Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1930

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
13/654169-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie jonge mannen worden veroordeeld voor hun deelname aan een straatroof.

Toevallige getuige is een politieman die bij het volgen van een mogelijke nepdope-dealer op de beroving stuit.

Hij is feitelijk de enige ooggetuige. De verdachten ontkennen.

De rechtbank acht de straatroof door meerdere daders bewezen, maar legt aan elk van de veroordeelden een andere straf op.

Oorzaak daarvan is het wel, of beslist niet bereid zijn mee te werken met de Reclassering en het grote belang dat de rechtbank hecht aan de (waarschijnlijk) laatste kans voor één van de mannen om nog een opleiding te kunnen volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654169-16 (Promis)

Datum uitspraak: 23 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1997
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 9 maart 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. al Mansouri en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. de Vos naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat hij op of omstreeks 25 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op de openbare weg ( Binnengasthuisstraat ), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (Samsung S6) en/of een geldbedrag van (ongeveer) 100 euro en/of 200 Britse pond, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en),dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer] heeft/hebben vastgegrepen en/of vastgehouden en/of
- die [slachtoffer] hard op het oog/gezicht heeft/hebben gestompt/geslagen en/of
- die [slachtoffer] op/tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen.

3
3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk.
Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

De straatroof en het standpunt van verdachte

Op 25 september 2016 doet [slachtoffer] aangifte van een straatroof. Hij verklaart dat hij eerder die ochtend vroeg in de Binnengasthuisstraat in Amsterdam van achteren werd vastgegrepen en naar de grond gebracht en dat er een man of zeven om hem heen stond. Hij verklaart dat hij is geschopt en geslagen en dat zijn zakken zijn doorzocht. Zijn telefoon en zijn geld zijn afgepakt waarna de mannen er vandoor renden.

Hoofdagent [verbalisant 1] , die bezig was een tweetal mannen op een fiets te schaduwen die hij verdacht van het aanbieden van bolletjes (nep)dope, is getuige van de straatroof. Hij ziet zes of zeven mannen boven op het slachtoffer, zij doorzoeken zijn kleding en nemen spullen weg. Hij hoort iemand zeggen ‘doe het snel. Maak zijn zakken leeg!’ Hij geeft portofonisch door aan zijn collega [verbalisant 2] dat er een straatroof bezig is. Als de mannen wegrennen gaat [verbalisant 1] achter hen aan en hij en zijn toegesnelde collega’s slagen er in drie mannen aan te houden: [medeverdachte 1] en de tweelingbroers [medeverdachte 2] en [verdachte] .
Bij [verdachte] worden diverse coupures briefgeld aangetroffen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niets met de straatroof te maken heeft. Hij stond met zijn broer, [medeverdachte 2] , te wachten op een plaats waar zij hadden afgesproken en ineens riep iemand: ‘neger!’ Daar kwam ruzie van en verdachte raakte betrokken bij die ruzie. Hij kreeg klappen en deelde ook zelf een paar klappen uit. In totaal was er een stuk of tien man betrokken bij die ruzie die al snel fysiek werd en uitliep in een vechtpartij waar iedereen aan deel nam. Daarbij kwam iemand op de grond terecht.
Verdachte heeft verklaard dat de Britse ponden die bij hem zijn aangetroffen geld is dat hij vanuit Engeland had meegenomen en dat deels van hemzelf was en deels door zijn ouders aan hem gegeven. Een deel van dat Britse geld had hij omgewisseld voor euro’s en dat verklaart de aanwezigheid van het biljet van 100 euro.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte zich, met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met geweld.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht deelname aan de straatroof bewezen. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen waarin verbalisant [verbalisant 1] gedetailleerd beschrijft wat hij heeft waargenomen.
De aangifte van [slachtoffer] sluit naadloos aan op de waarnemingen van de verbalisant en bovendien wordt er bij verdachte geld aangetroffen in precies die coupures die aangever als gestolen opgeeft.
De verdachte geeft toe dat hij betrokken is geweest bij een geweldsincident, ook al ontkent hij de diefstal.

4.3

Het standpunt van de raadsvrouw

De lezing die verdachte geeft – hij raakt betrokken bij een vechtpartij en de deelnemers delen over en weer klappen uit, maar van een diefstal met geweld is geen sprake – vormt een alternatief scenario dat heel goed kan kloppen en dat bovendien zijn aanwezigheid op dat moment en op die plaats verklaart. Voor de aanwezigheid van het geld in die speciale coupures geeft verdachte een plausibele verklaring. Van enig opzet op het medeplegen van een straatroof is geen sprake. Op basis van alleen de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit komen. De rechtbank kan in een geval als dit het bewijs niet alleen baseren op de waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] . Verdachte dient dan ook te t worden vrijgesproken van de straatroof.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank vat hetgeen de raadsvrouw heeft gezegd over de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] op als een beroep op de één getuige is geen getuigeregeling van artikel 342, tweede lid Wetboek van Strafvordering. Volgens de raadsvrouw gaat de uitzondering op die regel voor het proces-verbaal van een politieambtenaar (artikel 344, tweede lid Sv) in dit geval niet op omdat deze alleen zou gelden voor eenvoudige zaken zoals overtredingen en niet voor een ernstig misdrijf als het ten laste gelegde feit. De conclusie van de raadsvrouw is dan ook dat het bewijsminimum niet wordt gehaald en dat verdachte ook om die reden moet worden vrijgesproken van de deelname aan de straatroof.
Zij zal eerst op dit deel van het pleidooi reageren en vervolgens ingaan op het door verdachte geschetste ‘alternatieve scenario’.

De waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] , zoals weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 25 september 2016, opgemaakt door hemzelf en zijn collega [verbalisant 2] , zijn zakelijk en gedetailleerd weergegeven. Daarbij komt dat beide verbalisanten gedetacheerd zijn geweest bij het Doelgroepenteam, een team dat bestaat uit getrainde waarnemers van straatcriminaliteit. [verbalisant 1] stuit onverwacht op de straatroof die dan juist aan de gang is en ziet zes à zeven mannen allemaal bovenop aangever liggen met het doel hem te fixeren. [verbalisant 1] ziet dat aangever zich probeert te verzetten maar dat dit door alle mannen bovenop hem vrijwel onmogelijk is. Hij ziet hoe de mannen de kleding van aangever doorzoeken en spullen wegnemen. Eén van de mannen roept ‘doorfietsen!’ naar [verbalisant 1] , die in burger is gekleed en niet direct als politieman herkenbaar is. [verbalisant 1] verklaart dat hij zeker weet dat verdachte bij de groep mannen hoorde die het slachtoffer fixeerden en zijn zakken doorzochten en leeggemaakt hebben. Hij heeft zijn verklaring later bij de rechter-commissaris bevestigd en verklaard dat hij de groep tijdens het incident niet uit het zicht heeft verloren.

Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat juist op de plek waar de beroving plaats vond een paar lichten hangen, dat het zicht redelijk goed was en dat hij een redelijk overzicht over het terrein had.

Het betoog dat de waarneming van [verbalisant 1] , zoals vastgelegd in een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal bevindingen, niet de bijzondere bewijskracht heeft als bedoeld in artikel 344, tweede lid Sv wordt verworpen. Dat deze uitzondering op de in artikel 342, tweede lid Sv gegeven algemene regel alleen geldt voor door een politieambtenaar simpele en op heterdaad geconstateerde overtredingen is geen voorschrift dat aan de wet of de jurisprudentie kan worden ontleend. Maar bovendien zijn er andere bewijsmiddelen voorhanden die de waarneming ondersteunen, zoals de aangifte van [slachtoffer] , het aantreffen van geld in met de aangifte overeenstemmende coupures bij verdachte en de verklaring van verdachte zelf dat er op die plaats en op dat moment na een scheldpartij een vechtpartij plaatsvond, waarbij hijzelf en een aantal mannen betrokken waren en waarbij er iemand op de grond terecht kwam.

Het alternatief scenario

De bewering van verdachte dat hij slechts bij een vechtpartij betrokken is geraakt en klappen heeft gekregen en uitgedeeld wordt niet ondersteund door de waarnemingen van [verbalisant 1] Verder wordt aan de geloofwaardigheid afbreuk gedaan doordat verdachte pas in een zeer laat stadium met deze bewering is gekomen. Noch bij zijn aanhouding, noch in zijn verhoor tegenover de politie, noch bij de rechter-commissaris heeft verdachte een dergelijk scenario geschetst. Hij heeft telkens een beroep gedaan op zijn zwijgrecht en er voor gekozen geen verklaring af te leggen.

De bewering van verdachte dat hij slechts betrokken is geweest bij een ordinaire vechtpartij, wordt dan ook als niet geloofwaardig terzijde geschoven.

Hetzelfde geldt voor de verklaring die verdachte geeft voor het aanwezig hebben van het geld, in exact dezelfde coupures als aangever heeft beschreven, te weten 10 biljetten van GBP 20,-. Toen verdachte door de rechtbank werd doorgevraagd over dit geld, kon of wilde hij daarover niet gedetailleerd verklaren De verklaring die verdachte heeft gegeven voor het aangetroffen geld acht de rechtbank niet geloofwaardig.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen zoals weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage, dat er wel degelijk een straatroof plaatsvond waarbij aangever [slachtoffer] werd beroofd door een aantal mannen, dat verdachte één van hen was en dat verdachte een actieve rol heeft gespeeld bij de tegen [slachtoffer] gerichte handelingen.

Daarmee is door de bewijsmiddelen weerlegd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het feit en reeds om die reden zou moeten worden vrijgesproken en behoeft dit geen verdere bespreking.

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de aan dit vonnis gehechte bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 25 september 2016 te Amsterdam op de openbare weg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon, Samsung S6, en een geldbedrag van 100 euro en 200 Britse pond, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond, dat verdachte en zijn mededaders

- die [slachtoffer] hebben vastgegrepen en vastgehouden en
- die [slachtoffer] hard op het oog hebben gestompt en
- die [slachtoffer] tegen het lichaam hebben geschopt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar.
Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat hij sterk gehecht is aan zijn tweelingbroer. Zij zitten nu samen gedetineerd. Verdachte is bereid zich aan bijzondere voorwaarden te houden en wil meewerken met de reclassering. Zijn broer kiest daar echter nadrukkelijk niet voor. Dit kan voor verdachte een loyaliteitsconflict vormen en hem in een later stadium doen aarzelen over de toegezegde medewerking.
Verdachte is een jonge man en niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit. Hij heeft spijt van wat er is gebeurd. Er kan volstaan worden met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.
Bovendien heeft de officier van justitie op de pro formazitting van 22 december 2016 gezegd dat ‘het basisdelict een gevangenisstraf van zes maanden rechtvaardigt’. Dat is niet in overeenstemming met de eis die vandaag is neergelegd en artikel 67a, lid 3 Sv is aan de orde.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De straatroof waarvoor verdachte wordt veroordeeld is een dermate ernstig feit dat het voorstel van de raadsvrouw om verdachte een straf op te leggen gelijk aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, niet zal worden overgenomen. Een dergelijke straf doet geen recht aan de ernst van het feit.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Aangever is meegelopen met een paar mannen die hem drugs aanboden. Op het Binnengasthuisterrein gekomen, is hij plotseling overvallen door een groep van ongeveer zeven mannen, een overmacht waartegen hij zich niet heeft kunnen verweren. Hij is mishandeld en beroofd. Verdachte maakte deel uit van deze groep en kan als medepleger van diefstal met geweld worden beschouwd. Het betrof in alle opzichten een laffe aanval waarbij aangever wel het onderspit moest delven. Het is een gelukkige omstandigheid dat dit alles plaats vond onder de ogen van een politieman in burger. De politie is er in geslaagd drie deelnemers aan de straatroof aan te houden en de aangever heeft in elk geval het bij hem gestolen geld weer terug kunnen krijgen.

Omtrent verdachte is op 7 maart 2017 een reclasseringsadvies uitgebracht door het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.
Vastgesteld wordt dat verdachte, evenals zijn tweelingbroer [medeverdachte 2] , op zichzelf is aangewezen; hij heeft geen verblijfplaats in Nederland, geen enkele vorm van (legaal) inkomen en geen duidelijke dagbesteding, opleiding of werk. Het feit doet hij af als ‘stoerdoenerij’ (al heeft verdachte ter zitting bestreden dat hij dit zo heeft gezegd).
Zijn situatie wordt zeer penibel genoemd al lijkt verdachte hier zelf niet al te zeer onder gebukt te gaan. Hij heeft begeleiding nodig bij het regelen van praktische zaken.

Op grond van de mededeling van verdachte dat hij in Engeland eerder is veroordeeld wegens een Opiumwetdelict, wordt de kans op recidive als matig tot hoog ingeschat en een hulpverleningstraject is wenselijk.

Verdachte heeft verklaard bereid te zijn zich te houden aan bijzondere voorwaarden en – anders dan zijn tweelingbroer [medeverdachte 2] – de begeleiding door de Reclassering te willen aanvaarden.

Verdachte is in Nederland niet eerder veroordeeld. Naar eigen zeggen is hij in Groot Brittannië veroordeeld voor een drugsdelict. Hierover ontbreken verdere gegevens.

In deze omstandigheden is een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf een passende sanctie. De rechtbank zal aan haar beslissing bijzondere voorwaarden verbinden, zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank ziet aanleiding om de geëiste straf enigszins te matigen nu zij niet ziet dat verdachte een zwaardere rol bij de straatroof heeft gespeeld dan de overige betrokkenen. Het feit dat hij het gestolen geld in zijn zak had, is daarvoor niet doorslaggevend.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op grond van artikel 14c Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14 d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank zal deze vordering afwijzen, nu zij daarvoor geen grond ziet.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c en 312 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde feit levert op:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezen feit strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden en beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot twee maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.


Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij de reclassering

Veroordeelde moet zich binnen vijf werkdagen na beëindiging van het onvoorwaardelijk deel van de straf melden bij de reclassering van het Leger des Heils in de regio waar hij gaat verblijven. Hierna moet betrokkene zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. Tevens dient betrokkene zich te houden aan de aanwijzingen die door de reclassering worden gegeven.

Opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde wordt verplicht om in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de reclassering van het Leger des Heils toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst af de vordering om op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. A.J. Dondorp en J. Edgar, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2017.