Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1740

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
13/195472-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De politierechter kwalificeert bespugen als mishandeling en gaat daarbij uit van het criterium “elke (hevig) onlust opwekkende gewaarwording in of aan het lichaam” zoals voor het eerst geformuleerd door de Hoge Raad in 1929. In moderner taalgebruik is dit criterium te omschrijven als “een zeer onaangename fysieke ervaring”.

Vol in het gezicht spugen is voor degene die bespuugd wordt een zeer onaangename fysieke ervaring. De politierechter acht de feitelijke omstandigheden en de context tevens van belang voor de vraag of (objectiveerbaar) is vast te stellen of het een zeer onaangename fysieke ervaring was voor degene die bespuugd werd. In dit geval heeft verdachte vol in het gezicht gespuugd op een korte afstand terwijl het slachtoffer geen kant op kon.

De politierechter is van oordeel dat de intentie van degene die spuugt niet een doorslaggevende rol speelt bij de vraag of een gedraging als mishandeling is te beschouwen, nu de ervaring van degene die bespuugd wordt centraal staat bij de toets die de Hoge Raad daarvoor aanlegt. Ook de wetsgeschiedenis van artikel 300 Wetboek van Strafrecht geeft geen aanleiding om de intentie van de dader als doorslaggevend te beschouwen voor de vraag of een gedraging als mishandeling is te kwalificeren.

Overigens sluit het feit dat vol in het gezicht spugen als mishandeling kan worden aangemerkt niet uit dat het tevens als beledigend kan worden ervaren (hetgeen ook voor andere soorten van mishandeling geldt).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/100
PS-Updates.nl 2017-0265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/195472-16

Datum uitspraak: 2 maart 2017

Op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de politierechter Amsterdam, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Ierland) op [geboortedatum] 1992,

wonende op het adres [adres] , [plaats] .

De politierechter doet schriftelijk uitspraak naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 maart 2017.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 23 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon] heeft mishandeld door een of meermalen in het gezicht, in elk geval op het lichaam, van die [persoon] te spugen;

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [persoon] in het openbaar en/of in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in het gezicht, in elk geval op het lichaam, van die [persoon] te spugen;

(art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op of omstreeks 23 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam vervoersbedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, een of meermalen met zijn, verdachtes, handen een (grijpende) beweging heeft gemaakt in de richting van de geldcassette en/of de arm(en) en/of hand(en) van [persoon] (buschauffeur [naam vervoersbedrijf] ) van de geldcassette heeft weggeduwd;

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2 Voorvragen

(…)

3 Waardering van het bewijs

Standpunt verdediging

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Voor een bewezenverklaring van mishandeling is pijn en/of letsel vereist. In geval van spugen kan niet worden gesteld dat er bij de chauffeur pijn dan wel letsel is ontstaan. Verdachte wilde op de grond spugen. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij de chauffeur ‘terug wilde beledigen’. Uit het schade-onderbouwingsformulier blijkt dat de chauffeur het spugen als beledigend heeft ervaren. Dit kan niet worden gekwalificeerd als psychisch leed in de zin van ‘een hevige onlust veroorzakende gewaarwording’. In de jurisprudentie wordt spugen voornamelijk als belediging gekwalificeerd. Wanneer willekeurige personen worden bespuugd kan een dergelijk handelen door die personen als mishandeling worden ervaren, omdat zij geen relatie hebben met de spuger en niet begrijpen waarom hen dit wordt aangedaan. In de onderhavige zaak is dit niet het geval. Er was sprake van een discussie tussen verdachte en de chauffeur.

Verdachte heeft zich niet netjes gedragen maar de chauffeur heeft zich op zijn beurt ook niet professioneel gedragen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de politierechter ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Verdachte had geen opzet op het stelen. Hij wilde slechts zijn door hem ten onrechte betaalde geld uit de kassa halen. Het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening van de gehele inhoud van de kassalade ontbreekt. Daarom dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken.

ten aanzien van de vordering benadeelde partij

De vordering moet aanzienlijk worden gematigd aangezien de chauffeur zelf ook beledigende woorden heeft geuit in de richting van verdachte. De materiële schade staat in een te ver verband met het ten laste gelegde feit en kan niet aan verdachte worden toegerekend.

Standpunt openbaar ministerie

In het dossier zijn voldoende bewijsmiddelen om beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren: de aangifte van de buschauffeur, het proces-verbaal van bevindingen waarin wordt beschreven wat op de camerabeelden is te zien, het proces-verbaal van het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en tot slot het proces-verbaal van het horen van verdachte.

Met verwijzing naar de jurisprudentie kan in dit geval het spugen gekwalificeerd worden als mishandeling. De Hoge Raad heeft immers beslist dat onder mishandeling mede is te verstaan elke (hevig) onlust opwekkende gewaarwording in of aan het lichaam. Wanneer iemand wordt bespuugd, wekt dit zonder twijfel een gevoel van onlust op door de lichamelijke gewaarwording van spuug op het lichaam. En temeer nu de spuug in het gezicht terecht kwam, waar zich immers een aantal lichaamsopeningen bevindt.

De intentie van de spuger is hierbij niet van doorslaggevend belang, de beleving van het slachtoffer juist te meer.

ten aanzien van de vordering benadeelde partij

De vordering vormt geen onevenredige benadeling van het strafproces en is bovendien voldoende onderbouwd, zodat toewijsbaar is € 204,- als immateriële schadevergoeding en
€ 98,17 als materiële schade, te weten gederfde toeslag in verband met bijzonder verlof.

Oordeel politierechter

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de buschauffeur [persoon] in diens gezicht heeft gespuugd. De politierechter kwalificeert dit als mishandeling en gaat daarbij uit van het criterium “elke (hevig) onlust opwekkende gewaarwording in of aan het lichaam” zoals voor het eerst geformuleerd door de Hoge Raad in 1929. In moderner taalgebruik is dit criterium te omschrijven als “een zeer onaangename fysieke ervaring”. Vol in het gezicht spugen is voor degene die bespuugd wordt een zeer onaangename fysieke ervaring. [persoon] spreekt hier ook over in zijn aangifte en zijn verklaring als benadeelde partij. Hij beschrijft dat hij zich geruime tijd heel vies voelde en het vervelend vond dat hij pas aan het einde van zijn busrit zijn gezicht kon wassen. De politierechter acht de feitelijke omstandigheden en de context tevens van belang voor de vraag of (objectiveerbaar) is vast te stellen of het een zeer onaangename fysieke ervaring was voor degene die bespuugd werd. In dit geval heeft verdachte [persoon] vol in het gezicht gespuugd op een korte afstand terwijl [persoon] op zijn chauffeursstoel zat en geen kant op kon. Dit gebeurde nadat tussen hen een woordenwisseling was ontstaan en verdachte geprobeerd had geld uit de kassalade te pakken. Dit maakt dat het in het gezicht spugen is aan te merken als mishandeling als bedoeld in artikel 300 Wetboek van Strafrecht.

De politierechter is van oordeel dat de intentie van degene die spuugt niet een doorslaggevende rol speelt bij de vraag of een gedraging als mishandeling is te beschouwen, nu de ervaring van degene die bespuugd wordt centraal staat bij de toets die de Hoge Raad daarvoor aanlegt. Ook de wetsgeschiedenis van artikel 300 Wetboek van Strafrecht geeft geen aanleiding om de intentie van de dader als doorslaggevend te beschouwen voor de vraag of een gedraging als mishandeling is te kwalificeren. Overigens sluit het feit dat vol in het gezicht spugen als mishandeling kan worden aangemerkt niet uit dat het tevens als beledigend kan worden ervaren (hetgeen ook voor andere soorten van mishandeling geldt).

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Zowel verdachte zelf als de getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte geld uit de kassa probeerde te pakken. Dat is een poging tot diefstal.

4 Het bewijs

De politierechter grondt zijn beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en de maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf van 60 uren alsmede tot het betalen van de geleden schade aan de benadeelde partij, met daarbij de maatregel van schadevergoeding.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich, nadat hij door de chauffeur was gewezen op het feit dat hij moest inchecken of een los kaartje kopen, zeer onbeschoft gedragen tegenover de buschauffeur, die alleen maar zijn werk deed. Tijdens de ontstane woordenwisseling heeft verdachte de chauffeur in zijn gezicht gespuugd en een greep in de kassa gedaan. Mensen in een publieke functie zijn extra kwetsbaar.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij,

[persoon] , geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De politierechter waardeert deze op een bedrag van € 302,17 (driehonderdentwee euro en zeventien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het ontstaan van de schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voormelde schade bestaat uit € 204,- aan immateriële schade en € 98,17 aan materiële schade.Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 45, 57, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht

De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

De politierechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

mishandeling

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

poging tot diefstal

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 60 uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.

Veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf van 1 week.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als de verdachte zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon] , toe tot een bedrag van € 302,17 (driehonderdentwee euro en zeventien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het ontstaan van de schade.

Veroordeelt verdachte aan [persoon] , voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij

[persoon] , te betalen de som van € 302,17 (driehonderdentwee euro en zeventien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het ontstaan van de schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Vaandrager, politierechter,

en F. Suman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze politierechter van 2 maart 2017.