Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1745

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
13/741083-16 (A), 13/650571-15 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

TBS (geen) ASR

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/741083-16 (A), 13/650571-15 (B) en 13/095848-14 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 17 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

adres [verblijfadres] ,

gedetineerd in [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 maart 2017.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. de Klerk en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.A.C. de Vilder naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde

1. hij op of omstreeks 14 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, naar voornoemde [slachtoffer 1] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal,

- met een Engelse tang en/of Engelse sleutel in/op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of

- met een mes en/of priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek en/of hals, althans in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gesneden en/of gestoken;

en/of

hij op of omstreeks 14 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, het Montfoorthof , in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal,

- met een Engelse tang en/of Engelse sleutel in/op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] slaan en/of stompen en/of

- met een mes en/of priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek en/of hals, althans in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] snijden en/of steken en/of

- op/tegen de/het be(e)n(en), althans tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te schoppen en/of te trappen;

2. hij op of omstreeks 14 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, om tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een waxinehouder, althans een hard en/of zwaar voorwerp, op/tegen/door een ruit van een auto heeft/hebben gegooid en/of geworpen (terwijl voornoemde [slachtoffer 1] in voornoemde auto zat);

en/of

hij op of omstreeks 14 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een autoruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door een waxinehouder, althans een hard en/of zwaar voorwerp, op/tegen/door een ruit van die auto te gooien en/of te werpen;

3. ( gevoegde zaak 13/680013-16)

hij op of omstreeks 8 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg (het Meibergpad ) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (merk: LG, type: G4) en/of rijbewijs en/of bankpas op naam van [slachtoffer 2] en/of OV chipkaart en/of een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer 2] van achteren heeft benaderd en/of (vervolgens) voornoemde telefoon en/of rijbewijs en/of bankpas en/of OV chipkaart en/of geldbedrag(en) uit de hand(en) van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gerukt en/of getrokken en/of gegrist;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 8 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een bankpas op naam van [slachtoffer 2] heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4. ( gevoegde zaak 13/680013-16)

hij op of omstreeks 16 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas en/of een of meer bankpas(sen) en/of een of meer identiteitspapier(en) en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, naar voornoemde [slachtoffer 3] is toegegaan en/of (vervolgens) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van en/of aan voornoemde [slachtoffer 3] heeft gehouden en/of getoond en/of voornoemde tas heeft vastgepakt en/of voornoemde tas uit de hand(en) van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gepakt en/of gegrepen en/of gegrist;

5. ( gevoegde zaak 13/680013-16)

hij op of omstreeks 29 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg (het Opheusdenhof ) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (merk: Apple, type: Iphone 6S) en/of rijbewijs en/of bankpas op naam van [slachtoffer 4] en/of GVB pas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer 4] van achteren heeft benaderd en/of (vervolgens) voornoemde telefoon en/of rijbewijs en/of bankpas en/of GVB pas uit de hand(en) van voornoemde [slachtoffer 4] heeft gerukt en/of getrokken en/of gegrist;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 29 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een bankpas op naam van [slachtoffer 4] heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

6. ( gevoegde zaak 13/680013-16)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 januari 2016 tot en met 29 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat geldbedrag(en) heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, in elk geval een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet is/zijn/was/waren gerechtigd;

7. ( gevoegde zaak 13/741051-16)

hij op of omstreeks 15 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een televisie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door meermalen, althans eenmaal, op/tegen voornoemde televisie te slaan en/of te stompen;

8. ( gevoegde zaak 13/741051-16)

hij op of omstreeks 15 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten als burgerdienst, door zijn, verdachtes, arm(en) naar zich toe te trekken en/of zijn, verdachtes, arm(en) stijf te houden terwijl voornoemde [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] trachtte(n) hem, verdachte, transportboeien om te leggen en/of (hierbij) voornoemde [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] de woorden toe te voegen: "Ik ga niet mee als jullie handboeien om doen. Ik ga wel zonder. Als jullie handboeien om doen ga ik met jullie vechten", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde

hij op of omstreeks 28 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op de openbare weg (het Bullewijkpad ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een handtas en/of een rijbewijs en/of een identiteitskaart en/of een mobiele telefoon en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- voornoemde [slachtoffer 7] bij haar nek heeft/hebben vastgepakt (een zogenoemde nekklem) en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op de wang, in elk geval op het gezicht van voornoemde [slachtoffer 7] hebben gezet en/of

- voornoemde [slachtoffer 7] de volgende woorden heeft/hebben toegevoegd "Mevrouw, je tas" en/of "Je tas, je tas", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

en/of

hij op of omstreeks 28 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op de openbare weg (het Bullewijkpad ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot de afgifte van een handtas en/of een rijbewijs en/of een identiteitskaart en/of een mobiele telefoon en/of een bankpas, in elk geval

van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- voornoemde [slachtoffer 7] bij haar nek heeft/hebben vastgepakt (een zogenoemde nekklem) en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op de wang, in elk geval op het gezicht van voornoemde [slachtoffer 7] hebben gezet en/of

- voornoemde [slachtoffer 7] de volgende woorden heeft/hebben toegevoegd "Mevrouw, je tas" en/of "Je tas, je tas", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren

waren verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot

gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van

gewijsde is gegaan;

subsidiair:

hij op of omstreeks 28 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S3 mini, IMEI-nummer: [nummer] ) en/of een OV-chipkaart (op naam van [slachtoffer 7] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ten aanzien van het in zaak A onder 7 ten laste gelegde niet-ontvankelijk is in haar vervolging, nu dit om een klachtdelict gaat en de klacht binnen 8 dagen door klaagster is ingetrokken. Voor het overige is de officier van justitie ontvankelijk in haar vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Ten aanzien van zaak A

4.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - samengevat - gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in zaak A ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de onder 2 als eerste cumulatief/alternatief en onder 3 primair ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde aangevoerd dat op basis van de aangifte, de letselverklaring van aangever en het rapport van het Nederland Forensisch Instituut (hierna: NFI), waaruit volgt dat het bloedspoor aangetroffen op de jas van verdachte overeenkomt met het DNA-profiel van aangever, poging tot doodslag bewezen kan worden. Verdachte heeft [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) immers aangevallen met een scherp voorwerp en heeft hem daarbij geraakt in de halsstreek. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] het leven zou laten.

Ten aanzien van het onder 2 als tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat op basis van de verklaring van aangever in combinatie met de – in het dossier vervatte – foto’s van de kapotte autoruit kan worden bewezen dat verdachte deze autoruit heeft vernield.

4.1.2.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft de raadsvrouw – kort gezegd – algehele vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe primair aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er gestoken is. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat bij verdachte niet de opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft bestaan op de dood van [slachtoffer 1] noch op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met dien verstande dat verdachte partieel vrijgesproken dient te worden van het tweede gedachtestreepje, gelet op het vorengaande.

Ten aanzien van de onder 2, 3 primair, 4, 5 primair en 8 laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het onder 4 ten laste gelegde niet bewezen kan worden nu op basis van het dossier niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die de tas van [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) heeft weggenomen. Het onder 5 primair ten laste gelegde kan niet bewezen worden, omdat de verklaring van verdachte, te weten dat hij de bij hem aangetroffen bankpas op naam van [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) van [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) heeft gekregen niet onaannemelijk is. Dit gelet op de feiten dat [persoon 1] aanwezig was ten tijde van de aanhouding van verdachte, dat - met uitzondering van de pinpas - de gestolen spullen niet bij verdachte zijn aangetroffen en dat [persoon 1] heeft verklaard dat hij gedurende de tijd dat de beroving plaats vond, namelijk tussen 12.00 uur en 13.00 uur op 29 januari 2016, in de aanwezigheid van verdachte was.

Ten aanzien van de onder 3 subsidiair, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.1.3.1. Feiten 1 en 2

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat wel kan worden vastgesteld dat verdachte in de nek van [slachtoffer 1] heeft gestoken. De verklaring van [slachtoffer 1] wordt immers op essentiële punten ondersteund door de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] , het bij [slachtoffer 1] ontstane letsel en de bevindingen van het NFI. De verklaring van verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat hij – in tegenstelling tot wat hij eerder heeft verklaard – wel betrokken was bij het incident op 14 april 2016, maar slechts tegen de pols van [slachtoffer 1] heeft geslagen met een gaatjestang komt niet overeen met voornoemde verklaringen en vindt ook verder geen steun in het dossier. De rechtbank acht deze verklaring dan ook niet aannemelijk

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet

is bewezen dat verdachte met zijn handelen opzet heeft gehad op de levensberoving van [slachtoffer 1] , ook niet in voorwaardelijk zin. Hoewel uit het voorgaande en de - in de bijlage opgenomen - bewijsmiddelen volgt dat verdachte [slachtoffer 1] met een tang op zijn hoofd heeft geslagen en hem met een puntig voorwerp in zijn nek heeft geraakt, kan de rechtbank daaruit niet afleiden dat de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] daardoor had kunnen overlijden. De rechtbank komt tot dit oordeel gelet op de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld met welke kracht verdachte op [slachtoffer 1] heeft ingestoken en wat voor een voorwerp hij daarbij heeft gebruikt. Bovendien is het bij [slachtoffer 1] aangetroffen letsel van relatief geringe ernst. Evenmin is iets bekend omtrent de kracht waarmee [slachtoffer 1] op zijn hoofd is geslagen en het gewicht van de daarbij gebruikte tang. Verdachte zal dan ook van de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met het bewezenverklaarde slaan met een tang op het hoofd en steken met een puntig voorwerp in de nek van [slachtoffer 1] , wel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door zijn handelen [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen en acht daarom de onder 1 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen.

De rechtbank acht de onder 1 ten laste gelegde openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer 1] , eveneens bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht de onder 2 ten laste gelegde feiten niet bewezen, zodat verdachte van deze feiten dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting met een onvoldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de waxinelichthouder door verdachte door de autoruit van [slachtoffer 1] is gegooid.

4.1.3.2. Feiten 3, 4, 5, 6 en 8

Vrijspraak t.a.v. het onder 3 primair ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank de onder 3 primair ten laste gelegde straatroof niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring t.a.v. de onder 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 8 ten laste gelegde feiten

De rechtbank acht op basis van de gebruikte bewijsmiddelen en de navolgende overwegingen bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 8 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde is de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die aangeefster heeft bedreigd met geweld om zich haar tas toe te eigenen, en overweegt daartoe als volgt. Het dossier bevat stills waarop een persoon is te zien die de bewuste dag met een fiets het portiek van het flatgebouw binnenkomt en vervolgens bij [slachtoffer 3] in de lift stapt. Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij zichzelf herkent op deze stills. Voorts heeft [slachtoffer 3] verklaard dat de persoon die met de fiets het portiek binnenkwam en bij haar in de lift kwam staan, haar heeft beroofd, niet de persoon die al in de lift stond. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan deze verklaring te twijfelen en acht de verklaring van verdachte te weten, dat niet hij, maar de derde persoon in de lift aangeefster heeft beroofd dan ook ongeloofwaardig. Te meer nu uit het dossier blijkt dat deze derde persoon al op de tweede verdieping is uitgestapt terwijl verdachte en aangeefster op de zevende respectievelijk achtste verdieping zijn uitgestapt.

Voorts is de rechtbank ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde eveneens, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer 4] heeft beroofd. Uit de - in het dossier vervatte - beelden volgt immers dat verdachte, korte tijd nadat [slachtoffer 4] is beroofd, heeft gepind met haar pinpas. Hij kan daarmee rechtstreeks gelinkt worden aan de weggenomen ‘buit’. Daarnaast komt de omschrijving die [slachtoffer 4] van de dader heeft gegeven overeen met de omschrijving van verdachte op basis van de beelden, in het bijzonder de opvallende paarse trui die hij aan had.

4.2

Ten aanzien van zaak B

4.2.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder primair eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde, te weten de diefstal met geweld.

4.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte één van de daders van de beroving van [slachtoffer 7] (hierna [slachtoffer 7] ) is geweest. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de - in het dossier vervatte - stills van twee rennende mannen op het metrostation, locatie Bullewijk, onduidelijk zijn en bovendien op basis van deze stills niet kan worden vastgesteld dat deze twee mannen de daders zijn geweest. Al zou dit evenwel toch het geval zijn dan correspondeert de kleding die de mannen droegen niet met de kleding die verdachte later die dag droeg. Daarnaast heeft verdachte een verklaring afgelegd voor het feit dat hij de bewuste dag gebruik heeft gemaakt van de OV-chipkaart van [slachtoffer 7] , te weten dat hij de OV-chipkaart op naam van [slachtoffer 7] heeft gekregen van medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ).

4.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen primair ten laste is gelegd, diefstal met geweld, bewezen kan worden verklaard op grond van de bewijsmiddelen en neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Door [slachtoffer 7] is aangifte gedaan van een straatroof op metrostation Bullewijk om 07.30 uur door twee mannen, waarbij haar tas met onder andere haar mobiele telefoon en OV-chipkaart zijn weggegenomen. Het dossier bevat stills van camerabeelden gemaakt op dit metrostation. Een verbalisant heeft deze beelden uitgekeken en daarover gerelateerd dat twee mannen om 07.37 uur metrostation Bullewijk in rennen. De één trapt tegen het toegangspoortje, de ander rent erachteraan en één van deze twee mannen heeft een tas in zijn linkerhand. Gelet op de plaats, de genoemde tijdstippen en voornoemde bevindingen van de verbalisant stelt de rechtbank vast dat deze mannen de daders van de beroving van de tas van [slachtoffer 7] zijn. Voorts heeft [medeverdachte 1] verdachte op de stills herkend als de dader met de rode capuchon. En vice versa heeft verdachte [medeverdachte 1] herkend als de andere dader. Bovendien heeft verdachte dezelfde dag nog gebruik gemaakt van de OV-chipkaart van [slachtoffer 7] in soortgelijke kleding als de kleding die de dader droeg waarover [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het verdachte is (p. 33 e.v.). Gelet op het voorgaande in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat verdachte zich samen met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde straatroof.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht, op grond van de wettige bewijsmiddelen die in de bijlage zijn opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, bewezen dat verdachte

in zaak A:

ten aanzien van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde

op 14 april 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet naar voornoemde [slachtoffer 1] is toegegaan, waarna hij, verdachte, met een tang tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen en met een scherp en/of puntig voorwerp in de nek van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken;

ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde

op 14 april 2016 te Amsterdam openlijk, te weten aan de openbare weg het Montfoorthof , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit met een tang tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] slaan en met een scherp en/of puntig voorwerp in de nek van voornoemde [slachtoffer 1] steken en tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] schoppen;

ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde

op 8 januari 2016 te Amsterdam een bankpas op naam van [slachtoffer 2] heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen wist dat het een door diefstal verkregen goed betrof;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

op 16 januari 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas en een bankpas en identiteitspapieren en een portemonnee, toebehorende aan [slachtoffer 3] , welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, naar voornoemde [slachtoffer 3] is toegegaan en vervolgens een mes aan voornoemde [slachtoffer 3] heeft getoond en voornoemde tas heeft vastgepakt en voornoemde tas uit de handen van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gepakt;

ten aanzien van het onder 5 primair ten laste gelegde

op 29 januari 2016 te Amsterdam op de openbare weg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon (merk: Apple, type: Iphone 6S) en rijbewijs en bankpas op naam van [slachtoffer 4] en GVB pas, toebehorende aan [slachtoffer 4] , welke diefstal werd vergezeld van geweld gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij verdachte, voornoemde [slachtoffer 4] van achteren heeft benaderd en vervolgens voornoemde telefoon en rijbewijs en bankpas en GVB pas uit de hand van voornoemde [slachtoffer 4] heeft getrokken;

ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

hij op 8 januari 2016 en 29 januari 2016 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen, toebehorend aan [slachtoffer 2] , onderscheidenlijk [slachtoffer 4] , waarbij hij, verdachte, die geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde

op 15 maart 2016 te Amsterdam zich met geweld en bedreiging met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, [slachtoffer 8] en [slachtoffer 6] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening door zijn armen stijf te houden terwijl voornoemde [slachtoffer 8] en [slachtoffer 6] trachtten hem, verdachte, transportboeien om te leggen en voornoemde [slachtoffer 8] en [slachtoffer 6] de woorden toe te voegen: "Ik ga niet mee als jullie handboeien om doen. Ik ga wel zonder. Als jullie handboeien om doen ga ik met jullie vechten";

in zaak B:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde

op 28 mei 2015 te Amsterdam op de openbare weg, het Bullewijkpad , tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een handtas en een rijbewijs en een identiteitskaart en een mobiele telefoon en een bankpas, toebehorende aan [slachtoffer 7] , welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededader voornoemde [slachtoffer 7] bij haar nek hebben vastgepakt en een mes op de wang van voornoemde [slachtoffer 7] hebben gezet en voornoemde [slachtoffer 7] de volgende woorden hebben toegevoegd “Mevrouw” en “Je tas, je tas”, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en in zaak B bewezen geachte feiten, onder toepassing van het jeugdstrafrecht, zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd dat verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) en dat de vordering tenuitvoerlegging in verband daarmee wordt afgewezen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht om aan verdachte enkel een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het reclasseringstoezicht in het verleden nooit goed van de grond is gekomen en dat verdachte zich bereid heeft verklaard om deze keer mee te werken aan reclasseringstoezicht. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de PIJ-maatregel voorwaardelijk aan verdachte op te leggen. Dit omdat een terbeschikkingstelling met dwangverpleging gelet op de leeftijd van verdachte een te verstrekkende maatregel is, te meer nu de deskundigen niet eensluidend zijn in hun oordeel over wat er met verdachte dient te gebeuren.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1.

Straf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de toepassing van het jeugdstrafrecht niet meer aan de orde is. Ook niet, gelet op de ernst van het feit en de persoonlijkheid van verdachte, zoals hierna wordt overwogen, voor het in zaak B bewezenverklaarde, ofschoon verdachte toen nog niet de leeftijd van 18 jaren had bereikt.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich in een betrekkelijk korte periode schuldig gemaakt aan een reeks straatroven, een poging tot zware mishandeling, openlijke geweldpleging en wederspannigheid. Ten aanzien van de straatroven heeft verdachte op impulsieve en tegelijkertijd geraffineerde wijze gehandeld door de slachtoffers meerdere keren van achteren te benaderen om hen daarna met geweld en/of bedreiging met geweld te beroven van persoonlijke, kostbare, eigendommen. Het gewelddadige handelen van verdachte was gericht op geldelijk gewin, waarbij hij enkel oog heeft gehad voor zijn eigen behoeften en op geen manier rekening heeft gehouden met de mogelijke financiële en traumatische gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Zo volgt uit het dossier dat het slachtoffer van de straatroof van 28 mei 2015 als gevolg daarvan zo bang was geworden dat zij niet meer naar haar werk durfde te wandelen en daardoor genoodzaakt was om van werkplek te veranderen. Daarnaast hebben alle slachtoffers last ondervonden van de door verdachte gepleegde feiten doordat zij enkele tijd niet over belangrijke eigendommen zoals een telefoon, bankpassen en identiteitspapieren konden beschikken. Voorts leert de ervaring dat dergelijke gewelddadige misdrijven niet enkel nadelige gevolgen opleveren voor de slachtoffers maar ook een gevoel van onrust en onveiligheid in de samenleving teweegbrengen.

Ten aanzien van de poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging heeft verdachte letsel veroorzaakt bij het slachtoffer. Uit het dossier volgt dat het slachtoffer daardoor veel bloed heeft verloren en behandeld moest worden in het ziekenhuis. Verdachte heeft zonder noemenswaardige aanleiding de confrontatie gezocht met het slachtoffer en grof geweld gebruikt. Daarmee heeft hij een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de persoonlijke en fysieke integriteit van het slachtoffer.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich te verzetten tegen zijn aanhouding. Verdachte heeft door op deze manier te handelen overlast veroorzaakt en politieambtenaren belemmerd in de uitvoering van hun werk. Zij verrichten een publieke taak en dat dient te worden gerespecteerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de strafoplegging rekening te houden met het door de raadsvrouw gestelde geweld dat bij de aanhouding is gebruikt.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte nauwelijks inzicht heeft getoond in het verwerpelijke karakter van zijn handelen. Door zijn proceshouding heeft de verdachte ook naar de slachtoffers toe geen enkele blijk ervan gegeven in te zien welke gevolgen zij van zijn handelen hebben ondervonden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat verdachte in 2015 eerder voor gewelds- en vermogensdelicten is veroordeeld door de kinderrechter te Amsterdam. Verder is verdachtes voorlopige hechtenis in enkele van de onderhavige zaken onder voorwaarden geschorst, terwijl hij telkens de voorwaarden heeft overtreden door nieuwe strafbare feiten te plegen en zich niet aan de afspraken te houden.

Het voorgaande rechtvaardigt in beginsel een jarenlange gevangenisstraf. De rechtbank houdt echter sterk rekening met de hierna te noemen maatregel en zal de straf beperken tot twaalf maanden.

8.3.2.

Maatregel

- De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van verdachte kennis genomen van een klinisch multidisciplinair onderzoeksrapport van 31 oktober 2016, opgesteld door T. Smits (hierna: Smits), GZ-psycholoog en B.G.J. Gunnewijk (hierna: Gunnewijk), kinder- en jeugdpsychiater.

Tevens heeft de rechtbank onder meer kennis genomen van het reclasseringsadvies opgemaakt door H.J.W. van der Geest van 24 februari 2017.

Uit de dubbelrapportage van 31 oktober 2016 blijkt het volgende:

Gedurende het onderzoek heeft verdachte beperkt meegewerkt.

Desondanks hebben de onderzoekers op basis van een lang bestaand gedragspatroon bij verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis gediagnosticeerd en kan er op basis van klinische indrukken, schoolresultaten en eerder intelligentieonderzoek gesproken worden van zwakbegaafdheid, waardoor een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij verdachte geconstateerd is. Tevens hebben zij voldoende aanwijzingen gevonden om te kunnen spreken van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van cannabismisbruik. De antisociale persoonlijkheidsstoornis en de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens waren aanwezig ten tijde van de aan verdachte ten laste gelegde feiten en er was heel waarschijnlijk sprake van de ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van cannabismisbruik.

Ondanks dat de onderzoekers nog een aantal vragen hebben rondom de diagnostiek (cannabisafhankelijkheid) en zij de agressieproblematiek van verdachte niet volledig in kaart hebben kunnen brengen, zijn zij van mening dat de zichtbare gedragspatronen binnen zijn persoonlijkheidspathologie dusdanig hardnekkig zijn dat dit de kans op geweldsrecidive aanzienlijk verhoogt. Met name zijn gebrekkige frustratietolerantie, de lacunaire gewetensfuncties en het streven naar eigen behoeftebevrediging (instrumenteel gewin) zijn belangrijke recidivekans verhogende factoren. Hierbij is een aantal kenmerken van psychopathie zichtbaar, hetgeen de kans op herhaling van delict gedrag ook vergroot. Een aantal omgevingsfactoren - zoals deze de afgelopen jaren aanwezig zijn geweest - is ongunstig: de inconsequente en verwennende opvoedingsstijl, de vriendengroep waar verdachte mee optrekt, de achterstandswijk waar zij zich in bewegen en het gebrek aan een daginvulling. Dit, tezamen met een gebrek aan ziektebesef en inzicht, de zelfbepalende en moeilijk te beïnvloeden houding van verdachte, wat zich ook uit in een beperkt gebleken responsiviteit op behandeling, vergroot de kans op recidive. De onderzoekers stellen dat - als het recidiverisico te beperken is door behandeling - een langdurig gedwongen kader nog enige kans van slagen biedt. Interventies gericht op verdachtes negatieve gedragspatroon van handelen zijn dan nodig om het in positieve zin te kunnen beïnvloeden.

Door de weigering van verdachte kon niet afdoende onderzocht worden in hoeverre hij leerbaar of nog pedagogisch te beïnvloeden is. Wel is duidelijk dat hij zich in het verleden en ook in het

huidige onderzoek nauwelijks toegankelijk getoond heeft voor interventies. De hardnekkigheid van het patroon, dus in hoeverre deze in zijn persoonlijkheid verankerd is, is doorslaggevend in de afweging of hij voor het jeugdstrafrecht of volwassenenstrafrecht in aanmerking komt.

Volgens de ASR-wegingslijst zijn er enige indicaties die pleiten voor toepassing van het minderjarigenstrafrecht, namelijk de beperking op zijn handelingsvaardigheden vanuit zijn zwakbegaafdheid. Het is gebleken dat verdachte moeite heeft zijn gedrag (als er geen structuur geboden wordt) te organiseren. De vraag is echter of verdachte nog kan profiteren van pedagogische beïnvloeding die, ook al is deze nodig, tot op heden niet haalbaar is gebleken. Los van deze beperkte indicatie voldoet verdachte echter aan alle contra-indicaties, namelijk een patroon van antisociaal gedrag, psychopathische trekken, mislukken van eerdere justitiële sancties, niet onder de indruk zijn van justitiële autoriteiten en ingebed zijn in een crimineel milieu. Dit leidt ertoe dat het jeugdstrafrecht niet langer aangewezen lijkt en ondersteunt het sterke vermoeden dat zijn problematiek inmiddels te verankerd is voor een PIJ-maatregel.

De onderzoekers concluderen in het rapport dat zij de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) hebben overwogen, maar dat zij in het volwassenenstrafrecht niet tot een behandeladvies komen omdat zij de mate van doorwerking van de stoornissen van verdachte in de ten laste gelegde feiten niet kunnen vaststellen.

De onderzoekers hebben ter terechtzitting een toelichting gegeven op het rapport.

Deskundige Gunnewijk acht een langdurige klinische behandeling in een gedwongen kader nog steeds nodig om de gedragspatronen van verdachte te doorbreken. Met name gelet op zijn sterke antisociale ontwikkeling kan deze behandeling beter in het kader van volwassenenstrafrecht plaatsvinden. Daarbij komt dat verdachte bij het opleggen van een PIJ-maatregel een ontwrichtende werking kan hebben op andere jongeren in de instelling. Indien de feiten bewezen worden adviseert Gunnewijk daarom TBS met dwangverpleging.

Deskundige Smits is eveneens van mening dat een klinische behandeling in een gedwongen kader noodzakelijk is om het risico op recidive te beperken. Zij handhaaft echter haar conclusie uit het rapport en onthoudt zich van een advies.

Voorts heeft reclasseringsmedewerkster, [medewerker jeugdreclassering] , werkzaam bij de William Schrikker Groep, die verdachte in het verleden lange tijd heeft begeleid, ter terechtzitting geadviseerd om verdachte klinisch te behandelen op een gesloten afdeling. Binnen het ambulante kader zijn de behandelmogelijkheden voor verdachte uitgeput. Indien hij enkel wordt afgestraft is de kans op recidive gigantisch hoog.

De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en psycholoog over dat bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en cannabismisbruik, alsmede van zwakbegaafdheid. Daarnaast baart het de rechtbank zorgen dat sprake is van kenmerken van psychopathie bij verdachte. Gelet op de inhoud van voornoemde rapportages en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de ernst van de stoornis, het hoog ingeschatte recidiverisico op soortgelijke (gewelddadige) delicten en het gebrek aan zelfinzicht bij verdachte, alsmede het telkens mislukken van interventies en hulpverleningstrajecten in het verleden, ook hangende onderhavige strafzaken, acht de rechtbank met de deskundigen een langdurige klinische behandeling in een gedwongen kader noodzakelijk voor verdachte. Een minder vergaande maatregel is ontoereikend ter bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen. De rechtbank acht het onverantwoord om verdachte zonder behandeling in de maatschappij te laten terugkeren.

Verdachte is weliswaar jong maar uit het voorgaande komt duidelijk naar voren dat gelet op de persoonlijkheid van verdachte en de ernst van de feiten, jeugdstrafrecht een gepasseerd station is, en de toepassing daarvan zowel verdachte als de samenleving niet ten goede komt. De eerdere straffen en (pogingen tot) behandeling van verdachte binnen een pedagogisch kader hebben immers geen effect gehad.

Het voorgaande leidt tot het oordeel van de rechtbank dat niet alleen kan worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar dat de maatregel van ter beschikking stelling met dwangverpleging passend en geboden is om verdachte in de toekomst ervan te weerhouden gewelddadig strafbare feiten te plegen.

8.3.3.

Conclusie

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van 12 maanden opleggen.

Verdachte dient op grond van het vorenstaande te worden ter beschikking gesteld en van overheidswege te worden verpleegd, mede aangezien de bewezen geachte feiten, met uitzondering van het bewezen geachte feit in zaak A onder 8, misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van die maatregel eist.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat de in zaak A onder 1, 4, 5, en 8 en in zaak B bewezen geachte feiten misdrijven betreft die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 3] , niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank - anders dan de raadsvrouw heeft betoogd - komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit 4 rechtstreeks schade heeft geleden en zij deze schade voldoende heeft gespecificeerd. De rechtbank zal deze schade ter hoogte van een bedrag van € 50,- (vijftig euro) toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 16 januari 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 3] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

9.2.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 4]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van
[slachtoffer 4] , niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank – anders dan de raadsvrouw heeft betoogd - komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit 5 rechtstreeks schade heeft geleden en deze schade voldoende heeft gespecificeerd. De rechtbank zal deze schade ter hoogte van een bedrag van € 876,25 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 29 januari 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 4] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9.3.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van
[slachtoffer 2] , niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank – anders dan de raadsvrouw heeft betoogd - komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit 3 rechtstreeks schade heeft geleden en deze schade voldoende heeft gespecificeerd. Nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van de primair ten laste gelegde diefstal zal zij de vordering alleen ten behoeve van het aanvragen van een nieuwe pinpas toewijzen. De rechtbank zal daarom de schade ter hoogte van een bedrag van € 9,75 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 18 januari 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening, toewijzen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 2] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 17 augustus 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/095848-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 12 juni 2015 van de kinderrechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Uit de stukken blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte is toegezonden.

Hoewel is gebleken dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, acht de rechtbank tenuitvoerlegging niet opportuun, gelet op de aan verdachte op te leggen maatregel. De rechtbank zal de vordering afwijzen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 43a, 45, 55, 57, 77b, 141, 180, 302, 311, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het in zaak A onder 7 ten laste gelegde.

Verklaart de in zaak A onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag, en het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de in zaak A onder 1 eerste en tweede cumulatief/ alternatief, 3 subsidiair, 4, 5 primair, 6, 8 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart eveneens bewezen dat verdachte het in zaak B primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/ alternatief ten laste gelegde

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde

opzetheling;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

ten aanzien van het onder 5 primair ten laste gelegde

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg;

ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde

wederspannigheid;

ten aanzien van in zaak B ten laste gelegde

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg, gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een eerdere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 50,- (vijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 16 januari 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 50,- (vijftig euro) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 1 dag. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 4], toe tot een bedrag van € 876,25 (achthonderd en zesenzeventig euro en vijfentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 29 januari 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat te betalen een bedrag van € 876,25 (achthonderd en zesenzeventig euro en vijfentwintig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 17 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Wijst de vordering van [slachtoffer 2], toe tot een bedrag van € 9,75 (negen euro en vijfenzeventig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 18 januari 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening, toewijzen.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 9,75 (negen euro en vijfenzeventig cent) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 1 dag. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. B.E. Mildner en S. van Eunen, (kinder)rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Bouwman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 maart 2017.