens aanvullende gronden ingediend. Ter zitting heeft verweerder dit standpunt daarom niet langer gehandhaafd. De rechtbank zal hierover dan ook geen oordeel geven.

6. Omdat eiser heeft vermeld dat hij alleen geanonimiseerde documenten wenst te ontvangen, concludeert de rechtbank dat tussen partijen de (gedeeltelijke) weigering van verweerder documenten openbaar te maken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob niet in geschil is.

7. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de niet openbaar gemaakte informatie.

Weigering openbaarmaking onder verwijzing naar eerdere beslissing

8. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft verweerder beslist op het verzoek van eiser (onder meer) op grond van de Wob om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot contacten, gesprekken bijeenkomsten (of andere/vergelijkbare omschrijvingen/namen) tussen het openbaar ministerie en het college van bestuur of andere afdelingen van de Universiteit van Amsterdam met betrekking tot organisaties die actief zijn betrokken bij of deelnemen aan protesten in Amsterdam tegen het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam in de vorm van bezetting van verschillende locaties van de universiteit in de stad Amsterdam in de periode 2014 en 2015.

9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat over de documenten 1 tot en met 11 al is beslist bij het besluit van 21 juli 2015 op dit eerdere Wob-verzoek. Eiser heeft zijn bezwaar tegen dit besluit weer ingetrokken, waarmee dit besluit onherroepelijk is geworden. Verweerder heeft daarom het bezwaar voor zover dat is gericht tegen de beslissing over de documenten 1 tot en met 11 niet-ontvankelijk verklaard.

10. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank heeft kennisgenomen van de niet-verstrekte gegevens die verweerder heeft overgelegd en stelt vast dat de documenten 1 tot en met 11 documenten zijn waarover verweerder bij besluit van 21 juli 2015 reeds heeft beslist. Dat besluit is onherroepelijk geworden. Eisers gronden met betrekking tot de documenten 1 tot en met 11 kunnen daarom in deze procedure niet (opnieuw) aan de orde komen, tenzij sprake zou zijn van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Eiser heeft evenwel niet gesteld of onderbouwd dat hiervan sprake is. Verweerder heeft in het primaire besluit dan ook terecht het verzoek afgewezen onder verwijzing naar het besluit van 21 juli 2015. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser dat ziet op deze documenten niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder had het bezwaar evenwel ongegrond moeten verklaren. De rechtbank acht het beroep in zoverre gegrond. Het bestreden besluit komt op grond van artikel 8:72 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient het bezwaar ten aanzien van deze documenten alsnog ongegrond te verklaren.

Weigering openbaarmaking vanwege reikwijdte verzoek

11. Verweerder heeft openbaarmaking van informatie in de documenten 12, 13 en 14 deels geweigerd omdat daarin informatie is opgenomen over andere bestuurlijke aangelegenheden dan die waarop het verzoek van eiser ziet. Die informatie valt buiten de reikwijdte van het verzoek van eiser, aldus verweerder.

12. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat het feit dat sprake is van niet relevante informatie geen grond is om openbaarmaking van die informatie op grond van de Wob te weigeren. Verder heeft eiser betoogd dat die informatie mogelijk van belang is om het geheel te begrijpen.

13. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de niet openbaar gemaakte informatie.

Volgens verweerder bevatten deze documenten passages die niet gaan over vernielingen, vandalisme, beschadigingen, vernietiging (of andere/vergelijkbare omschrijvingen/namen) aan of in locaties van de Universiteit van Amsterdam als gevolg van protest, verzet, bezetting van studenten (of andere/vergelijkbare omschrijvingen/namen) in de periode 2014 en 2015. Het Wob-verzoek ziet volgens verweerder dus niet op die informatie. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Niet valt in te zien waarom verweerder ervoor heeft gekozen om de betreffende onderdelen van e-mails weg te lakken omdat het Wob-verzoek niet rechtstreeks zou zien op die onderdelen. Door deze stukken weg te lakken, loopt verweerder het risico dat de context waarin de wel geopenbaarde onderdelen van de betreffende e-mails zijn geplaatst onduidelijk wordt. Niet valt in te zien waarom, zonder dat een andere weigeringsgrond is toegepast, verweerder op deze manier selecteert. Dit is niet in overeenstemming met het uitgangspunt van de Wob. De rechtbank acht de bestempeling van onderdelen van e-mails als niet relevant dan ook niet terecht. Het beroep is daarom ook in zoverre gegrond.

Weigering openbaarmaking op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob (persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad)

14. Verweerder heeft openbaarmaking van de bijlage bij document 15 geheel geweigerd, omdat dit document persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad bevat. Volgens verweerder kan dit document worden aangemerkt als document ten behoeve van intern beraad, dat interne, ambtelijke adviezen bevat met voorstellen voor bestuurlijke besluitvorming.

15. Eiser heeft ten aanzien van de bijlage bij document 15 betoogd dat hij niet begrijpt waarom van besluiten of gedachten van de driehoek in het ene document niet, maar in het andere document wel openbaarmaking wordt geweigerd. Er lijkt sprake te zijn van willekeur, aldus eiser.

16. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de bijlage bij document 15.

Dit document is afkomstig van een externe partij. Dat sprake is van een intern, ambtelijk advies houdt daarom geen stand. Ook informatie van een externe partij kan echter worden aangemerkt als bestemd voor intern beraad. Verweerder heeft toegelicht dat deze notitie is opgesteld ten behoeve van het driehoeksoverleg tussen burgemeester, politiechef en officier van justitie. Uit de notitie blijkt dit echter niet, noch van de bedoeling het gebruik tot dit overleg te beperken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bijlage, zeker niet in zijn geheel, op deze grond kon worden geweigerd. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat artikel 11, eerste lid, van de Wob aan openbaarmaking van dit document in de weg staat. Het beroep is daarom ook in zoverre gegrond.

17. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

19. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen is geoordeeld in deze uitspraak, in het bijzonder onder 10, 13 en 16;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, voorzitter, en mr. N.J. Koene en mr. R. Hirzalla, leden,in aanwezigheid van mr. C. Pol, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.