Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1935

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
13/669070-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op basis van (onder andere) de verklaring van een getuige die de verdachte en het slachtoffer kende en ondersteunende (onafhankelijke) getuigenverklaringen acht de rechtbank bewezen dat verdachte het slachtoffer tijdens een druk bezocht feest Afro Dance in 2014 in discotheek The Sand heeft doodgeschoten. Het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario, dat een andere persoon dan verdachte de schutter is geweest, is niet aannemelijk geworden. Verdachte is voor doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669070-16 (Promis)

Datum uitspraak: 30 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “ [naam PI] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 maart 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.P. Plasman, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 27 september 2014 te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een gasalarmpistool, althans een vuurwapen, op diens borst, althans lichaam, te schieten;

2.

hij op of omstreeks 27 september 2014 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een gasalarmpistool (merk Ekol), en/of munitie van categorie III, te weten een patroon, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De rechtbank leidt uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting met betrekking tot de ten laste gelegde feiten het volgende af.

Op 27 september 2014 is tijdens het feest Afro Dance in discotheek “The Sand” te Amsterdam een man, te weten [slachtoffer] , neergeschoten op het VIP-deck, waarna hij ter plekke is overleden. De patholoog die de sectie op het lichaam heeft verricht heeft verklaard dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van één schotverwonding, rechtsvoor aan de borst. Verdachte was op dat feest aanwezig. Hij droeg een Philipp Plein T-shirt met op de voorkant een afbeelding van Batman. Verdachte heeft zichzelf ook herkend op een foto van het feest (op pagina ZD 0797).

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag en het onder 2 ten laste gelegde bewezen kunnen worden verklaard. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op meerdere getuigenverklaringen, waaronder die van de bedreigde getuige ‘S1’, de verklaring van getuige [getuige 1] en van getuige [getuige 2] . Uit deze verklaringen blijkt dat verdachte en het latere slachtoffer [slachtoffer] onenigheid hadden, dat duw- en trekwerk ontstond en dat het latere slachtoffer een fles naar het hoofd van verdachte heeft gegooid. Verdachte heeft vervolgens een pistool gepakt en op [slachtoffer] geschoten. De officier van justitie heeft verder gewezen op meerdere getuigen die verdachte hebben gezien met een vuurwapen en die hebben gezien dat hij onmiddellijk na het schot het VIP-deck verliet en naar de uitgang is gelopen. Bij dit alles komt dat bloed van verdachte is aangetroffen op de vloer, ter hoogte van de wodkabar. Langs deze bar is volgens getuigen de schutter gelopen op weg naar buiten. Al met al volgt hieruit dat verdachte [slachtoffer] op 27 september 2014 heeft doodgeschoten.

Zij acht niet bewezen dat sprake was van voorbedachten rade bij verdachte. Van dit bestanddeel dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Het standpunt van verdachte is duidelijk, hij ontkent de schutter te zijn geweest. Er moet worden uitgegaan van het alternatieve scenario dat een andere persoon dan verdachte de schutter is geweest. Verdachte is niet de man die de trap afliep met een vuurwapen in de hand. Indien wel wordt aangenomen dat verdachte de man was met het vuurwapen, dan is het nog maar de vraag of hij de schutter is geweest. De verklaringen van getuigen [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 1] kunnen geen aanwijzingen zijn tegen het alternatieve scenario, nu geen van hen het daadwerkelijke schieten heeft gezien. Ten aanzien van de getuigen die hebben verklaard dat zij hebben gehoord dat “ [verdachte] ” de schutter was en/of een wapen in zijn handen had, geldt dat dit ‘van horen zeggen’-verklaringen zijn, dat de bronnen onduidelijk en/of onbekend zijn en dat aan deze verklaringen geen gewicht moet worden toegekend. Tot slot is de verklaring van de bedreigde getuige S1 onbetrouwbaar, gelet op de tegenstrijdigheden in de afgelegde verklaringen. De verklaringen van de bedreigde getuige kunnen om die reden niet dienen als aanwijzing tegen het alternatieve scenario. Het alternatieve scenario dat iemand anders heeft geschoten, kan op grond van het voorgaande niet weerlegd worden en het betreft ook geen onaannemelijk scenario. Kortom, nu dit scenario standhoudt, kan het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet bewezen worden verklaard.

Subsidiair is de raadsman, met de officier van justitie, van mening dat geen sprake is geweest van voorbedachte rade.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank is – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen kan worden. Er is geen wapen aangetroffen. Ook zijn er geen patronen of hulzen gevonden in The Sand. Uit het rapport van de politie blijkt dat er waarschijnlijk een alarmpistool merk Ekol is gebruikt. Nu dit niet met meer zekerheid kan worden vastgesteld, zal verdachte van het onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.4.2

Het oordeel over het onder 1 ten laste gelegde

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I van dit vonnis zijn opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, gaat de rechtbank van het volgende uit.

Verdachte kreeg op het VIP-deck ruzie met het latere slachtoffer [slachtoffer] . [slachtoffer] gooide op enig moment een fles naar verdachte. Deze fles raakte verdachte op het hoofd. Dit veroorzaakte een bloedende hoofdwond bij verdachte. Verdachte pakte toen een vuurwapen uit zijn broek en schoot [slachtoffer] vanaf korte afstand in de borst. [slachtoffer] zakte vervolgens in elkaar en overleed. Verdachte is de trap afgelopen en langs de wodkabar naar buiten gegaan.

Dit is gebaseerd op het volgende.

Er is een zogenoemde ‘bedreigde getuige’ gehoord, eerst door de politie en later door de rechter-commissaris. Deze getuige wordt aangeduid met ‘S1’. Deze getuige heeft verklaard dat hij/zij zowel verdachte als [slachtoffer] kent en dat hij/zij het volgende heeft gezien. Verdachte, die hij/ zij kent als [verdachte] , en [slachtoffer] hadden een woordenwisseling. Verdachte gaf [slachtoffer] een klap in het gezicht, waarna [slachtoffer] een champagnefles naar verdachte gooide. Verdachte werd door deze fles geraakt. Vervolgens haalde verdachte een pistool uit zijn broek tevoorschijn, waarmee hij een beweging maakte richting [slachtoffer] . Hierna volgde een knal en zakte [slachtoffer] in elkaar.

Deze verklaring van S1 wordt ondersteund door andere (onafhankelijke) getuigenverklaringen. Zo heeft getuige [getuige 2] , een bezoekster van het VIP-deck, beschreven dat zij een woordenwisseling zag tussen ‘de agressieve man’ en ‘het latere slachtoffer’. Er was sprake van duw- en trekwerk en er werd geslagen met een fles. Ze hoorde een doffe knal en zij zag dat ‘het latere slachtoffer’ daarna in elkaar zakte.

Getuige [getuige 1] , een van de beveiligers op het feest, hoorde eveneens enig tumult, zag duw- en trekwerk, hoorde een doffe klap – van wat later van een kapotgeslagen fles bleek te zijn – en hoorde een harde knal. [getuige 1] zag daarna een man met een wapen in zijn hand de trap van het VIP-deck aflopen. Hij beschreef deze man als een man met een donkere huidskleur, een zwart T-shirt met witte print en een donkere broek.

Getuigen [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] , allen beveiligers op het feest, beschreven ook dat een man met een wapen de trap van het VIP-deck afliep. Zij hebben van deze man nagenoeg hetzelfde signalement opgegeven als getuige [getuige 1] .

Getuige [getuige 6] heeft het T-shirt daarbij geïdentificeerd op een foto als een Philipp Plein T-shirt. Verdachte heeft verklaard dat hij dit T-shirt op die avond aanhad.

Daarnaast hebben meerdere getuigen – [getuige 7] , [getuige 8] en [getuige 9] – het breken van een fles gehoord, gevolgd door een gedempte knal en/of een lichtflits en/of vuurwerklucht.

Het alternatieve scenario

Het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario wordt niet door de rechtbank aangenomen. Dit om de volgende redenen.

Als verdachte wordt gevolgd in zijn versie van de gebeurtenissen, zouden er twee incidenten op nagenoeg hetzelfde moment op het VIP-deck zijn geweest. Namelijk een incident waarbij verdachte was betrokken en een incident waar [slachtoffer] en een derde waren betrokken. Dit volgt de rechtbank niet. Geen van de getuigen die zijn gehoord heeft verklaard over twee incidenten. Daar komt bij dat uit de beschrijving van de beelden is af te leiden dat er pas commotie op het VIP-deck ontstond toen er was geschoten. Ook is het hoogst onwaarschijnlijk dat verdachte uit het niets werd geslagen (met een fles) en dat hij niet heeft gekeken waar de klap vandaan kwam maar, zoals hij ter zitting heeft verklaard, “ging rennen voor zijn leven”. Ten overvloede overweegt de rechtbank ten aanzien van die verklaring, dat het onwaarschijnlijk is dat verdachte, die ongeveer 1,85 meter lang is en een fors postuur heeft en, als 32-jarige in de kracht van zijn leven is, na een klap tegen zijn hoofd ‘rent voor zijn leven’, en even onwaarschijnlijk acht de rechtbank het dat iemand die van achteren een klap tegen zijn hoofd voelt, niet als vanzelfsprekend achterom kijkt, niet alleen om vast te stellen wat hem heeft geraakt, maar ook om zeker te stellen dat het bij die ene klap blijft.

Betrouwbaarheid getuige S1

Het verweer dat de verklaring van getuige S1 onbetrouwbaar is, wordt verworpen. De verklaring van de getuige bij de politie komt grotendeels overeen met zijn/ haar verklaring bij de rechter-commissaris. De verschillen op detailniveau kunnen worden verklaard door het feit dat het verhoor bij de rechter-commissaris eerst twee jaar na het incident heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat de rechter-commissaris gemotiveerd heeft opgeschreven dat hij de getuige en zijn/haar verklaring betrouwbaar acht.

Conclusie

Op grond van hetgeen hiervoor is genoemd – één en ander in onderling verband en samenhang beschouwd – komt de rechtbank tot het oordeel dat het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario, dat een andere persoon dan verdachte de schutter is geweest, niet aannemelijk is geworden. De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat het verdachte is die [slachtoffer] in de borst heeft geschoten, ten gevolge waarvan hij is overleden. Door van dichtbij gericht op zijn borst te schieten heeft verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd.

Voorbedachte raad

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat bij verdachte sprake is geweest van een vooropgezet plan, dan wel een moment van kalm overleg en/of van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering. Van het bestanddeel voorbedachte raad wordt verdachte dan ook vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I van dit vonnis opgenomen vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde:

op 27 september 2014 te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen op diens borst te schieten.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 30,- is haar standpunt dat dit geldbedrag terug kan worden gegeven aan verdachte.

8.2

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat.

Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

In de nacht van 27 september 2014 heeft verdachte tijdens een druk bezocht feest in discotheek “The Sand” te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd. Dit is een misdrijf waarmee hij het meest elementaire recht van een mens heeft ontnomen, namelijk het recht op leven. Verdachte had het recht niet dit te doen. Daar komt bij dat een feit als dit vaak gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving veroorzaakt. Voor de aanwezige feestvierders moet het een schokkende en beangstigende gebeurtenis zijn geweest die zij niet snel zullen vergeten. Verdachte heeft door te schieten in een discotheek met vele andere aanwezigen ook deze anderen in gevaar gebracht. Dat er geen andere doden en/of gewonden zijn gevallen is een gelukkig toeval geweest.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte (zie de Justitiële Documentatie van 7 maart 2017), waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Ondanks deze veroordelingen heeft verdachte toch weer een zeer ernstig strafbaar feit gepleegd.

Alles afwegende is de rechtbank – net als de officier van justitie – van oordeel dat een gevangenisstraf van geruime duur passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Reden waarom de rechtbank de eis van de officier van justitie volgt, ook al is het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen verklaard.

9 Beslag

Onder verdachte is een geldbedrag van € 30,- in beslag genomen onder goednummer 4942083.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemd inbeslaggenomen geldbedrag kan worden teruggegeven aan verdachte

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde:

Doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- Een geldbedrag van € 30,00, vallende onder goednummer 4942083.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M. Wieland, voorzitter,

mrs. J.B. Oreel en J.M.L.I. van Hommerich, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark en R.J.E. Berfelo, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2017.