Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:183

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
C/13/620044 / KG ZA 16-1455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet is aannemelijk geworden dat partijen een overeenkomst voor 2017 hebben gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/620044 / KG ZA 16-1455 CB/EH

Vonnis in kort geding van 12 januari 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [plaats] ,

eiseres bij dagvaarding van 13 december 2016,

advocaat mr. J.P. Barth te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING NDSM-WERF,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. T.M. Koedooder te Amsterdam.

Partijen worden hierna [eiseres] en de werf genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 22 december 2016 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De werf heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen.

Beide partijen hebben producties en de werf heeft een conclusie van antwoord in het geding gebracht. [eiseres] heeft tevens een pleitnota in het geding gebracht.
Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van [eiseres] : [naam 1] [eiseres] , en zijn partner [naam 2] , tevens medewerkster van [eiseres] , met mr. Barth voornoemd en mr. M.L. Diepenhorst.

Aan de zijde van de werf: [naam 3] , [naam 4] , en [naam 5] , met mr. T.M. Koedooder voornoemd.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een organisator van dance evenementen. In 2014, 2015 en 2016 heeft [eiseres] tijdens het jaarlijks in oktober in Amsterdam gehouden Amsterdam Dance Event (hierna het ADE) op het terrein op de voormalige scheepswerf van de NDSM in Amsterdam-Noord (hierna het terrein) het Dockyard Festival georganiseerd. Het terrein is eigendom van de gemeente Amsterdam. De werf is de beheerder en verhuurder van het terrein.

2.2.

Partijen hebben op 11 augustus 2014, 19 maart 2015 en 21 maart 2016 afzonderlijke huurovereenkomsten gesloten voor de verhuur van het terrein aan [eiseres] voor één dag gedurende het ADE in oktober van dat jaar. Deze overeenkomsten luiden alle drie, voor zover hier van belang, als volgt:

“Huurovereenkomst tijdelijke verhuur NDSM-werf (…)”

De op 21 maart 2016 gesloten overeenkomst luidt, voor zover hier van belang:

“2.3 Deze huurovereenkomst heeft slechts betrekking op de onder 2.1 genoemde huurperiode. Huurder kan hieraan geen rechten ontlenen voor de toekomst. (…)”

2.3.

Bij e-mail van 12 oktober 2014 heeft [naam 2] , medewerkster van [eiseres] (hierna [naam 2] ), aan de werf geschreven, voor zover hier van belang:

“Ik heb met [naam 4] (vrz: [naam 4] , werfregisseur) eerder hier overlegd. Ik sta als eerste optie in bij de NDSM Werf voor ADE 2015, 2016, en 2017, met een vergunning tot en met 10.000 bezoekers.

Ik wilde nu (omdat Dockyard een grote succes gaat worden) een contract afsluiten voor de volgende termijnen.

(…)”

2.4.

Op 30 oktober 2014 heeft een evaluatie plaatsgevonden van het eerder die maand gehouden Dockyard Festival. Het door [eiseres] opgestelde schriftelijke verslag daarvan luidt, voor zover hier van belang:

2015 wens grote vergunning

(…) NDSM neemt 2 weken na het overleg het besluit welke festivals een locatieovereenkomst voor een groot festival kunnen krijgen en welke één voor een klein festival. Enerzijds wijst NDSM [eiseres] erop serieus te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn binnen een kleine vergunning, (…). Anderzijds onderkent NDSM dat een dancefestival een bepaald geluidsvolume nodig heeft wat aansluit bij een grote vergunning en met een kleine vergunning problematisch wordt. (…)

Desgevraagd geeft NDSM aan dat de keuze voor de kandidaten voor de grote vergunningen op de volgende zaken wordt gebaseerd: (…)

[eiseres] geeft aan ‘huiswerk’ te zullen doen en voor het besluit van NDSM over 2 weken aan te geven of zij met een kleine vergunning uit de voeten zou kunnen en als dat niet het geval is hoe zij invulling zou geven aan de hiervoor genoemde punten. (…)”

2.5.

Bij e-mail van 18 december 2014 heeft [naam 4] (hierna [naam 4] ), aan [naam 2] geschreven, voor zover hier van belang:

“Bedankt voor het fijne gesprek en even de afspraken op een rij:

(…)

4. Wij komen met een financieel voorstel voor max 10000 bezoekers voor 2015 en kijken naar 2016 en verder met groei tot max 15.000 per dag en eventueel 2 dagen. (…)”

2.6.

Per e-mail van 23 december 2014 heeft [naam 2] aan [naam 4] geschreven, voor zover hier van belang:

“(…)

2. Zodra we een overeenkomst hebben voor de huur van het terrein willen we graag een intentie overeenkomst tekenen voor meerdere jaren.

(…)”

2.7.

Per e-mail van 30 december 2014 heeft [naam 4] de e-mail van 23 december 2014 van [naam 2] beantwoord. De e-mail luidt, voor zover hier van belang:

“In het Rood mijn antwoorden.

(…)”

Bij punt 2 van de e-mail van [naam 2] is vermeld:

“Zal ik begin 2015 overleggen met [naam 6] en jou voorstel sturen.”

2.8.

Bij e-mail van 19 november 2015 heeft de werf aan [eiseres] geschreven, voor zover hier van belang:

“Zoals beloofd geef ik jullie vandaag uitsluitsel over het al dan niet opnemen van Dockyard Festival op zaterdag 15 oktober 2016.

Omdat er ook plannen liggen voor het bouwen van een ADE Green Campsite, is het even puzzelen geweest m.b.t. het vinden van een goeie formule hoe dit naast elkaar kan leven.

Uiteraard zijn wij in eerste instantie met jullie in gesprek gegaan hierover maar het werd al snel duidelijk dat het idee van verandering koud op jullie dak kwam vallen.

(…)

We kunnen inmiddels wel concluderen dat het niet ideaal is om twee evenementen met een totaal ander karakter naast elkaar te laten bestaan, maar de welwillendheid is er vanuit ons en betrokken partijen om e.e.a. passend te krijgen.

(…)

Wij hopen oprecht dat Dockyard zich in dit oplossingskader kan vinden.

(…)”

2.9.

Op 29 november 2016 heeft de werf aan [eiseres] meegedeeld dat zij [eiseres] niet de gelegenheid zou geven om tijdens het ADE van 2017 het terrein te huren.

2.10.

Een door [eiseres] in het geding gebrachte transscriptie van een op 29 november 2016 met de werf gehouden gesprek luidt, voor zover hier van belang:

“Aanwezig [naam 3] (NDSM), [naam 4] (NDSM), [naam 5] (NDSM) (…), [naam 1] ( [eiseres] ), [naam 2] ( [eiseres] )

(…)

[naam 5]

Dat is wat er op tafel ligt een specifieke plek op een specifiek moment dat niet meer verenigbaar is.

[naam 1]

Dat past niet bij afspraken die eerder gemaakt zijn, Er zijn afspraken gemaakt voor de lange termijn.

[naam 3]

Die heb ik nooit gezien

[naam 1]

Ik heb toevallig naar aanleiding van de dreigende rechtzaak heb ik goed in mijn mail zitten zoeken en daar heb ik ook gewoon een mail van [naam 4] en met daarin afspraken die zijn gemaakt met de directive en daarin staat we in 2015, 2016 en verder mogen groeien en mogelijk naar 2 dagen. Dat was de ambitie toen der tijd.

[naam 3]

We hebben altijd in de periode van [naam 7] gezegd we gaan intenties voor de lange termijn aan. Dat kunnen we niet want we weten niet wat de toekomst doet.

(…)”

Ter terechtzitting is namens de werf meegedeeld dat in de weergave van het als laatste weergegeven door [naam 4] gezegde tussen de woorden “gaan” en “intenties” het woord “geen” is weggevallen.

2.11.

Bij brief van 2 december 2016 heeft de raadsman van [eiseres] de werf gesommeerd te bevestigen dat de werf [eiseres] de gelegenheid zou geven om het Dockyard Festival in 2017 tijdens het ADE te organiseren op het terrein.

2.12.

Een schriftelijke verklaring van [naam 3] van 20 december 2016 luidt, voor zover hier van belang:

“Ik (…) verklaar (…) dat ik samen met mijn collega [naam 4] , op 3 november 2015 een gesprek heb gevoerd met [naam 2] en [naam 1] op ons kantoor (…)

Aan [naam 2] en [naam 1] heb ik (…) verteld dat ik tijdens het ADE Festival op de werf een ADE Green Campsite wilde realiseren, en dat hierdoor het specifieke timeslot niet meer verhuurbaar zou zijn voor tijdelijke verhuur aan derden. In dit licht heb ik aangegeven dat ik graag van [eiseres] zou willen vernemen of zij geïnteresseerd zouden zijn in een andere datum.

Ik heb in dit gesprek verduidelijkt dat 2016 zou gelden als transitie jaar voor de Stichting in opmaat naar onze artistieke koers 2017-2020. (…)

Het nieuws dat de locatie niet langer beschikbaar was voor de verhuring aan [eiseres] tijdens het ADE kwam voor [eiseres] duidelijk onverwacht. (…)”

2.13.

Een eveneens op 20 december 2016 gedateerde schriftelijke verklaring van [naam 4] luidt, voor zover hier van belang:

“Bij deze verklaar ik dat ik aanwezig was op 3 november 2015 bij een gesprek tussen st NDSM (samen met [naam 3] ) en [eiseres] ( [naam 1] en [naam 2] ).

Tijdens dit gesprek is door ons gemeld dat het Dockyards festival in 2017 geen doorgang meer kon vinden en we nog naar de mogelijkheden voor 2016 zouden kijken.

Tevens is gemeld dat st NDSM voor de toekomst (2018/2021) een “pitch” gaat organiseren en dat [eiseres] daarvoor uitgenodigd zou worden door st NDSM.

[naam 1] en [naam 2] gingen beiden huilen (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – samengevat:

primair

  1. de werf op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om het terrein tijdens het ADE in oktober 2017 onder dezelfde condities als in 2016 aan [eiseres] te verhuren of ter beschikking te stellen, ten behoeve van de organisatie van het Dockyard Festival, althans om aan haar de gelegenheid te geven om alsdan het Dockyard Festival te organiseren en verder alle benodigde handelingen te verrichten die nodig zijn om die organisatie te faciliteren en

  2. de werf op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden om handelingen te verrichten die de organisatie door [eiseres] van het Dockyard Festival in 2017 als omschreven onder A hinderen of kunnen hinderen,

subsidiair

  1. de werf op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om de onderhandelingen met [eiseres] voort te zetten over de terbeschikkingstelling van het terrein ten behoeve van de organisatie van het Dockyard Festival tijdens het ADE in 2017 onder dezelfde condities als in 2016 en

  2. de werf op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden om handelingen te verrichten die de organisatie van het Dockyard Festival in 2017 als omschreven onder A hinderen of kunnen hinderen,

met veroordeling van de werf in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stelt zij, kort gezegd, dat zij in 2014 met de werf is overeengekomen dat zij in elk geval tot en met 2017 het terrein gedurende het ADE in oktober kan huren voor de organisatie van het Dockyard Festival. De werf heeft geen, althans geen zwaarwegende redenen aangevoerd waaruit volgt dat deze verplichtingen niet hoeven te worden nagekomen, noch heeft zij voldoende zwaarwegende redenen om de duurzame relatie voortijdig te beëindigen. Zij is daarom gehouden de overeenkomst na te komen.

Subsidiair geldt dat de werf onrechtmatig handelt door zonder deugdelijk overleg en zonder een deugdelijke belangenafweging of motivering als overheidsstichting althans als een nauw aan de overheid gelieerde stichting af te wijken van haar beleid en bestendige gedragslijn.

Meer subsidiair geldt dat de werf onrechtmatig handelt als zij [eiseres] niet in de gelegenheid stelt om in 2017 het Dockyard Festival te organiseren omdat zij bij [eiseres] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij gedurende een lange periode het Dockyard Festival kan organiseren. Die verwachting werd gesteund door de bestendige gedragslijn en het beleid. Tegenover de grote belangen van [eiseres] heeft de werf geen concrete en zwaarwegende belangen gesteld.

3.3.

De werf heeft, samengevat weergegeven, als verweer aangevoerd dat zij geen overeenkomst heeft gesloten of afspraken met [eiseres] heeft gemaakt voor de verhuur van het terrein in 2017, dat zij niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan en dat zij geen verwachtingen heeft gewekt.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] wijst ter onderbouwing van haar stelling dat partijen in 2014 afspraken voor de toekomst en dus ook voor 2017 hebben gemaakt, op het verslag van de evaluatie van 30 oktober 2014 van het in dat jaar gehouden Dockyard Festival, op de e-mailcorrespondentie in 2014 tussen partijen en de presentatie van 11 november 2014 alsmede op de gang van zaken nadien.

Overwogen wordt dat noch in het verslag, noch in de e-mailcorrespondentie te lezen is dat partijen hebben afgesproken dat [eiseres] het terrein in 2017 tijdens het ADE zou kunnen huren ten behoeve van de organisatie van het Dockyard Festival. Het verslag behelst voornamelijk een evaluatie van het in 2014 gehouden festival. Voor zover daarin sprake is van de toekomst, gaat het over 2015 en niet over volgende jaren.

De e-mail van [naam 2] van 12 oktober 2014 waarin zij schrijft dat zij een optie heeft bij de NDSM werf voor ADE 2015, 2016 en 2017, met een vergunning voor 10.000 bezoekers en dat zij daartoe een contract wil sluiten met de werf is afkomstig van [eiseres] zelf en is, mede in het licht van het standpunt van de werf dat zij geen overeenkomst heeft gesloten voor 2017, onvoldoende. De e-mail van [naam 4] van 18 december 2014, waarin hij schrijft dat de werf kijkt “naar 2016 en verder met groei tot max 15.000 per dag en eventueel 2 dagen” is onvoldoende concreet en kan niet als een aanbod voor de huur van het terrein in 2017 worden aangemerkt. Dat dit ook niet zo is begrepen door [eiseres] volgt ook uit het feit dat nadien geen concrete afspraken zijn gemaakt. In de e-mail van [naam 2] aan de werf van 23 december 2014 is te lezen dat [eiseres] graag een intentieovereenkomst sluit voor meerdere jaren, maar daarop heeft [naam 4] namens de werf slechts geantwoord: “Zal ik begin 2015 overleggen met [naam 6] en jou voorstel sturen.” Daaruit kan evenmin een concrete afspraak die mede 2017 omvat worden afgeleid.

Ook voor de presentatie die [eiseres] op 11 november 2014 heeft gemaakt en waarin sprake is van verdere groei van het Dockyard Festival geldt dat dit een van [eiseres] afkomstig document betreft en dat daaruit, bij de betwisting door de werf, alleen al om die reden geen overeenstemming tussen partijen over een in 2017 te houden festival op het terrein tijdens het ADE kan worden afgeleid.

Dat er geen overeenkomst voor meerdere jaren is gesloten volgt verder uit het feit dat voor de in 2014, 2015 en 2016 op het terrein gehouden Dockyard Festivals afzonderlijke huurovereenkomsten zijn gesloten waarin telkens is vermeld dat sprake is van tijdelijke verhuur. In de overeenkomst van 2016 is daarbij nog expliciet opgenomen dat de overeenkomst alleen betrekking heeft op de daarin genoemde huurperiode en dat [eiseres] daaraan geen rechten kan ontlenen voor de toekomst. Niet is duidelijk hoe [eiseres] desondanks meende ervan uit te kunnen gaan dat zij ook in 2017 gedurende het ADE het terrein zou mogen huren.

Dat [eiseres] , zoals zij stelt, heeft geïnvesteerd ten behoeve van toekomstige festivals op het terrein tijdens het ADE, kan er evenmin toe leiden dat tussen partijen een overeenkomst voor meerdere jaren moet worden aangenomen.

De stelling van [eiseres] tenslotte dat de rechtsverhouding tussen de werf en haar een repeterend karakter heeft en dat dit maakt dat tussen partijen in feite sprake is van een duurovereenkomst omdat bijna alle festivals met een grote vergunning jaar na jaar op het terrein worden gehouden, gaat niet op. De werf heeft bestreden dat sprake is van een bestendige gedragslijn van haar kant en zij heeft concreet toegelicht dat de situatie op het terrein elk jaar anders is en dat zij daarom geen toezeggingen voor meerdere jaren kan doen. Een en ander is voorshands dan ook onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een bestendige gedragslijn of dat tussen de werf en [eiseres] een duurovereenkomst bestaat.

De slotsom is dat niet aannemelijk is geworden dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan de werf gehouden is om het terrein tijdens het ADE van 2017 aan [eiseres] te verhuren zodat de primaire grondslag de vordering niet kan dragen.

4.2.

Anders dan [eiseres] stelt, kan de werf niet worden aangemerkt als een bestuursorgaan waaraan hogere zorgvuldigheidseisen kunnen worden gesteld bij het handelen met samenwerkingspartners. Dat het NDSM-terrein eigendom is van de gemeente Amsterdam, dat de werf is opgericht door de gemeente en subsidie van haar krijgt en dat de gemeente een stem heeft in de benoeming van haar bestuurders is daartoe onvoldoende. De werf heeft daarnaast onbetwist aangevoerd dat de subsidie die zij van de gemeente krijgt wordt besteed aan de culturele programmering en dat dit los staat van het terreinbeheer. Verder heeft de werf voldoende gemotiveerd bestreden dat zij beleid van de gemeente Amsterdam uitvoert nu zij concreet heeft gesteld en toegelicht dat zij een eigen beleidsplan heeft en dat zij ter realisering daarvan financiering van het Amsterdams Fonds voor de Kunst heeft gekregen. Maar zelfs als veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat aan de werf hogere zorgvuldigheidseisen kunnen worden gesteld, geldt dat [eiseres] , bij de betwisting door de werf, onvoldoende heeft aangevoerd om aan te kunnen nemen dat in Amsterdam een bestendige gedragslijn geldt dat een organisator van een evenement steeds op een bestaande locatie én tijdstip kan blijven. Ook is niet aannemelijk geworden dat de werf bij [eiseres] de verwachting heeft gewekt dat zij tot en met 2017 het terrein op de door [eiseres] gewenste datum zou kunnen huren. De werf heeft immers betoogd dat zij [eiseres] al in 2015 heeft ingelicht over haar nieuwe plannen en dat het terrein na 2016 daarom niet meer door [eiseres] tijdens het ADE zou kunnen worden gehuurd. Dit heeft zij ondersteund met schriftelijke verklaringen van [naam 3] en [naam 4] en [eiseres] heeft een en ander niet concreet betwist. Overwogen wordt dan ook dat de werf [eiseres] voldoende tijdig heeft ingelicht over het feit dat zij in 2017 het terrein niet tijdens het ADE zou kunnen huren voor de organisatie van het Dockyard Festival.

Al het voorgaande tezamen betekent dat niet aannemelijk is geworden dat de werf onrechtmatig handelt jegens [eiseres] door het terrein tijdens het ADE in 2017 niet aan haar ter beschikking te stellen onder dezelfde condities als in eerdere jaren, of door niet met haar daarover te onderhandelen, zodat ook de subsidiaire grondslag de vordering niet kan dragen. In het licht van het voorgaande wordt niet toegekomen aan een belangenafweging.

De gevraagde voorzieningen zullen daarom worden geweigerd.

4.3.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de werf begroot op:

– € 619,- aan griffierecht en

– € 816,- aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. Hansen-Löve, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.1

1 type: EMH coll: