Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1976

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
13/669096-16 (Promis) en 10-270309-14 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van zes jaar voor diefstal met geweld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/669096-16 (Promis) en 10-270309-14 (TUL)

Datum uitspraak: 14 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [GBA] , gedetineerd in het Huis van Bewaring [penitentiaire inrichting] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. van der Meij, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.J. van Essen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 11 juni 2016 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, omstreeks 03.30 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres] , heeft weggenomen één of meer mobiele telefoons (o.a. Samsung S6 en/of Samsung S5 mini) en/of een mp3-speler/ mediaplayer (Samsung Galaxy S) en/of een mapje met politie-embleem, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die mobiele telefoons en/of die mp3-speler/ mediaplayer (Samsung Galaxy S) en/of dat mapje met politie-embleem onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- één of meer keer (met kracht) met een koevoet en/of een honkbalknuppel en/of (vuur)wapen, althans met een hard voorwerp op het hoofd en/of rug en/of zij en/of be(e)n(en) en/of arm(en) en/of schouder(s), althans op het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft/hebben geslagen en/of

- één of meer keer een (vuur)wapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft/hebben gericht en/of

- één of meermalen heeft/hebben geroepen: "Wie is de baas, wie is de baas." en/of "Liggen, liggen." en/of "Waar zijn die spullen, waar zijn die spullen.", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- de handen en/of monden van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] met tape heeft/hebben vast- en/of dichtgebonden en/of

- de kamer van die [slachtoffer 4] is/zijn binnen gegaan met een (vuur)wapen en/of een koevoet en/of een honkbalknuppel,

voornoemde geweld en/of bedreiging met geweld in aanwezigheid van [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 2] ,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een post traumatische stressstoornis (PTSS) en/of één of meer fractu(u)r(en) in het gezicht en/of één of meer littekens op het hoofd en/of op het lichaam en/of (crush)letsel en/of een fractuur van de rechterhand en/of de vinger(s) van de rechterhand en/of chronische pijn aan/in het hoofd/gezicht en/of aan/in het lichaam

en/of

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een post traumatische stressstoornis (PTSS) en/of één of meer fractu(u)r(en) in/van de arm (ellepijp) en/of één of meer luxatie(s) van de schouder(s) en/of één of meer littekens op het hoofd en/of op het lichaam en/of een (zware) hersenschudding/kneuzing en/of chronische pijn aan/in het hoofd/gezicht en/of aan/in het lichaam

en/of

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een post traumatische stressstoornis (PTSS) en/of een fractuur van de neus ten gevolge waarvan die neus scheef is komen te staan en/of een fractuur van de voet en/of chronische pijn aan de neus en/of aan/in het hoofd/gezicht en/of aan/in het lichaam

en/of

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 4] zwaar letsel heeft opgelopen, te weten een post traumatische stressstoornis (PTSS);

artikel 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

artikel 312 lid 2 ahf/sub 1,2,3 en 4 Wetboek van Strafrecht

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar haar op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Op basis van de aangiften, het bloedspoor op de broek van verdachte, de aangetroffen sjaals op de vluchtroute, zijn verklaring ter terechtzitting, het horloge in de woning van aangevers, de belastende verklaring van medeverdachte [medeverdachte] en het telefonisch contact met de derde verdachte kan de woningoverval met geweld in vereniging gepleegd bewezen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft onder verwijzing naar haar op schrift gestelde pleitnotitie vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde feit. De raadsvrouw heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij samen met twee anderen in de woning is geweest van aangevers. Aanleiding hiervoor was dat één van zijn mededaders was bestolen van zijn drugs door een man die in de woning zou wonen. Het opzet van verdachte was niet gericht op de mishandeling van de familieleden, maar op het terugpakken van de gestolen drugs. Evenmin was het opzet gericht op het wegnemen van de bij [medeverdachte] aangetroffen goederen. Verdachte had zelfs geen wetenschap van de diefstal van deze goederen. Zonder weet te hebben van die diefstal, kan verdachte ook niet voor medeplegen van dit feit worden veroordeeld. De verklaring van [medeverdachte] over verdachte is onbetrouwbaar en vindt geen steun in het dossier.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Opzet en medeplegen diefstal

Op basis van het dossier staat vast dat de tenlastegelegde diefstal met geweld en bedreiging met geweld heeft plaatsgevonden. Dit heeft verdachte ook niet ontkend. De rechtbank stelt voorop dat iemands betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, als is komen vast te staan dat bij het begaan van dat feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen deze persoon en de andere dader of daders, bijvoorbeeld door het maken van een gezamenlijk plan of een gezamenlijke uitvoering van dat plan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij samen met twee anderen in de woning is geweest met de bedoeling om goederen weg te nemen. De aanleiding zou volgens verdachte een gestolen partij drugs van een mededader zijn geweest. Deze partij zou in de woning liggen en verdachte heeft daarover verklaard: “ze wilden die dingen terug”. Verdachte is naar eigen zeggen met zijn mededaders naar de woning gereden om hen daarbij tegen betaling te helpen. Vast staat dat zij met wapens én vermomming de woning zijn binnengegaan. In de woning is door één van de overvallers geroepen naar de bewoners: “Waar zijn die spullen”. Verdachte heeft verklaard dat hij samen met een mededader via het balkon de woning is binnengegaan en dat hij een vuurwapen in zijn hand had. Dit vuurwapen heeft hij naar eigen zeggen getoond aan twee van de bewoners, de moeder en de dochter, om hen rustig te houden. Eén van de bewoners, de zoon, wijst de overvaller met het vuurwapen aan als iemand die ook geweldshandelingen heeft verricht. Op basis van het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting is aannemelijk dat verdachte de enige overvaller was met een vuurwapen. Zelfs al zou echter worden uitgegaan van verdachtes verklaring, dat hij geen geweldshandelingen heeft verricht, dan moet hij hebben meegekregen dat er tijdens de overval door zijn mededaders geweld is gebruikt. Verdachte was immers gedurende de hele overval aanwezig in de woning. Hij moet bovendien het gegil en geschreeuw van de bewoners hebben gehoord, en er is bloed van één van de bewoners, de zoon, aangetroffen op twee pijpen van zijn broek.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat verdachte uitvoeringshandelingen heeft verricht tijdens de overval, zoals het dreigen met het vuurwapen, zich niet heeft onttrokken aan de overval en niets heeft gedaan om een einde te maken aan de overval. Ook na de overval heeft de verdachte zich losgerukt van de politie en is hij weggerend.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Door met een dergelijk vooropgezet plan naar de woning te gaan, te weten met wapens en vermomming met als doel om een gestolen partij drugs terug te halen, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij medepleger zou worden van een diefstal met geweld of bedreiging met geweld. De kans dat er iets anders of ook iets anders mee zou worden genomen dan deze partij drugs acht de rechtbank aanmerkelijk. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen. Voor de bewezenverklaring is niet van belang of verdachte de goederen zelf heeft weggenomen, omdat medeplegers voor elkaars gedragingen strafrechtelijk aansprakelijk zijn voor zover die binnen het gezamenlijk opzet vallen.

Zwaar lichamelijk letsel

Tijdens de overval is lichamelijk letsel toegebracht aan de bewoners. Bovendien hebben de bewoners verklaard dat zij als gevolg van de overval geestelijk letsel hebben opgelopen in de vorm van een post traumatische stressstoornis (hierna: PTSS). Aan verdachte is een zwaardere variant van diefstal met geweld ten laste gelegd, te weten een diefstal met geweld die zwaar lichamelijk letsel ten gevolg heeft. Het lichamelijk letsel van de bewoners kwalificeert, al dan niet in onderlinge samenhang beschouwd, als zwaar lichamelijk letsel. Onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt mede begrepen een storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft. Bij de beantwoording van de vraag of PTSS als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt wijst de rechtbank op de volgende overweging van de Hoge Raad van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX9407).

3.5.

Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat psychische gevolgen van gedragingen zoals bewezenverklaard [PTSS], welke gevolgen niet zonder meer zijn aan te merken als een (ver)storing van de verstandelijke vermogens in de zin van art. 82, tweede lid, Sr, niet kunnen worden aangemerkt als "zwaar lichamelijk letsel" als bedoeld in art. 248, eerste lid, Sr, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het genoemd letsel, hoewel het als zwaar letsel kan worden aangemerkt, niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Sr. Verdachte wordt ten aanzien van de PTSS dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken. De rechtbank overweegt dat zwaar geestelijk letsel wel strafverhogend kan meewegen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 11 juni 2016 te [woonplaats] , omstreeks 03.30 uur, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres] , heeft weggenomen mobiele telefoons (o.a. Samsung S6 en Samsung S5 mini) en een mp3-speler/ mediaplayer (Samsung Galaxy S) en een mapje met politie-embleem, toebehorende aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die mobiele telefoons en die mp3-speler/ mediaplayer (Samsung Galaxy S) en dat mapje met politie-embleem onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming en welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en zijn mededaders

- met kracht met een koevoet en een honkbalknuppel en vuurwapen, op het hoofd en/of rug en/of zij en/of be(e)n(en) en/of arm(en) en/of schouder(s), althans op het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] hebben geslagen en

- een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben gericht en

- hebben geroepen: "Wie is de baas, wie is de baas." en "Liggen, liggen." en "Waar zijn die spullen, waar zijn die spullen.", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- de handen en/of monden van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met tape hebben vast- en/of dichtgebonden

voornoemde geweld en bedreiging met geweld in aanwezigheid van [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 2] ,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten fracturen in het gezicht en één of meer littekens op het hoofd en op het lichaam en (crush)letsel en een fractuur van de vinger van de rechterhand en chronische pijn aan/in het hoofd/gezicht en aan/in het lichaam

en

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een fractuur van de ellepijp en luxaties van de schouders en een litteken op het hoofd en een (zware) hersenschudding/kneuzing en chronische pijn aan/in het hoofd/gezicht en aan/in het lichaam

en

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, een fractuur van de neus ten gevolge waarvan die neus scheef is komen te staan en een fractuur van de voet en pijn aan het lichaam

en

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 4] zwaar letsel heeft opgelopen, te weten een post traumatische stressstoornis (PTSS);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen geheel toe te wijzen.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

Als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsvrouw rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden en de jonge leeftijd van verdachte. Daarnaast heeft verdachte spijt van hetgeen is gebeurd. Verdachte is niet de persoon geweest die door de bewoners wordt omschreven als ‘het beest’. Hij is niet de persoon geweest die op deze wijze geweld heeft toegepast. Tot slot verzoekt de verdediging om rekening te houden met de openheid van zaken die verdachte ter terechtzitting heeft gegeven.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Op 10 juni 2016 viert [slachtoffer 3] met haar familie haar 58ste verjaardag bij haar thuis op de [adres] te [woonplaats] . De verjaardag krijgt een andere wending wanneer in de nacht van 11 juni 2016 verdachte en zijn mededaders de woning binnendringen. De slachtoffers zien drie daders binnenkomen met een vuurwapen, een knuppel en een koevoet. [slachtoffer 3] ziet eerst hoe bij haar zoon, [slachtoffer 2] , zijn handen en mond worden afgeplakt met ducttape en bij haar dochter, [slachtoffer 1] haar mond. Daarna wordt ook haar mond afgeplakt, waardoor zij moeilijk adem kan halen. Vervolgens begint één van de daders haar genadeloos te slaan met een knuppel. [slachtoffer 1] heeft verklaard hoe machteloos zij zich voelde op het moment dat zij zag dat haar moeder en haar broer zoveel geweld moesten ondergaan. Kleindochter [slachtoffer 4] van 8 jaar moest aanzien hoe haar oma, tante en oom werden geslagen. [slachtoffer 1] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben als gevolg van het gebezigde geweld zwaar lichamelijk letsel opgelopen en als gevolg van de schokkende gebeurtenis allen een post traumatische stressstoornis. Dat laatste geldt ook voor [slachtoffer 4] .

Dat de impact van de overval nog steeds groot is, blijkt uit de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen. [slachtoffer 1] schrijft dat zij als gevolg van het opgelopen letsel vijf maanden niet in staat is geweest om te werken, terwijl zij wist dat zij in aanmerking kwam voor een vast contract. Dat leverde haar extra stress op. Door het letsel is zij veel kennis kwijtgeraakt en had zij moeite om zich te concentreren. Zij zegt door de overal een ander mens te zijn geworden. De angst voor de daders, waaronder de mededader die nog niet is opgepakt, speelt continu door haar hoofd. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zijn uitweg heeft gezocht in drank en drugs, en ergens anders is gaan wonen omdat het thuis niet langer ging. Hij is de eerste weken twaalf kilo afgevallen en leeft nog steeds in angst, vooral ‘s nachts. Naast de behandeling die nodig is voor zijn neus ten gevolge van het opgelopen letsel, zegt hij ook psychische hulp nodig te hebben. Hij volgt nu EMDR-therapie. [slachtoffer 1] verklaart dat de overval haar gezin uit elkaar heeft gedreven. Zij ziet de pijn en het verdriet bij haar kinderen. Zij zijn niet in staat om elkaar te troosten, omdat het te zwaar is om het leed bij de ander aan te zien. Ook zij verklaart dat zij niet meer dezelfde vrouw is als daarvoor. Zowel lichamelijk als emotioneel heeft zij veel schade opgelopen. Zo is haar gezicht nog steeds gevoelloos en kan zij haar vingers niet goed gebruiken. Haar gehoor is beschadigd en binnenkort zal zij worden geopereerd aan haar kaken. Ten gevolge van het letsel is zij afhankelijk geworden van anderen en ‘s nachts heeft zij nachtmerries. Ook het jongste slachtoffer [slachtoffer 4] , 8 jaar oud, schrijft in haar slachtofferverklaring dat zij erg bang is voor de overvallers en nachtmerries heeft van de overval. Haar moeder gaat wekelijks met haar naar traumatherapie en zij zegt dat haar dochter is veranderd in een bang en teruggetrokken meisje. Ook is zij weer in haar bed gaan plassen. Voor alle slachtoffers geldt dus dat deze gebeurtenis enorm veel invloed heeft gehad op hun leven. Zoals blijkt uit hun verklaringen, worden zij nog steeds geconfronteerd met de lichamelijk en geestelijke gevolgen van wat hun is overkomen. Het valt helaas te verwachten dat zij daar nog lange tijd mee geconfronteerd zullen blijven worden.

Verdachte en zijn mededaders zijn voor deze enorme gevolgen verantwoordelijk. De rechtbank rekent deze gevolgen verdachte in volle omvang aan. Verdachte heeft op geen enkel moment zichtbaar stilgestaan bij het leed dat zijn handelen bij de slachtoffers zou kunnen veroorzaken. Hij heeft blijkbaar alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.

Uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie van verdachte van 31 januari 2017 en de strafkaart van 17 februari 2017 blijkt dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan zowel vermogensdelicten als geweldsdelicten. Verdachte liep ten tijde van het bewezenverklaarde bovendien in een proeftijd.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf allereerst acht geslagen op de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). Het LOVS geeft als oriëntatiepunt bij een overval van een woning met ander dan licht geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar De huidige woningoverval is dusdanig gewelddadig geweest, en de gevolgen voor de vier slachtoffers - waarvan er drie zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en alle vier zwaar geestelijk letsel - zijn dusdanig ernstig, dat hier naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaar als uitgangspunt heeft te gelden.

Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of er factoren zijn dat maken dat in het geval van verdachte naar boven of naar beneden toe van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat die factoren ofwel afwezig zijn, ofwel elkaar opheffen.

De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij niet heeft gezien dat zijn mededaders geweld gebruikten. Gegeven de verklaringen van de slachtoffers, het aanzienlijke letsel en de bloedvlekken op de broekspijpen van verdachte is dat volstrekt ongeloofwaardig. Wel lijkt aannemelijk – zo valt namelijk af te leiden uit de verklaring van de slachtoffers – dat de mededaders van verdachte, in het bijzonder mededader [medeverdachte] , zich aanzienlijk gewelddadiger hebben gedragen dan verdachte. In de rol die verdachte speelde bij de toepassing van het geweld ziet de rechtbank daarom geen reden om naar boven toe van het uitgangspunt af te wijken.

Verdachte is eerder veroordeeld voor vermogensdelicten (diefstal, inbraak) en geweldsdelicten (huiselijk geweld), maar nog nooit voor diefstal met geweld of een daarmee vergelijkbaar misdrijf. Er bestaat daarom naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om – zij het in een mindere mate dan bij mededader [medeverdachte] die net een half jaar was vrij gekomen na het uitzitten van een gevangenisstraf voor een woningoverval – wegens de recidive naar boven toe van het uitgangspunt af te wijken.

Het pleit ten slotte voor verdachte dat hij, al was het dan na confrontatie met bewijsmiddelen, uiteindelijk ter zitting over de overval heeft verklaard, heeft verteld waarom hij daaraan meedeed en enige spijt heeft betuigd aan de aanwezige slachtoffers, waarbij hij niet onoprecht op de rechtbank is overgekomen. Hij heeft daarmee blijk gegeven, zij het laat en beperkt, dat hij inzicht heeft in het uiterst kwalijke van zijn handelen. In de houding van verdachte ten aanzien van het delict ziet de rechtbank daarom aanleiding om enigszins naar beneden toe van het uitgangspunt af te wijken.

Alles afwegende acht de rechtbank daarom een iets lagere dan door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

2. 1 1 STK Bankafschrift op naam van [verdachte] (5205267)

2. 1 1 STK Broek (5202100)

Het voorwerp met beslagnummer 3 (Broek 5202100) behoort aan verdachte toe, maar bevat bloedvlekken van één van de bewoners. Dit voorwerp wordt verbeurdverklaard.

Het inbeslaggenomen goed, nummer 2 van de beslaglijst: Bankafschrift (5205267), dient te worden teruggegeven aan verdachte.

10 Ten aanzien van de benadeelde partijen

Algemene overweging ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij

De raadsvrouw heeft bepleit dat de vorderingen benadeelde partij niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard gelet op het late tijdstip van het verstrekken van de vorderingen, waardoor het onmogelijk is om een civielrechtelijk juridisch verweer te kunnen voeren.

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen binnen de daarvoor wettelijk gegeven termijn zijn ingediend. De rechtbank is verder van oordeel dat de enkele omstandigheid dat een vordering van een benadeelde partij omvangrijk is, niet zonder meer meebrengt dat behandeling daarvan een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert. De vordering is in het onderhavige geval behoorlijk en overzichtelijk onderbouwd, zeker nu deze voornamelijk bestaat uit medische stukken, en de rechtbank acht de benadeelde partijen in beginsel dan ook ontvankelijk in hun vorderingen.

Toekomstige kosten

Onder diverse posten hebben de benadeelde partijen de vergoeding van (mogelijke) toekomstige kosten gevorderd. Nu de verschuldigdheid en de omvang van deze kosten zijn omgeven met teveel onzekerheden en er bovendien nog geen sprake is van een medische eindtoestand bij de benadeelde partijen, zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen voor zover het toekomstige schade betreft.

Shockschade

Voor zover het gaat om zogenoemde ‘shockschade’ overweegt de rechtbank het volgende. ‘Shockschade’ kan ontstaan bij degene bij wie door het (directe) waarnemen van een incident of ongeval of door de (directe) confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Dit zal zich met name kunnen voordoen indien iemand is gedood of gewond tot wie de getroffene in een nauwe affectieve relatie staat (ECLI:NL:HR:2002:AD5356). Een vordering tot vergoeding van shockschade kan alleen worden toegewezen als het gaat om geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Voor de vaststelling daarvan is nader feitelijk onderzoek noodzakelijk, bijvoorbeeld door een psychiater of psycholoog. Uit de (toelichting op de) vorderingen blijkt dat bij de benadeelde partijen een post traumatische stressstoornis is vastgesteld en dat zij verschillende therapieën en/of behandelingen hebben ondergaan ten gevolge van de overval. Zo heeft [slachtoffer 1] een EMDR-behandeling ondergaan, echter blijkt uit de verklaring van haar psycholoog dat deze behandeling weinig tot geen effect heeft gehad. Voorts is zij verwezen voor verdere behandeling binnen de Specialistische GGZ. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] staan onder behandeling voor PTSS en bij [slachtoffer 2] is ook EMDR-therapie geïndiceerd. Bij de bepaling van de omvang van de door de benadeelde partijen geleden immateriële schade is rekening gehouden met shockschade en heeft de rechtbank aansluiting getracht te zoeken bij vergelijkbare zaken. De rechtbank waardeert de shockschade voor elke benadeelde partij in deze zaak op € 7.500,-. Het overige gedeelte van hun immateriële schade is eveneens geschat, waarbij rekening is gehouden met de aard en de ernst van het letsel en de daaruit voortkomende gevolgen.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 1.737,94 aan materiële-schadevergoeding en € 35.000 aan immateriële-schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 14.142,94 bestaande uit € 1.642,94 aan materiële schade (€ 249,- + € 887,24 + € 428,70 + € 50,- + € 28,-) en € 12.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, zijnde 11 juni 2016.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 2.364,61 aan materiële-schadevergoeding en € 35.000 aan immateriële-schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 14.769,61 bestaande uit € 2.269,61 aan materiële schade (€ 164,95 + € 1.505,56 + € 329,10 + € 50,- + € 224,-) en € 12.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, zijnde 11 juni 2016.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 2] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 1.385,49 aan materiële-schadevergoeding en € 35.000 aan immateriële-schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 11.290,49 bestaande uit € 1.290,49 aan materiële schade (€ 174,- + € 793,89 + € 272,60 + € 50,-) en € 10.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, zijnde 11 juni 2016.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 3] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 7.220,46 aan materiële-schadevergoeding en € 25.000 aan immateriële-schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 8.825,46 bestaande uit € 1.325,46 aan materiële schade (€ 413,60 + € 523,36 + € 338,50 + € 50,-) en € 7.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, zijnde 11 juni 2016.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 4] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

11 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 15 juni 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement [woonplaats] , in de zaak met parketnummer 10-270309-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 24 september 2015 van de Politierechter te Dordrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken voor te bereiden en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

1. STK Broek (5202100)

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

1. STK Bankafschrift op naam van [verdachte] (5205267)

Wijst de vordering van [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats] , toe tot € 14.142,94 (veertienduizend honderdtweeënveertig euro en vierennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] , € 14.142,94 (veertienduizend honderdtweeënveertig euro en vierennegentig cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 130 dagen.

De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats] , toe tot € 14.769,61 (veertienduizend zevenhonderdzesennegentig euro en eenenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] , € 14.769,61 (veertienduizend zevenhonderdzesennegentig euro en eenenzestig cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 133 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 3], wonende te [woonplaats] , toe tot € 11.290,49 (elfduizend tweehonderdnegentig euro en negenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] , € 11.290,49 (elfduizend tweehonderdnegentig euro en negenveertig cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 116 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 4], wonende te [woonplaats] , toe tot € 8.825,46 (achtduizend achthonderdvijfentwintig euro en zesenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] , € 8.825,46 (achtduizend achthonderdvijfentwintig euro en zesenveertig cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 104 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan één van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 24 september 2015 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk 2 weken gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en N.A.J. Purcell, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Nieuwenhuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 maart 2017.