Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1835

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
13/651296-10 (vi)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Een v.i. kan worden uitgesteld wanneer ernstige bezwaren bestaan van een misdrijf. De inhoud van het dossier is onvoldoende om de ernstige bezwaren tegen veroordeelde aan te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

BESLISSING INZAKE VORDERING UITSTEL VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING

Parketnummer: 13/651296-10, 23/000552-12

V.i.-zaaknummer: 99-000278-21

Datum uitspraak: 7 maart 2017

Beslissing op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 26 januari 2017, ontvangen ter griffie op 26 januari 2017, betreffende uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) in de strafzaak tegen:

[veroordeelde] , (hierna: veroordeelde)

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonadres] , [plaats] , thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 maart 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Vriezen-Buist, en van wat veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. M. Wever, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank ter terechtzitting als getuige-deskundige [PI medewerker] , werkzaam als plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de [plaats PI] , gehoord.

2 De procesgang

Bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam van 21 februari 2013, met parketnummer 23/000552-12, is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

De detentie van veroordeelde is begonnen op 3 september 2010. Op grond van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) komt veroordeelde op 29 december 2017 in aanmerking voor v.i.

De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank bepaalt dat de v.i. van veroordeelde wordt uitgesteld voor de duur van 720 dagen, omdat veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf ernstig heeft misdragen (artikel 15d, eerste lid, onder b, Sr).

3 De aanleiding voor de vordering uitstel v.i.

In het dossier bevindt zich een formulier melding bijzonder voorval van 16 december 2016 van de getuige-deskundige, waarin staat beschreven dat op 15 december 2016 een incident heeft plaatsgevonden in de [plaats PI] . Na het middaguur zag toezichthoudend personeel dat veroordeelde zich samen met twee medegedetineerden naar een naastgelegen afdeling begaf en op een vierde gedetineerde (het latere slachtoffer) afstapte. Toen het personeel ter plaatste snelde, zag het dat veroordeelde samen met een medegedetineerde het slachtoffer vasthield, schopte en sloeg, terwijl de derde gedetineerde met een zelfgemaakt steekwapen wild op het slachtoffer instak. Het personeel heeft de gedetineerden daarna uit elkaar gehaald. Ondanks het geweld dat tegen het slachtoffer was gebruikt, bleken zijn verwondingen mee te vallen. Naar aanleiding van het incident is aangifte gedaan en een verzoek ingediend om de betrokken gedetineerden uit elkaar te plaatsen. De kans bestaat namelijk dat het incident om tegenacties vraagt of zich zal voortzetten als de gedetineerden elkaar opnieuw treffen. Ook is veroordeelde disciplinair gestraft met veertien dagen strafcel.

Veroordeelde heeft op 24 januari 2017 tegenover de politie ontkend als mededader bij de vechtpartij betrokken te zijn geweest. Nadat veroordeelde samen met zijn medegedetineerden van de afdeling was gelaten om te luchten, ontstond op de luchtplaats een vechtpartij tussen twee gedetineerden van verschillende afdelingen. Veroordeelde heeft geprobeerd om deze vechtpartij te stoppen. Hij is tussen beiden gekomen en heeft daarbij aan de gedetineerden getrokken.

4 De beoordeling van de vordering tot uitstel v.i.

4.1.

De verklaringen van veroordeelde en de getuige-deskundige

Veroordeelde heeft ter terechtzitting zijn verklaring bij de politie herhaald. Veroordeelde heeft ontkend dat sprake was van een vooropgezet plan om het slachtoffer samen met de anderen op te wachten en in elkaar te slaan. Hij was hier in ieder geval niet van op de hoogte. Vanwege een straf had veroordeelde de dagen voor de vechtpartij op zijn kamer doorgebracht en geen contact met medegedetineerden gehad. Veroordeelde heeft alleen ingegrepen toen de vechtpartij ontstond en daarbij aan zijn medegedetineerden getrokken om hen uit elkaar te halen.

De getuige-deskundige heeft ter terechtzitting toegelicht dat zij aan de hand van verklaringen van het personeel een kort verslag heeft gemaakt, dat zij middels het formulier melding bijzonder voorval bij de Dienst Justitiële Inrichtingen heeft ingediend. Zelf was de getuige-deskundige niet bij het incident aanwezig. De getuige-deskundige heeft ook verklaard dat het een standaardprocedure is om bij geweldsincidenten aangifte te doen bij de politie en het Openbaar Ministerie hierover te informeren. Dit heeft geresulteerd in de vordering tot uitstel van de v.i.

4.2.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft de vordering tot uitstel van de v.i. van 720 dagen gehandhaafd.

De raadsvrouw heeft bepleit dat onvoldoende is onderbouwd dat ernstige bezwaren bestaan dat veroordeelde zich aan een misdrijf heeft schuldig gemaakt. De raadsvrouw heeft daarom primair verzocht de vordering tot uitstel af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering toe te wijzen voor een aanzienlijk kortere periode.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Volgens de regeling van de v.i. geldt als uitgangspunt dat een veroordeelde, als is voldaan aan het bepaalde in artikel 15 Sr, vervroegd in vrijheid wordt gesteld na het ondergaan van het in dit artikel omschreven deel van de gevangenisstraf. Op grond van het bepaalde in artikel 15d, eerste lid, Sr kan de v.i. echter worden uitgesteld of achterwege blijven, als één of meer van de in dat artikel limitatief opgesomde omstandigheden zich voordoen. Deze beslissing wordt genomen door de rechtbank, op vordering van de officier van justitie.

De vordering tot uitstel van de v.i. in deze zaak is gegrond op de omstandigheid dat veroordeelde zich tijdens de detentie ernstig zou hebben misdragen, welke misdraging eruit zou blijken dat tegen hem ernstige bezwaren ter zake van een misdrijf bestaan. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is.

Op grond van het bepaalde in artikel 15d, eerste lid, onder b, Sr kan een v.i. worden uitgesteld wanneer ernstige bezwaren bestaan ter zake van een misdrijf. Dit houdt in dat een gewone verdenking van een misdrijf onvoldoende is. Om aan de grond voor v.i. te voldoen moet het op basis van de stukken waarschijnlijk zijn dat de veroordeelde het betreffende misdrijf heeft begaan. Hoewel uit het zeer summiere dossier naar voren is gekomen dat veroordeelde op 15 december 2016 betrokken is geweest bij een incident in de Penitentiaire Inrichting [plaats PI] , ontbreken in het dossier tenminste essentiële verklaringen van betrokken personeelsleden. De inhoud van het dossier is onvoldoende om op basis daarvan ernstige bezwaren ten aanzien van veroordeelde aan te nemen dat veroordeelde het misdrijf, de mishandeling van de medegedetineerde, heeft begaan. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om de v.i. uit te stellen.

De rechtbank zal de vordering tot uitstel van de v.i. dan ook afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Wijst af de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Deze beslissing is genomen door

mr. A. Eichperger, voorzitter,

mrs. G.M. van Dijk en T.T. Hylkema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 maart 2017.