Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:2101

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2017
Datum publicatie
17-05-2017
Zaaknummer
AMS 16/4489
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning en evenementenvergunning voor evenement ‘Buiten Westen’ aan de Ouderkerkerplas.

Tussenuitspraak: Niet gebleken is dat verweerder voorafgaande aan het verlenen van de omgevingsvergunning en de evenementenvergunning onderzoek heeft gedaan naar de bodem van het gebied rond de Ouderkerkerplas en of het evenement hierop eventueel nadelige gevolgen heeft. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd. Verweerder wordt in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4029
AR 2017/2621
JBO 2017/148 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/4489

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2017 de zaak tussen

[de persoon 1] en [de persoon 2] , te Ouderkerk aan de Amstel, eisers

(gemachtigde: mr. J.M. Smits),

en

de burgemeester van Ouder-Amstel, (de burgemeester) en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ouder-Amstel,

(het college),

(samen: verweerders)

(gemachtigde: mr. E.C.W. van der Poel),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [het bedrijf] (vergunninghoudster) te Amsterdam

(gemachtigde: mr. M.L. Diepenhorst).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2016 (het primaire besluit I) heeft de burgemeester een evenementenvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het organiseren van het evenement ‘ [naam evenement] ’ (het evenement) aan de [locatie] op [datum] 2016.

Bij besluit van 3 mei 2016 (het primaire besluit II) heeft het college een tijdelijke omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het gebruik van het evenemententerrein in strijd met het bestemmingsplan, ‘ [bestemmingsplan] ’ (het bestemmingsplan).

Bij besluit van 5 juli 2016 (het bestreden besluit) hebben verweerders, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit I en primaire besluit II ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016.

Eiser [de persoon 2] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiser [de persoon 1] en verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De vergunninghoudster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Op 7 maart 2016 heeft vergunninghoudster een evenementenvergunning aangevraagd voor het evenement op [datum] 2016. Uit de aanvraag blijkt dat het evenement een eendaags openlucht-dancefestival is. Op 3 mei 2016 is door de burgemeester vergunning verleend voor het houden van het evenement op [datum] 2016 van 12:00 tot 23:00 aan de [locatie] met maximaal 10.000 bezoekers. Uit de vergunning blijkt dat de opbouw van het evenement mag plaatsvinden op maandag [datum] 2016 vanaf 09:00 en dat de afbouw uiterlijk op [datum] 2016 om 21:00 moet zijn afgerond. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden die strekken tot het voorkomen en beperken van overlast, de verkeersveiligheid en de veiligheid en gezondheid van personen of goederen.

1.2.

Op 12 april 2016 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd. om ten behoeve van het evenement te mogen afwijken van het bestemmingsplan. Op 3 mei 2016 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor de activiteit “planologisch strijdig gebruik” voor de periode tussen [datum] 2016 en [datum] 2016. Volgens het college is het gebruik van het evenemententerrein in strijd met de ter plaatse geldende bestemming maar bestaan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen bezwaren tegen dit strijdige gebruik.

1.3.

Beide vergunningen zijn op 11 mei 2016 gepubliceerd waarna eisers hiertegen bezwaar hebben gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening bij de rechtbank hebben ingediend. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is door de rechtbank bij uitspraak van 1 juli 2016 afgewezen. Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eisers tegen beide vergunningen ongegrond verklaard. Het evenement heeft op [datum] 2016 plaatsgevonden.

1.4.

Gelijktijdig met het beroepschrift hebben eisers de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij uitspraak van 13 juli 2016 afgewezen.

2.1.

Nu het evenement waarop het bestreden besluit ziet al is gehouden, zal de rechtbank beoordelen of eisers nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2013(ECLI:NL:RVS:2013:BZ7443) is de bestuursrechter slechts gehouden tot inhoudelijke beoordeling van een bij hem ingediend beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan, indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Indien dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen vanwege de principiële betekenis daarvan.

2.2.

Uit eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 27 april 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ2666) kan worden afgeleid dat er in beginsel geen procesbelang meer is bij een inhoudelijk oordeel over de vraag of een evenementenvergunning verleend had mogen worden, als het evenement al heeft plaatsgevonden. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt, als aannemelijk is dat nieuwe besluiten over soortgelijke situaties zullen volgen en het evenement dus jaarlijks plaatsvindt.

2.3.

Hoewel het festival in 2016 voor het eerst op het terrein aan de [locatie] heeft plaatsgevonden, heeft vergunninghoudster laten blijken de intentie te hebben om het festival in de komende jaren en in ieder geval in 2017 op dit terrein te organiseren. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat jaarlijks opnieuw zal worden beoordeeld of een evenementenvergunning en tijdelijke omgevingsvergunning zal worden verleend. De rechtbank leidt hieruit af dat vooralsnog sprake is van een terugkerend evenement. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers daarom procesbelang bij hun beroep tegen het bestreden besluit.

3.1.

Eisers voeren in beroep – samengevat – aan dat dat het festivalterrein onderdeel is van het Natuur Netwerk Nederland (NNN – voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Er is geen onderzoek gedaan naar de bodemgesteldheid. Volgens eisers is door het organiseren van het evenement sprake van inklinking van de bodem waardoor de waterhuishouding van het gebied zal worden verstoord en langdurige schade zal worden toegebracht aan de aanwezige natuurwaarden.

3.2.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

3.3.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en;

a: indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1o. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking;

2o. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3o. in overige gevallen, de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

3.4.

Op grond van artikel 4, aanhef en onder elf, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil en de rechtbank sluit zich daarbij aan dat ter plaatse het bestemmingsplan geldt. Op grond van het bestemmingsplan rust op het evenemententerrein de bestemming ‘Recreatie’.

4.2.

Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, van de planregels bij het bestemmingsplan zijn de voor ‘Recreatie’ aangewezen gronden, ter plaatse van de aanduiding 'recreatie', uitsluitend bestemd voor extensief recreatief gebruik en voor het behoud en/of het herstel van de aldaar voorkomende dan wel de daaraan eigen landschappelijke en natuurlijke waarden.

5.1.

Op grond van artikel 1:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2013 Ouder-Amstel (APV) kan de vergunning of ontheffing door het daartoe bevoegd gezag of het daartoe bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

a: de openbare orde;

b: de openbare veiligheid;

c: de volksgezondheid;

d: de bescherming van het milieu.

5.2.

Op grond van artikel 2:25, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Op grond van artikel 2:25, derde lid, van de APV kan onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 de vergunning worden geweigerd in het belang van:

a: het voorkomen of beperken van overlast;

b: de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen;

c: de zedelijkheid of gezondheid.

6.1.

Vergunninghoudster heeft zich op het standpunt gesteld dat de norm waarop eisers een beroep doen met hun beroepsgrond dat sprake zal zijn van inklinking van de bodem en van gevolgen daarvan op het NNN niet strekt tot bescherming van hun belang. De rechtbank dient te beoordelen of het relativiteitsvereiste aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat.

6.2.

Op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

6.3.

Eisers wonen in de directe nabijheid van de [locatie] die onderdeel is van het NNN. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de natuurwaarden van dit gebied, zoals door eisers aangevoerd, aldus verweven met hun (eisers) woon- en leefklimaat. Het primaire besluit I is gebaseerd op artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, van de Wabo. De daarin vervatte normen zijn geen rechtsregels, die kennelijk niet strekken tot bescherming van het belang van eisers om te worden gevrijwaard van de door hen gestelde nadelige effecten op hun woon- en leefklimaat, in dit geval in de vorm van inklinking van de bodem van het evenemententerrein en de gevolgen daarvan op het NNN. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:570). Het primaire besluit II is gebaseerd op artikel 2:25 van de APV. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de omstandigheid dat de evenementenvergunning kan worden geweigerd in het belang van het milieu worden afgeleid dat ook artikel 2:25 mede strekt ter bescherming van het belang van eisers om te worden gevrijwaard van de door hen gestelde nadelige effecten op hun woon- en leefklimaat, eveneens vanwege deze verwevenheid. Daarom kan artikel 8:69a van de Awb eiseres niet worden tegengeworpen.

7.1.

Partijen zijn het erover eens dat de activiteit in strijd is met het geldende bestemmingsplan. In geschil is of de omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

7.2.

Verder is in geschil of de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat de evenementenvergunning niet op grond van artikel 1:8 van de APV behoefde te worden geweigerd. In dit kader stelt de rechtbank voorop dat artikel 1:8 van de APV de burgemeester beleidsruimte geeft.

8.1.

Eisers stellen zich op het standpunt dat de negatieve gevolgen voor de bodem door het organiseren van het evenement op het evenemententerrein ten onrechte niet zijn onderzocht. Verweerders hebben bij het bestreden besluit het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen. Verweerders zijn van mening dat de ingewonnen adviezen over onder meer de natuurwaarden voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen en voldoende helder en coherent zijn geformuleerd. Het gaat in dit geval om het rapport ‘Natuurtoets Festival Buiten Westen’ dat door Anteagroep in opdracht van [het bedrijf] is opgesteld. Daaruit blijkt dat het doel van de natuurtoets is het opsporen van tegenstrijdigheden van de voorgenomen activiteit met de Flora- en faunawet, het NNN en Natuurbeschermingswet 1998 en het geven van inzicht in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties vanuit de actuele natuurwetgeving. Voor het opstellen van het rapport is bureauonderzoek gedaan alsmede een terreinbezoek op 23 februari 2016. Geconcludeerd is dat het festival geen negatieve effecten heeft op de wezenlijke en kenmerkende waarden van het NNN-gebied.

8.2.

Eisers hebben in bezwaar een rapport van Proholt van 8 april 2015 overgelegd over het onderzoek aan de bodem in [het park] . Volgens eisers blijkt uit dit rapport dat na een evenement daar aanmerkelijke inklinking van de bodem heeft plaatsgevonden. Volgens eisers hebben verweerders vrijwel geen aandacht besteed aan conclusies in het rapport van Proholt. Vergunninghoudster heeft als reactie op het rapport van Proholt een onderzoek van [bedrijf] overgelegd over de stand van de bodem en de vegetatie in [het park] . Het rapport van Proholt noch het rapport van [bedrijf] heeft betrekking op het gebied rond de [locatie] , waar het evenement heeft plaatsgevonden. Beide rapporten geven geen inzicht in de stand van de bodem van dit gebied. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van een, wat de bodem betreft, identieke situatie als die ter plaatse van het gebied rond de [locatie] . Dit door eisers overgelegde rapport geeft aldus op zichzelf genomen geen aanleiding tot twijfel aan verweerders oordeel dat het festival geen negatieve effecten heeft op de wezenlijke en kenmerkende waarde van het NNN-gebied.

8.3.

Ten aanzien van de verweerders beoordeling van de eventuele gevolgen voor de bodem ter plaatse, overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens de overgelegde stukken werken verweerders aan een evenementenbeleid voor de gehele gemeente, waaronder het gebied rond de [locatie] . Er is een klankbordgroep, bestaande uit inwoners en belanghebbenden die meedenken over het te ontwikkelen ‘evenementenkader [locatie] ’ (klankbordgroep). Uit de ‘Nieuwsbrief [locatie] nr. 2’ blijkt dat tijdens de bijeenkomst op 17 mei 2016 gesproken is over bestaande gegevens en onderzoeken en over aanvullende onderzoeken die nodig zijn om keuzes te maken voor het ‘evenementenkader [locatie] ’, waaronder onderzoeken over de impact van evenementen op de bodem. Verweerders hebben op 31 oktober 2016 een ongedateerd stuk, genaamd ‘Bodemgegevens [locatie] ’ overgelegd dat antwoorden geeft op de vragen van de klankbordgroep. Ter zitting hebben verweerders zich beroepen op dit stuk en desgevraagd te kennen gegeven dat dit stuk geen deskundigenbericht betreft, maar een weergave van de wijze waarop het terrein rond de [locatie] wordt onderhouden. In dit stuk wordt onder meer aangegeven dat uit het door Anteagroep uitgebrachte rapport maatregelen volgen om de kwetsbare delen van de bodem te beschermen. Ook wordt verwezen naar een onderzoek van de gemeente Amsterdam naar verdichting in de toplaag van gazons in een aantal parken (in die gemeente) waar evenementen worden gehouden. Verder wordt in het stuk ‘Bodemgegevens [locatie] ’ aangegeven dat de drainage van het gebied, door een laag van 1 à 1,5 meter grond/zandmengsel bij de aanleg in 1986, nog steeds goed werkt. De conclusie die daaruit wordt getrokken is dat na 30 jaar nauwelijks zetting heeft plaatsgevonden. De rechtbank treft in het stuk ‘Bodemgegevens [locatie] ’ met name informatie aan over de grasvelden en directe schade van evenementen aan deze grasvelden. Er wordt geen inzicht gegeven over de stand van de bodem van het gebied rond de [locatie] .

8.4.

De rechtbank overweegt dat het in 8.1. genoemde rapport een zeer summiere conclusie bevat over de eventuele gevolgen van het festival op het NNN-gebied. Uit dit rapport blijkt niet dat het verrichte onderzoek ook betrekking heeft op de gevolgen van het evenement op het gebied rond de [locatie] waar het evenement heeft plaatsgevonden. De rechtbank merkt op dat, anders dan verweerders met het stuk ‘Bodemgegevens [locatie] ’ betogen, het rapport van Anteagroep geen maatregelen benoemt ter bescherming van de kwetsbare delen van de bodem van het gebied rond de [locatie] . Dit betekent dat niet gebleken is dat onderzoek is gedaan naar de bodem van het gebied rond de [locatie] en of het evenement hierop eventueel nadelige gevolgen heeft. Daarom is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

9. Zoals hiervoor is overwogen onder 8.4, is het bestreden besluit in strijd met de motiveringsplicht van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerders in de gelegenheid te stellen het motiveringsgebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij met een aanvullend onderzoek. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. In dat geval kunnen verweerders de rechtbank vóór afloop van de termijn verzoeken om verlenging van de termijn. Zij dienen daarbij gemotiveerd aan te geven met hoeveel tijd zij verlenging verzoeken.

10. Verweerders moeten op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of zij gebruik maken van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerders gebruik maken van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerders. In beginsel, ook in de situatie dat verweerders de hersteltermijn ongebruikt laten verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerders op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of zij gebruik maken van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerders in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Farahani, voorzitter, en mrs. A.W.C.M. van Emmerik en M.M. Verberne, leden, in aanwezigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2017.

griffier

rechter/voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.