Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1830

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
13/728132-16 (A) en 13/731002-17 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een jonge man voor de tweede maal voor uitbuiting in de prostitutie van zijn vriendin. Hem wordt een gevangenisstraf van 5 jaar opgelegd en hij moet een flink bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0294
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/728132-16 (A) en 13/731002-17 (B)

Datum uitspraak: 23 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] ,

[woonplaats] ,

gedetineerd in PI [PI] , het Huis van Bewaring “ [locatie] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2017.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. C.J. Cnossen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J. van Essen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Korte samenvatting

In zaak A onder 1 is verdachte ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan – kort gezegd – uitbuiting van [slachtoffer] in de prostitutie in de periode van 1 juni 2012 tot en met

16 juni 2016. Daarbij is verdachte als feitelijke gedraging onder meer verweten dat hij [slachtoffer] heeft mishandeld, welke mishandelingen (gedeeltelijk) ook onder 3 in zaak A als mishandeling zijn ten laste gelegd. Onder 2 in zaak A is verdachte ten laste gelegd dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd . Deze bedreigingen zijn niet als feitelijke gedraging vermeld bij de onder 1 ten laste gelegde uitbuiting.

In zaak B is verdachte ten laste gelegd – kort gezegd – dat hij in de periode van

1 juni 2012 tot en met 16 juni 2016 een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van de prostitutieverdiensten van [slachtoffer] .

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

2.2

Verbetering kennelijke misslag

In zaak A is bij de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel onder meer vermeld dat aan verdachte wordt ten laste gelegd dat hij:

(sub 1)

door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, en/of

(sub 2)

heeft geworven, vervoerd, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en)

De raadsvrouw heeft aanvankelijk gesteld dat voormeld onderdeel van de tenlastelegging nietig is. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat bij mensenhandel ‘sub 1’, zoals bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr), de strafbare gedragingen ontbreken. Verder is volgens de raadsvrouw onbegrijpelijk dat mensenhandel ‘sub 2’, zoals bedoeld in artikel 273f Sr, in de tenlastelegging is vermeld. Dit ziet namelijk op minderjarigen, terwijl het vermeende slachtoffer meerderjarig was in de ten laste gelegde periode, aldus de raadsvrouw.

De officier van justitie heeft in reactie op het verweer van de raadsvrouw naar voren gebracht dat ‘(sub 2)’ en de daaraan voorafgaande woorden ‘en/of’ abusievelijk in de tenlastelegging zijn vermeld. De na ‘(sub 2)’ vermelde gedragingen horen bij de ten laste gelegde mensenhandel ‘sub 1’, aldus de officier van justitie.

De raadsvrouw heeft vervolgens opgemerkt dat, als de rechtbank voormelde passage van de tenlastelegging zo leest als door de officier van justitie toegelicht, het nietigheidsverweer vervalt.

De rechtbank leest voormelde passage in de tenlastelegging in overeenstemming met wat de officier van justitie heeft opgemerkt dat dit in zijn geheel ziet op mensenhandel als strafbaar gesteld in artikel 273f Sr ‘sub 1’. Het vermelden in de tenlastelegging van ‘(sub 2)’ en de daar direct aan voorafgaande woorden ‘en/of’ zijn een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank begrijpt de dagvaarding verder als volgt dat voorafgaande aan de woorden “die [slachtoffer] met gebruikmaking van eerder genoemde middelen heeft bewogen” moet worden gelezen ‘(sub 9)’.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 7 februari 2017 de dagvaarding in zaak A nietig verklaard ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel met betrekking tot de zinsneden ‘één of meer andere vrouwen’. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit een onvoldoende duidelijke opgave van de tegen verdachte bestaande verdenking van mensenhandel is.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding in zaak B nietig moet worden verklaard voor zover gewoontewitwassen van de verdiensten uit de door ‘één of meer andere vrouw(en)’ verrichte prostitutiewerkzaamheden is ten laste gelegd. Dit is eveneens een onvoldoende duidelijke opgave van de tegen verdachte bestaande verdenking van gewoontewitwassen.

De dagvaardingen zijn voor het overige geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de in zaak A en B ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in zaak A onder 3 ten laste gelegde mishandelingen, zij het niet in de door aangeefster gestelde mate, en vrijspraak bepleit ten aanzien van de andere in zaken A en B ten laste gelegde feiten.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Gedeeltelijke vrijspraak

De rechtbank acht, met de verdediging en anders dan de officier van justitie, de in zaak A onder 2 ten laste gelegde bedreigingen niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De door aangeefster in dit verband afgelegde verklaringen vinden geen verdere steun in het dossier en zijn bovendien weinig concreet wat betreft de door verdachte geuite bedreigingen. Gelet hierop bevat het dossier onvoldoende bewijs voor de onder 2 ten laste gelegde bedreigingen.

4.3.2

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde,

in de periode van 1 juni 2012 tot en met 16 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

[slachtoffer]

(sub 1)

door dwang en geweld en feitelijkheden en door dreiging met geweld en dreiging met feitelijkheden en door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht,

heeft vervoerd en gehuisvest,

met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer]

en

(sub 4)

voornoemde [slachtoffer] met de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) en

(sub 6)

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer]

en

(sub 9)

die [slachtoffer] met gebruikmaking van eerder genoemde middelen heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer] met of voor een derde,

immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer] onder druk gezet om in de prostitutie te blijven werken en

- een (seksuele) relatie met die [slachtoffer] in stand gehouden en

- die [slachtoffer] weggebracht naar haar prostitutiewerkzaamheden en opgehaald na afloop van haar prostitutiewerkzaamheden en

- die [slachtoffer] onderdak geboden in de woning van zijn moeder en

- die [slachtoffer] er toe aangezet door haar verdiende geldbedragen te storten op zijn (gevangenis) rekening,

- verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden afgenomen van die [slachtoffer] en

- die [slachtoffer] meermalen mishandeld, waardoor zij letsel heeft opgelopen waarvoor zij in het ziekenhuis is behandeld, als zij niet voldoende geld had verdiend met de prostitutiewerkzaamheden en

- die [slachtoffer] gecontroleerd door de inhoud van haar telefoon te controleren,

- die [slachtoffer] onder druk gezet meer geld te verdienen met haar prostitutiewerkzaamheden door onder andere de kleding van die [slachtoffer] kapot te maken en af te pakken en uit de auto te gooien, en

- die [slachtoffer] geregeld van telefoonnummer laten wisselen, en

- die [slachtoffer] (nadat hij haar had mishandeld) voorgehouden dat hij van haar houdt en dat zij bij elkaar horen en dat hij zal veranderen,

- die [slachtoffer] gedreigd de relatie te verbreken en een ander meisje te zoeken wanneer zij niet genoeg verdiende,

- die [slachtoffer] zeven dagen per week laten werken en die [slachtoffer] naar een andere kamerverhuurder laten gaan om extra prostitutiewerkzaamheden te verrichten.

ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde,

in de periode van 1 december 2013 tot en met 12 juni 2016 in Nederland opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen waardoor die [slachtoffer] letsel, waaronder zwellingen op het hoofd en een gebroken neus en bloedingen aan de oorschelp en rode plekken en blauwe plekken, heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde,

in de periode van 1 juni 2012 tot en met 12 juni 2016 in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, in bovengenoemde periode bij wijze van gewoonte contante geldbedragen, te weten een groot deel van de verdiensten uit de door [slachtoffer] verrichte prostitutiewerkzaamheden, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet en daarvan gebruikt gemaakt terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

Redengevende feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Het bewijsmiddelenoverzicht is als bijlage bij dit vonnis gevoegd.

Toetsingskader bewijsminimum bij de ten laste gelegde mensenhandel

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het wettelijke bewijsminimum niet in de weg staat aan bewezenverklaring van de ten laste gelegde mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer] . Bij het bewijzen van de feitelijke gedragingen is van belang dat het bewijsminimum geldt voor de gehele tenlastelegging, niet voor elk onderdeel ervan. Verder laat de vraag of aan het bewijsminimum is voldaan zich niet in algemene zin beantwoorden. Daarvoor is een beoordeling van het concrete geval nodig (zie onder meer ECLI:NL:HR:2012:BQ6144). Toepassing van voormeld criterium betekent in deze zaak dat in sommige gevallen op grond van één bewijsmiddel een in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedraging wordt bewezen, indien dat bewijsmiddel niet op zichzelf staat.

Verder is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dwangmiddel als bedoeld in artikel 273f Sr gekeken naar de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen in onderlinge samenhang. Dat sprake is van een dwangmiddel is dus niet uitsluitend rechtstreeks afgeleid uit individuele in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedragingen.

De eerdere veroordeling van verdachte voor uitbuiting van [slachtoffer]

Net als voor de officier van justitie is het vonnis van deze rechtbank van 11 januari 2013 inzake 13/708041-12 voor de rechtbank een belangrijk vertrekpunt bij de bewijswaardering in deze zaak. De zaken hangen inhoudelijk nauw met elkaar samen.

Verdachte is bij voornoemd vonnis (onherroepelijk) veroordeeld voor mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer] (uitbuiting in de prostitutie) en – met eendaadse samenloop – bedreiging en mishandeling met [slachtoffer] als slachtoffer gedurende de periode van 1 februari 2012 tot en met 17 april 2012.

Uit de bewezenverklaring in het vonnis volgt dat verdachte in voormelde periode [slachtoffer] onder meer heeft aangezet om in de prostitutie te gaan werken en blijven werken, haar haar verdiensten aan hem heeft laten afstaan, haar heeft mishandeld wanneer zij niet genoeg verdiende en haar controleerde bij haar prostitutiewerkzaamheden.

De rechtbank ziet in de betwisting van het vonnis door verdachte geen aanleiding het vonnis en het daarbij bewezen verklaarde feitencomplex niet bij de bewijswaardering in deze zaak te betrekken.

De beschuldiging in deze zaak ziet uiteraard op een andere periode. Gelet hierop zullen nieuwe feiten en omstandigheden die zien op de periode in de onderhavige zaak de grondslag moeten vormen voor de bewezenverklaring. De rechtbank weegt het vonnis in die zin mee dat de nieuwe feiten en omstandigheden worden bezien in het licht van dit vonnis en het daarbij bewezen verklaarde feitencomplex. De rechtbank zal dat hierna concreet toepassen.

Niet betwiste feiten en omstandigheden

De volgende feiten en omstandigheden blijken uit het dossier en worden niet betwist.

Verdachte en [slachtoffer] hebben in 2011 een relatie gekregen. Op enig moment in 2012 is [slachtoffer] als prostituee gaan werken.

Verdachte heeft van 20 april 2012 tot 29 augustus 2013 in detentie verbleven in verband met de eerdere strafzaak die heeft geleid tot voormeld vonnis.

Tijdens de detentie van verdachte in die zaak hebben [slachtoffer] en verdachte contact met elkaar onderhouden. [slachtoffer] bezocht verdachte in de gevangenis en zij maakte van juni 2012 tot en met augustus 2013 geld over naar de detentierekening van verdachte.

Na zijn invrijheidstelling heeft verdachte enkele maanden onder elektronisch toezicht gestaan. Verdachte en [slachtoffer] verbleven op dat moment bij elkaar.

[slachtoffer] is kort na aanvang van de detentie van verdachte weer als prostituee gaan werken nadat zij daarmee enige tijd was gestopt. Zij is vervolgens gedurende de periode in de tenlastelegging als prostituee blijven werken. Verdachte heeft [slachtoffer] nadat hij niet langer onder elektronisch toezicht stond, met de auto naar haar prostitutiewerk gebracht en opgehaald.

De verdiensten uit het prostitutiewerk van [slachtoffer] kwamen mede ten goede aan verdachte.

[slachtoffer] wisselde regelmatig van simkaart. Verdachte haalde de simkaarten bij belwinkels in De Bilt.

Verdachte en [slachtoffer] hebben in de betreffende periode samengewoond in een woning in De Bilt, die op naam staat van de moeder van verdachte.

Verdachte en [slachtoffer] hebben gedurende de periode van belang over veel contant geld beschikt en contant geld uitgegeven.

Verdachte heeft [slachtoffer] in de periode van belang meerdere malen mishandeld.

Op 12 juni 2016 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan tegen verdachte.

Verdachte is op 28 juni 2016 aangehouden en verblijft sindsdien in detentie.

Lezing aangeefster versus lezing verdachte

Volgens [slachtoffer] heeft verdachte haar uitgebuit. Kort samengevat heeft zij verklaard dat zij onder zijn controle en dwang, waaronder geweld, prostitutiewerkzaamheden moest verrichten, haar geld aan hem moest afstaan en dat hij bepaalde wat er met het geld gebeurde.

Verdachte erkent dat [slachtoffer] prostitutiewerk verrichtte en dat hij daarbij een rol had door haar naar haar werk te brengen en op te halen. Verder erkent hij dat hij, zij het met moeite omdat hij bezwaar had tegen haar prostitutiewerk, profiteerde van haar inkomsten. Hij ontkent echter ten stelligste dat hij haar heeft uitgebuit. Volgens verdachte was, kort samengevat, sprake van een relatie waarin zowel hij (door de handel in wiet) als [slachtoffer] (door haar prostitutiewerk) geld verdiende, welk geld in een gezamenlijke pot terecht kwam en gezamenlijk werd besteed. Verdachte heeft toegegeven dat hij [slachtoffer] heeft mishandeld, maar volgens hem was dat niet omdat [slachtoffer] niet voldoende zou verdienen.

De rechtbank acht, met de officier van justitie, de lezing van aangeefster geloofwaardig en die van verdachte niet. Daartoe is in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft na zijn aanhouding tijdens zijn verhoor op 29 juni 2016 geen vragen willen beantwoorden en zich oproepen op zijn zwijgrecht. Eerst ter zitting van 12 september 2016 heeft verdachte een verklaring afgelegd over de hem verweten gedragingen. Die verklaring heeft hij 20 oktober 2016 tegenover de politie aangevuld. Verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 22 november 2016 geen vragen van de politie willen beantwoorden. Ter terechtzitting van 9 maart 2017 heeft verdachte antwoord gegeven op de vragen van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat deze proceshouding van verdachte afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen, aangezien verdachte zijn verklaringen heeft kunnen afstemmen op de inhoud van het dossier.

De rechtbank weegt verder mee dat de verklaringen van [slachtoffer] passen bij het beeld van verdachte dat naar voren komt uit het hiervoor besproken vonnis, waarbij verdachte is veroordeeld voor uitbuiting van [slachtoffer] en mishandeling van haar in een periode kort voorafgaand aan de periode in de tenlastelegging in deze zaak.

Ook het beeld dat de moeder, stiefvader en het broertje van [slachtoffer] schetsen past bij de verklaringen van [slachtoffer] over verdachte. Zij bevestigen dat verdachte in relatie tot [slachtoffer] dominant was en haar vrijwel constant controleerde. Verder volgt uit de verklaringen van voormelde getuigen dat verdachte altijd over veel contant geld beschikte en dat ook duidelijk liet blijken. Dit past bij de verklaring van [slachtoffer] dat zij haar verdiensten aan verdachte moest afstaan en dat hij bepaalde wat er met het geld gebeurde.

De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat verdachte zelf geld verdiende met werkzaamheden met betrekking tot wiet. Hij heeft hierover in eerste instantie niet verklaard. Verder heeft hij geen concrete en verifieerbare verklaringen op dit punt afgelegd, terwijl hem daar wel specifiek om gevraagd is. Het enkele feit dat verdachte auto’s huurde en van simkaart wisselde maakt niet aannemelijk dat verdachte inkomsten genoot uit werkzaamheden met betrekking tot wiet.

De rechtbank acht daarbij van belang dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij van verdachte vaak van telefoon moest wisselen en telkens nieuwe simkaarten moest gebruiken om te voorkomen dat de politie de communicatie zou kunnen onderscheppen. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk nu het bewijs dat heeft geleid tot voormeld vonnis onder meer werd gevormd door sms-berichten waarin verdachte [slachtoffer] onder bedreiging met geweld aanspoorde meer geld te verdienen met haar prostitutiewerk. Deze handelwijze van verdachte duidt erop dat hij zijn uitbuitingspraktijken heeft voortgezet en de nodige maatregelen heeft getroffen om niet ontdekt te worden. In dit licht is bovendien de verklaring van verdachte dat hij moeite had met het prostitutiewerk van zijn partner [slachtoffer] en het door haar verdiende geld met moeite accepteerde, ongeloofwaardig.

Situatie van [slachtoffer] niet die van een ‘mondige prostituee’

De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen aangeefster heeft verklaard en de overige bewijsmiddelen volgt dat zij verkeerde in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Uit haar verklaring blijkt dat tegen haar verschillende dwangmiddelen zijn toegepast door verdachte, waaronder fors fysiek geweld. De rechtbank gaat er daarom – onder verwijzing naar de bewezenverklaarde omstandigheden – van uit dat de vrijheid van [slachtoffer] om al dan niet voor de prostitutie te kiezen en om te bepalen hoeveel en hoe vaak zij werkte in grote mate was beperkt.

Gewoontewitwassen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer] onder dwang van verdachte een groot deel van haar prostitutieverdiensten – contante geldbedragen – aan hem heeft afgestaan. Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte dat geld heeft overgedragen, omgezet en gebruikt. Zo kocht verdachte dure kleding, een auto en werd het geld besteed aan vakanties. Ook maakte verdachte geld over aan zijn vader. Hij heeft ook auto’s gehuurd en verkeersboetes betaald met het geld.

Het geld was afkomstig uit eigen misdrijf, namelijk de bewezen verklaarde mensenhandel. Nu het geld is overgedragen, omgezet en gebruikt, zoals hiervoor weergegeven, is daarmee reeds de criminele herkomst van het geld verhuld.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregel

8.1

Strafeis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft de ernst van het delict mensenhandel benadrukt en daarbij gewezen op de schade die is toegebracht aan de lichamelijke en geestelijke integriteit van slachtoffer [slachtoffer] . Verder heeft zij meegewogen dat verdachte voor de tweede keer schuldig is aan uitbuiting van hetzelfde slachtoffer.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in het kader van de strafmaat/persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht dat verdachte voordat hij in contact kwam met [slachtoffer] geen relevante veroordelingen had. Verder heeft zij gewezen op de jonge leeftijd van verdachte. Ook heeft zij het reclasseringsrapport aangehaald, waarin volgens de raadsvrouw een positief beeld van verdachte wordt geschetst en heeft zij verwezen naar het daarin opgenomen strafadvies, te weten een gedeeltelijk voorwaardelijke straf met voorwaarden, waaronder een agressieregulatie training. De raadsvrouw, die enkel de ten laste gelegde mishandeling bewezen acht, heeft verder enkele uitspraken overgelegd die zien op strafoplegging voor mishandeling.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gedurende een periode van meerdere jaren geprofiteerd van het uitbuiten van zijn vriendin [slachtoffer] . Hij is daarbij fors geweld niet uit de weg gegaan. Meerdere malen heeft [slachtoffer] zich door doktoren moeten laten behandelen, waarbij dan een oorzaak van het letsel verzonnen moest worden om de werkelijke oorzaak te verhullen.
De rechtbank wil wel aannemen dat verdachte en [slachtoffer] ook daadwerkelijk een relatie hebben gehad, waarbij verdachte mogelijk ook oprecht om [slachtoffer] heeft gegeven. Ook wil de rechtbank aannemen dat [slachtoffer] zelf ook dure spullen heeft kunnen hebben door haar verdiensten. In zoverre verschilt deze zaak wellicht in zekere mate van andere ‘loverboy’ zaken. Een en ander doet echter niet af aan het feit dat verdachte [slachtoffer] langdurig heeft uitgebuit met het kennelijke doel zoveel mogelijk geld te hebben zodat allerhande luxe uitgaven en het leven van verdachte konden worden bekostigd, terwijl verdachte zelf geen enkele (te respecteren) inspanningen hiervoor verrichte.

Door te zeggen dat hij van haar hield en dat hij zou veranderen, is het verdachte gelukt om [slachtoffer] aan zich te binden, en vervolgens mede door mishandelingen heeft hij haar gedwongen door te gaan met geld verdienen in de prostitutie. De indruk die verdachte heeft gemaakt op de rechtbank is dat hij op verschillende manieren manipulatief is geweest naar [slachtoffer] , die dat lange tijd kennelijk onvoldoende doorzag of die daar onvoldoende weerstand tegen kon bieden.

De ervaring leert dat slachtoffers van uitbuiting nog gedurende langere tijd psychische en emotionele schade hiervan ondervinden. Ook bij [slachtoffer] is hiervan sprake zoals is gebleken uit haar vordering benadeelde partij.

Gelet op de ernst van het feit en het gegeven dat deze vorm van mensenhandel nog steeds vaak voorkomt moet in beginsel alleen al uit oogpunt van generale preventie een forse straf volgen. De omstandigheid dat verdachte in januari 2013 ook is veroordeeld voor uitbuiting van [slachtoffer] en nog tijdens zijn detentie voor die zaak weer de fout in is gegaan, maakt dat ook uit oogpunt van speciale preventie een forse gevangenisstraf passend is.

In hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen en in straffen die in andere zaken zijn opgelegd, ziet zij aanleiding om bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

9 Beslag

Op de beslaglijst zijn in totaal 15 voorwerpen vermeld, die in beslag zijn genomen in/bij de woning van verdachte. Ten aanzien van de kledingstukken – de onder 3A, 3B, 3C, 3, 5, 8, 9, 10 en 11 vermelde voorwerpen – is voor de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden wie de rechthebbende is. De rechtbank zal dan ook bepalen dat die voorwerpen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

De in beslag genomen auto (voorwerp 1), autopapieren (voorwerp 4), de telefoons (voorwerpen 2 en 6), simkaart (voorwerp 7) en geld (voorwerp 12) zal de rechtbank in overeenstemming met de vordering van de officier van justitie verbeurd verklaren, aangezien met behulp daarvan het in zaak A onder 1 bewezen geachte is begaan dan wel die voorwerpen

geheel of grotendeels uit de baten van het in zaak A onder 1 bewezen geachte zijn verkregen.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

10.1

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 372.134,49 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gestelde materiële schade betreft:

  • -

    € 363.500, - voor afgedragen inkomsten uit prostitutie;

  • -

    € 7.812,49 voor medische kosten;

  • -

    € 822,- voor kosten in verband met het voeren van een kort geding om een hond terug te krijgen.

De benadeelde partij vordert verder € 25.000, - aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

10.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schadevergoeding geheel toewijsbaar is.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding moet volgens de officier van justitie het bedrag met 50 % worden gematigd, omdat de verdiensten van [slachtoffer] ook aan haar zelf ten goede zijn gekomen.

10.3

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet kan worden behandeld. Volgens de raadsvrouw is de vordering te complex wat betreft de gestelde schade in verband met afgedragen verdiensten, althans is op dit punt nader onderzoek nodig in de vorm van het horen van getuigen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de gestelde materiële schade, wat betreft de afgedragen verdiensten, en de gestelde immateriële schade onvoldoende zijn onderbouwd.

Ten aanzien van de gestelde schade in verband met medische kosten betwist de raadsvrouw dat de kosten van de volledige neuscorrectie aan verdachte kunnen worden toegerekend. Een deel van de correctie was volgens verdachte cosmetisch en een deel was het gevolg van de mishandeling door verdachte. Op dit punt moet nader onderzoek worden gedaan, zo stelt de raadsvrouw.

De raadsvrouw betwist verder dat verdachte de kosten van het kort geding over de hond moet vergoeden. De civiele rechter heeft geoordeeld dat de proceskosten voor rekening van aangeefster komen en dan is het niet aan de strafrechter anders te oordelen, aldus de raadsvrouw.

10.4

Oordeel van de rechtbank

Geen onevenredige belasting van het strafgeding

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de vordering - in ieder geval voor een deel - geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering is toegelicht en onderbouwd en het dossier biedt voldoende grondslag voor de beoordeling van in ieder geval een deel van de vordering.

Voor zover het standpunt van de raadsvrouw zo moet worden begrepen dat zij mede heeft verzocht om aanhouding wordt dit verzoek afgewezen.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de gestelde immateriële schade voldoende is onderbouwd en tot het bedrag van € 25.000,- dient te worden toegewezen.

Materiële schade; medische kosten

Verder dient de vordering ten aanzien van de gestelde medische kosten te worden toegewezen, tot een bedrag van € 7.812,49. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende gemotiveerd betwist is dat deze kosten verband houden met de mishandelingen door verdachte, zodat deze kosten worden toegewezen.

Materiële schade; kosten kort geding in verband met hond

Deze kosten worden afgewezen nu niet gemotiveerd is onderbouwd dat deze kosten voor [slachtoffer] schade opleveren als gevolg van de bewezenverklaarde feiten.

Materiële schade; afgedragen verdiensten

Wat betreft de gevorderde schadevergoeding in verband met afgedragen verdiensten komt de rechtbank tot het volgende oordeel.

Bij het bepalen van het aantal door [slachtoffer] gewerkte dagen gaat de rechtbank uit van de kamerverhuurgegevens in het dossier (Z1 06 013 en Z1 06 014). Er zijn geen aanknopingspunten op grond waarvan betwijfeld moet worden dat die gegevens afwijken van het aantal door [slachtoffer] gewerkte dagen.

Het bedrag aan prostitutieverdiensten dat door [slachtoffer] is afgestaan, schat de rechtbank op basis van het dossier op een minimaal bedrag van € 300,- per werkdag. De rechtbank acht op basis van het dossier aannemelijk dat van het afgestane bedrag de helft ten goede van [slachtoffer] is gekomen. De schade door het afstaan van prostitutieverdiensten schat de rechtbank dus op

€ 150,- per werkdag.

Ten aanzien van de periode waarin verdachte in detentie verbleef, gaat de rechtbank uit van de door [slachtoffer] op de detentierekening van verdachte gestorte bedragen, zoals die zijn vastgelegd in het dossier. Dit betreft een totaalbedrag van € 3.646,01 (Z1 10 020).

Het voorgaande leidt tot de volgende optelsom ten aanzien van de afgedragen inkomsten:

788 dagen x € 150, - = € 118.200, - + € 3.646,01 = € 121.848,01.

De rechtbank zal de vordering voor het overige met betrekking tot de gestelde schade voor afgedragen verdiensten niet-ontvankelijk verklaren omdat dit onvoldoende is onderbouwd en daarom een onevenredige belasting van dit strafgeding oplevert.

Slotsom

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van:

€ 25.000, - (immateriële schade) + € 7.812,49 (medische kosten) + € 121.848,01(afgedragen verdiensten) = € 154.658,50, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal als extra waarborg voor de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel opleggen ten bedrage van € 154.658,50, te vermeerderen met de wettelijke rente.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 55, 57, 273f, 300 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde nietig voor zover dat ziet op mensenhandel ten aanzien van één of meer andere vrouw(en).

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde nietig voor zover dat ziet op gewoontewitwassen van de verdiensten uit de door één of meer andere vrouw(en) verrichte prostitutiewerkzaamheden.

Verklaart het in zaak A onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3.2 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 3 ten laste gelegde:

mensenhandel

en

eendaadse samenloop van mensenhandel en mishandeling, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde:

gewoontewitwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd: de in beslag genomen auto (voorwerp 11), autopapieren (voorwerp 4), de telefoons (voorwerpen 2 en 6), simkaart (voorwerp 7) en geld (voorwerp 12)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: de kledingstukken, te weten voorwerpen 3A, 3B, 3C, 3, 5, 8, 9, 10 en 11.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 154.658,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, welke moment de rechtbank bepaalt op 12 juni 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering af ten aanzien van het gestelde schadebedrag van € 822, - voor kosten in verband met het voeren van een kort geding om het hondje terug te krijgen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] , te betalen de som van € 154.658,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, welke moment de rechtbank bepaalt op 12 juni 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.E. Mildner, voorzitter,

mrs. A.B.M. Wijnveldt en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2017.

1 De beslaglijst is als bijlage aan dit vonnis gehecht.