Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1785

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2041
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit bestuursorganen WNo en Wob / WOB is in het onderhavige geval niet van toepassing / openbaarmaking van het beleid over het geven aanwijzingen, opleggen lasten onder dwangsom en bestuurlijke boetes ex [Wet] aan [kantoren] / beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/2041

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 maart 2017 in de zaak tussen

A.J. Noordam, te Amsterdam, eiser

en

de naamloze vennootschap De Nederlandsche Bank N.V., verweerder

(gemachtigde: mr. M.G. Nielen).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen.

Bij besluit van 15 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig mr. A.A. Pasaribu, werkzaam bij verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser heeft op 10 december 2015 in het kader van de Wob verweerder verzocht om openbaarmaking van zijn beleid over het geven van aanwijzingen en het opleggen van lasten onder dwangsom en bestuurlijke boetes aan [kantoren] op grond van [de Wet] (hierna: [de Wet] ).

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij in dit geval op grond van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob (hierna: het Besluit) is uitgezonderd van de toepassing van de Wob en heeft eiser verwezen naar de reeds openbaar gemaakte informatie inzake het handhavingsbeleid op grond van [de Wet] .

1.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft overwogen dat al het beleid waar verweerder zich op zou kunnen beroepen, als het gaat om het opleggen van (sanctie)besluiten gericht aan [kantoren] , reeds openbaar is. Voor zover eiser met zijn verzoek heeft beoogd andere informatie te verkrijgen dan het reeds gepubliceerde beleid van verweerder met betrekking tot het toezicht op [kantoren] , is volgens verweerder de uitzondering als bedoeld in het Besluit op hem van toepassing en wordt eisers verzoek om die reden niet ingewilligd.

1.4

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op de beroepsgronden zal hierna worden ingegaan.

2. Eiser heeft in bezwaar de strekking van zijn verzoek nader toegelicht en heeft uiteengezet dat hij (mede) heeft verzocht om openbaarmaking van de door verweerder op grond van [de Wet] opgestelde dan wel gehanteerde interne ‘beleidsregels’, waaronder gedragslijnen en werkinstructies, voor zover die betrekking hebben op toezicht op [kantoren] . Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht het voorgaande in zoverre als een verduidelijking van het verzoek aangemerkt en in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar bij zijn beoordeling betrokken.

3.1

Op grond van artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob is deze wet van toepassing op andere bestuursorganen dan genoemd onder sub a, b en c, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.

3.2

Op grond artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit – voor zover relevant – is de Nederlandsche Bank N.V. uitgezonderd als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wob, voor zover belast met de werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998.

3.3

Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a van de Bankwet 1998, heeft De Nederlandsche Bank N.V. tot taak het uitoefenen van toezicht op financiële instellingen op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen.

3.4

Op grond van artikel 1, aanhef en onder j, van [de Wet] wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder toezichthouder verstaan: De Nederlandsche Bank N.V.

4.1

In beroep is in geschil of verweerder in het onderhavige geval onder de uitzondering valt als bepaald in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit, waardoor verweerder niet kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van de Wob.

4.2

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BY9198) stelt de rechtbank voorop dat het toezicht uit hoofde van [de Wet] onder de taken en bevoegdheden van verweerder valt als genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van [de Wet] volgt dat een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip financiële instellingen en dat [kantoren] door de wetgever worden aangemerkt als financiële instellingen. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser verzochte documenten in geding – zoals weergegeven hiervoor onder 2 – een uitwerking zijn van de bevoegdheden van verweerder om op grond van [de Wet] toezicht uit te oefenen op [kantoren] die aangemerkt kunnen worden als financiële instellingen en daarmee betrekking hebben op werkzaamheden die voortvloeien uit, dan wel verband houden met de taken en bevoegdheden van verweerder ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. De rechtbank ziet, anders dan eiser stelt, geen aanleiding om aan te nemen dat het opstellen, respectievelijk hanteren van de in het geding zijnde documenten zoals interne gedragslijnen en werkinstructies, geen werkzaamheden zijn die voortvloeien uit, dan wel verband houden met de taak van verweerder om op grond van [de Wet] toezicht uit te oefenen op [kantoren] . Dat de ter zitting besproken jurisprudentie betrekking heeft op gevallen waarin het gaat om concrete toezichtwerkzaamheden, dan wel om vertrouwelijke gegevens die betrekking hebben op natuurlijke personen of rechtspersonen ter bescherming van de privacy, betekent niet dat op grond hiervan ook kan worden geconcludeerd dat verweerder in het onderhavige geval niet is uitgezonderd als bestuursorgaan. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de door eiser verzochte informatie wel degelijk over werkzaamheden die voortvloeien uit en verband houden met het uitoefenen van toezicht op [kantoren] op grond van [de Wet] . Dat het hier niet om concrete gevallen van handhaving gaat maar om algemene gedragslijnen, maakt dit niet anders. Gelet hierop is verweerder met betrekking tot het onderhavige verzoek dan ook op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit uitgezonderd als bestuursorgaan in de zin van de Wob. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3

Het subsidiaire betoog van eiser dat het beroep van verweerder op de uitzondering zoals bepaald in het Besluit voor wat betreft de opgevraagde documenten strijdig is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de statutaire doelstellingen van verweerder en de door verweerder nagestreefde transparantie, faalt naar het oordeel van de rechtbank eveneens. Artikel 6 van het EVRM ziet op het proces bij de rechter die oordeelt over de vaststelling van civil rights and obligations en over een eventueel opgelegde criminal charge, hetgeen hier geen van alle aan de orde is. Voor zover eiser meent dat het uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende rechtsgelijkheid- en rechtszekerheidsbeginsel, die ook los van het EVRM gelden binnen het Nederlandse recht, in het geding zijn, verwijst de rechtbank naar artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Verweerder moet, als hij besluiten neemt in zijn hoedanigheid van bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, en in zo een besluit zich beroept op een niet gepubliceerde gedragslijn (al dan niet vastgelegd in de gevraagde documenten), op grond van artikel 4:82 van de Awb de aanvaardbaarheid daarvan steeds toereikend motiveren. De aanvaardbaarheid van die gedragslijn en die motivering in het desbetreffende besluit kan vervolgens aan de rechter ter toetsing worden voorgelegd, inclusief de vraag of sprake is van schending van de rechtsgelijkheid dan wel rechtszekerheid. De omstandigheid dat de gevraagde documenten zijn uitgezonderd van de openbaarmakingsplicht van de Wob staat alleen daarom al niet op gespannen voet met deze beginselen. Ten aanzien van de statutaire doelstellingen is de rechtbank met verweerder van oordeel dat niet is gebleken dat het handelen van verweerder, dat in dit concrete geval overeenkomstig de wet- en regelgeving is, in strijd zou zijn met zijn statutaire doelstellingen. Dit geldt, wat daarvan ook zij, eveneens voor eventuele doelstellingen van transparantie.

5. Gezien het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter, en mr. A.D. Belcheva en mr. T.L. Fernig - Rocour, leden, in aanwezigheid van mr. H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.