Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1795

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
C/13/622502 / FA RK 17-374
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek vervangende toestemming verhuizing naar Zeeland toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/622502 / FA RK 17-374 (KK/JK/FA/SM)

Beschikking van 22 maart 2017 betreffende geschil inzake artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.L. Cohen te Amstelveen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. T.O. Sohansingh te Amsterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de RvdK.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de binnengekomen stukken, waaronder;

- het op 19 januari 2017 binnengekomen verzoekschrift van de man;

- het op 9 februari 2017 binnengekomen verweerschrift van de vrouw.

1.2.

De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 17 februari 2017. Verschenen zijn: partijen, hun advocaten en [naam 1] , namens de RvdK.

1.3.

De minderjarige [minderjarige] , die 12 jaar of ouder is, is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van 8 september 2010 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 15 december 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Bij beschikking van 14 maart 2012 heeft deze rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat:

- de minderjarige zoon van partijen:

 [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;

- [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen eenmaal per twee weken van donderdag tot en met zondag bij de vrouw zal zijn.

2.3.

Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .

3 Het verzoek en verweer

3.1.

De man verzoekt de rechtbank:

- om hem vervangende toestemming te verlenen om met ingang van 1 april 2017, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats] , Zeeland;

- om de zorgregeling zoals bepaald bij beschikking van 14 maart 2012 te wijzigen, en te bepalen dat de vrouw [minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdagavond tot en met zondagavond bij zich heeft, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen regeling.

3.2.

De vrouw voert verweer tegen dit verzoek en verzoekt de rechtbank:

- primair: om het verzoek met betrekking tot de vervangende toestemming af te wijzen;

- subsidiair: te bepalen dat er een onderzoek komt door Jeugdzorg of de RvdK naar de belangen van [minderjarige] en de gevolgen van een eventuele verhuizing;

- meer subsidiair: te bepalen dat [minderjarige] aan haar wordt toegewezen bij een negatief advies ten aanzien van de verhuizing van [minderjarige] , waarmee wordt bedoeld dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij haar krijgt.

3.3.

De man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw. Hij stelt dat een onderzoek door de RvdK thans niet noodzakelijk is, maar zal zich niet tegen een dergelijk onderzoek verzetten. Het verzoek van de vrouw, om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen, acht de man thans niet in het belang van [minderjarige] en dient volgens de man te worden afgewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna verder worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) dient de rechtbank in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind, een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de standpunten van partijen met betrekking tot de door de man gewenste verhuizing haaks op elkaar staan. Een vergelijk op de voet van artikel 1: 253a, vijfde lid, BW is dan ook niet mogelijk gebleken.

4.2.

De rechtbank dient volgens vaste jurisprudentie bij de beoordeling van het geschil de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Daarbij geldt dat de rechtbank dient uit te gaan van de meest recente situatie, ex nunc, en dat het belang van het kind voorop staat. Dit neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen, hoezeer ook het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten belangenafweging.

4.3.

Op grond van artikel 1:247 lid 4 BW heeft het kind recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide gezagsouders, ook na het uiteengaan van de ouders. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt indien dit in het belang van het kind is. Gelijkwaardigheid is bovendien iets anders dan een gelijk aandeel in de verzorging en opvoeding. Het uitgangspunt van deze gelijkwaardigheid verzet zich ook niet tegen een door de rechter te geven vervangende toestemming voor een verhuizing van het kind met de ouder bij wie het zijn hoofdverblijfplaats heeft. Wel zal de rechter bij zijn beoordeling van een verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing van het kind erop moeten toezien dat ook in de situatie die na de verhuizing van het kind zal ontstaan, aan voornoemde gelijkwaardigheid zoveel mogelijk recht wordt gedaan.

4.4.

De rechtbank dient bij de onderhavige beoordeling het belang van het kind in acht te nemen en voorts daarbij te betrekken enerzijds het belang van de vrouw om frequent omgang met [minderjarige] te hebben en de situatie van [minderjarige] zo stabiel mogelijk te houden en anderzijds het recht en het belang van de man om samen met [minderjarige] naar [plaats] , Zeeland, te verhuizen en aldaar een nieuw bestaan op te bouwen met zijn vriendin en [minderjarige] .

De rechtbank dient daarnaast volgens vaste rechtspraak met de volgende aspecten rekening te houden:

- de noodzaak van de man om te verhuizen;

- de mate waarin hij de verhuizing heeft doordacht en voorbereid;

- de door hem geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor [minderjarige] en de vrouw te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de vrouw en [minderjarige] op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen [minderjarige] en de vrouw voor en na de verhuizing;

- de leeftijd van [minderjarige] , zijn mening en de mate waarin hij geworteld is in zijn omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;

- of de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing geheel of deels worden gecompenseerd door de man.

4.5.

De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoeken onder meer – verkort weergegeven – het volgende aangevoerd. De man wil graag met [minderjarige] bij zijn nieuwe vriendin en haar zoon in [plaats] , Zeeland, gaan wonen en daar een nieuw leven opbouwen. [minderjarige] geeft aan dit ook graag te willen, aldus de man. [minderjarige] heeft ADHD en zal volgens de man gebaat zijn bij een verhuizing naar een rustigere omgeving.

De man merkt daarnaast op dat zijn contract bij zijn huidige werkgever in maart 2017 afloopt en hij vanaf 7 april 2017 een nieuwe baan heeft gevonden in [plaats] . De man stelt daarbij dat zijn huidige dienstverband is beëindigd omdat hij, vanwege de zorg voor [minderjarige] , niet langer bereid was avonddiensten te werken.

De man stelt ook ADHD te hebben, maar slikt hiervoor geen medicatie en ondervindt hier geen hinder van, zoals de vrouw suggereert. Hij heeft geen last van angst- en paniekstoornissen en wordt niet behandeld.

De man heeft [minderjarige] al vast ingeschreven op een voor hem geschikte school in [plaats] waar hij direct op zijn niveau kan instromen en waar gewerkt wordt met kleine klassen en veel persoonlijk aandacht. [minderjarige] heeft reeds kennis gemaakt op deze school en is enthousiast. Ook stelt de man dat er in Zeeland, indien dit nodig mocht zijn, voldoende specialistische hulpverlening voorhanden is voor [minderjarige] .

Voorts stelt de man dat hij de eventuele verhuizing uitvoerig en veelvuldig met [minderjarige] heeft besproken en hij hem ook heeft betrokken bij de beslissing om al dan niet te verhuizen.

De man voert tevens aan in [plaats] over voldoende woonruimte te beschikken in de woning van zijn vriendin en [minderjarige] kan volgens de man goed opschieten met zijn vriendin en haar zoon. Zijn vriendin heeft ook een pleegzoon die mogelijk binnen korte tijd gaat verhuizen, omdat het niet zo goed met hem gaat.

De man stelt daarnaast dat de zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] al geruime tijd niet goed loopt. Vanaf augustus 2016 heeft [minderjarige] slechts vijf keer bij de vrouw geslapen. De vrouw kan de zorg voor [minderjarige] niet goed aan. De man stelt, in tegenstelling tot de vrouw, dat het thans heel goed gaat met [minderjarige] op school en merkt op dat dit ook door school wordt bevestigd. Ook ervaart de man thuis geen problemen met [minderjarige] . Het gaat op dit moment dan ook goed met [minderjarige] .

De man is bereid om [minderjarige] in het kader van de door hem voorgestelde zorgregeling heen en weer te brengen naar de vrouw. Ook wil hij de zorg over [minderjarige] tijdens de vakanties bij helfte met de vrouw delen. De man merkt op dat hij [minderjarige] altijd zal stimuleren om buiten de omgang contact te houden met de vrouw.

4.6.

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verweer onder meer – verkort weergegeven – het volgende aangevoerd. De vrouw stelt dat een verhuizing van de man en [minderjarige] niet in het belang is van [minderjarige] , dat de man de noodzaak van de verhuizing niet heeft aangetoond en hij de verhuizing onvoldoende heeft voorbereid. [minderjarige] kan niet goed tegen veranderingen. Bij een verhuizing zou [minderjarige] zijn vertrouwde omgeving, zijn school en vriendjes, achter moeten laten.

De man is volgens de vrouw zelf onrustig. Hij heeft ook ADHD, waarvoor hij medicijnen slikt, en hij wordt begeleidt door een psycholoog voor zijn stoornis, paniek- en angstaanvallen. Hij weet volgens de vrouw niet goed wat hij wil.

De vrouw stelt dat de man de problemen die zij bij [minderjarige] constateert in de afgelopen jaren steeds wegwuift. Hij zou dan ook niet goed in staat zijn de juiste hulpverlening in te schakelen in Zeeland.

De vrouw stelt dat het helemaal niet zo goed gaat op school met [minderjarige] , als de man stelt. Hij vertoont storend gedrag in de klas.

De vrouw merkt op dat de man eerder, eind 2015, verhuisplannen had. Hij wilde toen met zijn toenmalige vriendin in Haarlem gaan wonen. De vrouw heeft zich hier destijds niet tegen verzet, wel was zij het niet eens met het moment van deze verhuizing. Door het verbreken van deze relatie van de man ging deze verhuizing destijds echter niet door. De vrouw heeft zo haar vraagtekens bij de bestendigheid van de huidige relatie van de man. De vrouw vraagt zich ook af of [minderjarige] zich wel op zijn plek zal voelen in het gezin van de vriendin van de man, mede omdat [minderjarige] het volgens de vrouw niet goed kan vinden met de vriendin van de man en haar zoon. Zij is bang dat [minderjarige] slechts aangeeft te willen verhuizen om meer tijd te kunnen doorbrengen bij zijn hondje, die thans bij de vriendin van de man is.

De vrouw stelt dat het huidige contract van de man bij zijn werkgever niet is verlengd vanwege het feit dat hij zich veelvuldig ziek heeft gemeld.

De man heeft daarnaast volgens de vrouw in de afgelopen jaren de zorgregeling gefrustreerd en meerdere malen gewijzigd.

De vrouw ontkent dat zij de zorg voor [minderjarige] niet goed aan kan. Zij wil het liefst weer terug naar een co-ouderschap. De vrouw wil graag dat de rechtbank alvorens een beslissing te nemen op de verzoeken van de man een onderzoek laat doen door de RvdK of Jeugdzorg.

4.7.

[minderjarige] heeft tijdens het kinderverhoor aangegeven dat hij graag met zijn vader naar Zeeland wil verhuizen. Hij merkt op goed te kunnen opschieten met de vriendin van zijn vader en haar zoon. Met haar pleegzoon kan hij minder goed opschieten. Hij heeft reeds een eigen kamer in de woning van de vriendin van zijn vader en het lijkt hem heel leuk om daar te gaan wonen. Ook merkt hij op het niet erg te vinden om in [plaats] naar een andere school te gaan en zijn vriendjes te moeten achterlaten. Hij heeft reeds een rondleiding gehad op deze school en het lijkt hem een leuke school. Zijn vriendjes zal hij in de weekenden dat hij bij zijn moeder verblijft blijven opzoeken.

Voorts merkt [minderjarige] op dat hij, als hij bij zijn moeder is, vaak ruzie met haar heeft. Daarom wil hij liever niet lang bij zijn moeder verblijven. Hij merkt op dat de recent weer opgestarte weekendregeling wel goed is verlopen.

4.8.

De RvdK heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat een onderzoek door de RvdK ten aanzien van de gevolgen van een eventuele verhuizing voor [minderjarige] thans niet nodig wordt geacht en dat de mening van [minderjarige] helder is.

4.9.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat er thans geen aanleiding is om de RvdK of Jeugdzorg advies te vragen omtrent de belangen van [minderjarige] en de gevolgen van een eventuele verhuizing en acht zich, met hetgeen door partijen en de RvdK naar voren is gebracht en hetgeen [minderjarige] kenbaar heeft gemaakt voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen op de verzoeken van partijen.

Vooropgesteld dient te worden dat man in beginsel het recht heeft zijn leven (opnieuw) in te richten met zijn huidige vriendin en [minderjarige] in [plaats] , Zeeland, indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.

De wens van de man om te verhuizen naar [plaats] is overwegend ingegeven door zijn persoonlijke wens om bij zijn huidige vriendin te gaan wonen, om met haar en [minderjarige] een nieuw leven op te bouwen. Daarnaast stelt de man per 7 april 2017 een baan te hebben gevonden in de buurt van [plaats] , te weten in [plaats] . De rechtbank acht de wens van de man om te willen verhuizen dan ook begrijpelijk.

Deze verhuizing brengt echter wel een verandering van de woon- en sociale leefomgeving van [minderjarige] met zich mee en de vraag is of dit in het belang is van [minderjarige] . De rechtbank neemt daarbij in overweging dat [minderjarige] thans met de man in [woonplaats 1] woont en vanaf het schooljaar 2016/2017 in [plaats] naar de middelbare school gaat. Ook laat de rechtbank meewegen dat [minderjarige] zelf stellig in het kinderverhoor heeft aangegeven graag met de man naar Zeeland te willen verhuizen, in de woning van de vriendin van de man en haar zoon te willen gaan wonen, hij er geen moeite mee heeft zijn vriendjes achter te laten en hij enthousiast is over de nieuwe school die de man in [plaats] voor hem heeft uitgezocht. Wel heeft [minderjarige] moeite met de pleegzoon die ook in het gezin woont, maar dat probleem lijkt wel te hanteren door de vriendin van de man. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verandering van de woon- en sociale leefomgeving van [minderjarige] , die de verhuizing met zich mee zal brengen, niet nadelig voor [minderjarige] .

Naast de verandering van de woon- en sociale leefomgeving van [minderjarige] , speelt ook de nakoming van de huidige zorgregeling door de man een rol bij de belangenafweging. Momenteel geldt de bij beschikking van 14 maart 2012 vastgestelde zorgregeling. Deze zorgregeling houdt in dat [minderjarige] eenmaal per twee weken van donderdag tot en met zondag bij de vrouw zal zijn. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat deze regeling in het afgelopen half jaar niet goed is gelopen, maar dat de regeling recent weer is opgestart. De man brengt [minderjarige] thans om het weekend op vrijdag naar de vrouw haalt hem zondag weer op bij de vrouw. De man heeft aangeboden deze ingekorte regeling op zijn kosten voort te zetten. Nu [minderjarige] zelf heeft opgemerkt dat zijn contact met de vrouw in de afgelopen periode niet altijd even goed is geweest en hij het liever niet te lang bij de vrouw wenst te verblijven, is de rechtbank van oordeel dat een verhuizing niet zal leiden tot problemen bij de nakoming van de thans lopende zorgregeling en tevens niet zal betekenen dat het contact dat de vrouw thans met [minderjarige] heeft onredelijk wordt beperkt.

De rechtbank overweegt verder dat de man de verhuizing goed heeft voorbereid en doordacht. De man stelt uitvoerig met [minderjarige] over de eventuele verhuizing te hebben gesproken en hem te hebben betrokken in de beslissing al dan niet te verhuizen. Dat blijkt ook uit hetgeen [minderjarige] heeft gezegd. De man heeft reeds een geschikte middelbare school voor [minderjarige] gevonden, hem daar ingeschreven en [minderjarige] kennis laten maken met deze school. Ook heeft de man zich verdiept in de mogelijkheden die er in de buurt zijn voor hulpverlening voor [minderjarige] , indien dit nodig mocht blijken. [minderjarige] heeft reeds een eigen kamer in de woning van de vriendin van de man, hij lijkt zich prettig te voelen in deze woning en stelt zelf goed contact te hebben met de vriendin van de man en haar zoon. Tevens heeft de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij op 7 april 2017 kan beginnen bij zij nieuwe werkgever in [plaats] .

Alle voornoemde belangen en omstandigheden tegen elkaar afwegende, waarbij het belang van de minderjarigen centraal staat, maar niet doorslaggevend is, komt de rechtbank tot de conclusie dat het verzoek van de man om vervangende toestemming voor een verhuizing naar Zeeland toewijsbaar is. Daaruit volgt dat de verzoeken van de vrouw worden afgewezen.

Het verzoek van de man om de zorgregeling, zoals bepaald bij beschikking van 14 maart 2012 te wijzigen, en te bepalen dat de vrouw [minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdagavond tot en met zondagavond bij zich heeft, zal de rechtbank toewijzen. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] om de zorgregeling pas op vrijdagavond, in plaats van donderdag, te laten ingaan in verband met het feit dat [minderjarige] op vrijdag in [plaats] naar school zal gaan.

Nu er geen verzoek aan de rechtbank voorligt ten aanzien van de verdeling van de zorg tijdens de vakanties, zal de rechtbank hier thans geen beslissing over nemen. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen in onderling overleg alsnog afspraken zullen maken over de verdeling van de zorg over [minderjarige] tijdens de vakanties.

Het meer subsidiaire verzoek van de vrouw om te bepalen dat [minderjarige] aan haar wordt toegewezen bij een negatief advies ten aanzien van de verhuizing, waarmee wordt bedoeld dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij haar krijgt, zal de rechtbank gelet op het voorgaande afwijzen. [minderjarige] is geaard bij de man en wenst ook bij hem te blijven wonen.

4.10.

Mitsdien zal worden beslist als volgt.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek van de man, om hem met ingang van 1 april 2017 vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar [plaats] , Zeeland, te verhuizen, toe;

- wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 14 maart 2012 in zoverre:

bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden: de vrouw de voornoemde minderjarige eenmaal per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond bij zich heeft en de man [minderjarige] op zijn kosten in het kader van de deze zorgregeling heen en weer brengt naar de vrouw.

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. C.M.E. de Koning, voorzitter tevens kinderrechter, mr. J. Kloosterhuis en mr. F.G. van Arem, in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.A. Marchal, griffier, op 22 maart 2017.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.