Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1739

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
13/751642-16
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering aan het Verenigd Koninkrijk deels toegestaan, deels geweigerd.

De opgeëiste persoon is in Groot Brittannië ontvlucht uit de gevangenis waar hij een straf voor geweldsdelicten uitzat. De overlevering wordt verzocht voor de verdere tenuitvoerlegging van die straf én voor vervolging van het naar Brits recht strafbare feit ‘escape from lawful custody’. In Nederland is ‘ontsnappen’ geen strafbaar feit en hiervoor wordt de overlevering geweigerd. Voor het verdere uitzitten van de straf wordt zij toegestaan.

Namens de opgeëiste persoon is een beroep gedaan op artikel 6, vijfde lid Overleveringswet. Bovendien is gesteld dat de uitvaardigende lidstaat geen belang meer heeft bij de overlevering.

De rechtbank oordeelt als volgt:

De opgeëiste persoon heeft aangetoond dat hij nu reeds beschikt over een zekere mate van integratie in de Nederlandse samenleving, maar dit is onvoldoende om het op basis van het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2009, C 123/08 (het ‘Wolzenburg’-arrest) geformuleerde vereiste opzij te zetten.

Dat het Verenigd Koninkrijk geen belang meer zou hebben bij de verzochte overlevering wordt weersproken door het feit dat een EAB is uitgevaardigd door een Britse justitiële autoriteit en dat dit EAB gehandhaafd is. Bovendien ziet het EAB niet alleen op (verdere) tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf maar ook op de vervolging ter zake van een strafbaar feit. Dat voor dit laatste feit de overlevering wordt geweigerd doet daar niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751642-16

RK nummer: 16/8339

Datum uitspraak: 9 maart 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 december 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 5 augustus 2016 door the Justice of the Peace (Magistrates’ Court) sitting at Northampton Magistrates’ Court (Verenigd Koninkrijk) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk) op [geboortedag] 1984,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[GBA-adres] ,
gedetineerd in het Justitieel Complex [locatie te plaats] ,

hierna te noemen ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 februari 2017. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Engelse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot 23 februari 2017, 09:00 uur omdat
mr. R.M.F.R. Ketwaru, raadsman van de opgeëiste persoon, wegens ziekte de opgeëiste persoon niet kon bijstaan.

Op 23 februari 2017 heeft de rechtbank het onderzoek voortgezet en de officier van justitie

mr. U.E.A Weitzel, de opgeëiste persoon en zijn raadsman gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Engelse taal.

De rechtbank heeft op 23 februari 2017 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon opnieuw onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Britse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van

1. een arrestatiebevel (‘a warrant of arrest at first instance’) van 17 mei 2016 uitgevaardigd door the Southern Derbyshire Magistrates’ Court met betrekking tot een offence of escape from lawful custody.

2. een vonnis van the Leicester Crown Court van 30 november 2009 waarbij bewezen is verklaard ‘conspiracy to cause grievous bodily harm with intent’ en waarbij ten aanzien van de opgeëiste persoon op 4 maart 2010 de straf is vastgesteld, zijnde gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en acht maanden.
(Indictment number T20097086);

3. een vonnis van the Chichester Crown Court van 5 maart 2010, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden wegens het misdrijf ‘inflicting grievous bodily harm’.
(Indictment number T20097116).

1: De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbaar feit, te weten ‘the offence of escape from lawful custody’.

2, 3: De overlevering wordt voorts verzocht ten behoeve van de (verdere) tenuitvoerlegging van de twee genoemde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Volgens het EAB moeten er in totaal nog 388 dagen worden uitgezeten.

Omdat in het EAB ook gemeld wordt dat er op het moment dat de opgeëiste persoon uit de gevangenis ontsnapte en zich aan verdere tenuitvoerlegging van de straf onttrok, nog een reststraf van 1370 dagen overbleef, heeft het IRC hierover informatie ingewonnen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.

[persoon 1] , Officer bij Sirene UK National Crime Agency heeft in een e-mail van 26 januari 2017 bevestigd dat er nog 388 dagen effectief moeten worden uitgezeten.

Het strafrechtelijk onderzoek betreft het feit zoals dat als volgt staat omschreven in onderdeel e) van het EAB:

Escape from Lawful Custody:

On 4th March 2010 [opgeëiste persoon] was sentenced to 6 years and 8 months imprisonment. On 4th May 2012 he was transferred to [naam gevangenis] at [plaats] .
This is an Open Prison. On 14th June 2012 at 20:30 hours a roll call was conducted and [opgeëiste persoon] was recorded as present. On l5th June 2012 at 08:30 hours a further roll call was conducted and [opgeëiste persoon] was not accounted for.

[opgeëiste persoon] was found to have absconded from the prison overnight. He did not have permission or authority to be absent from the prison and had escaped from lawful custody.
At the time [opgeëiste persoon] absconded from [naam gevangenis] [plaats] he had 1370 days of the sentence remaining.

De twee vonnissen betreffen de feiten zoals die als volgt staan omschreven in onderdeel e) van het EAB:

Conspiracy to cause Grievous Bodily Harm with Intent:

In the early hours of 30th December 2008 [persoon 2] was with his friends in [een pub] In Hinckley. Around 03:15 hours he was leaving the pub when he noticed that a fight was taking place. As he used his phone to call the emergency service for help, these present ran at him and in trying to get away [persoon 2] fell to the floor where he was repeatedly kicking and struck to the body before he was able to get up and run away. [opgeëiste persoon] was amongst those who chased [persoon 2] and assaulted him whilst he was on the ground. [persoon 2] sustained bruises, a swollen lip and cuts to the back of his head and his elbows.

lnflicting Grievous Bodily Harm:

On the evening of l4th August 2009 the victim [persoon 3] was with his friends drinking alcohol. Having visited a number of public houses, they returned to the home of one of the party to continue drinking. [opgeëiste persoon] was amongst the party, as was his girlfriend [persoon 4] . [persoon 3] woke the following morning to find one of the females drawing on his face and in getting up, he accidently struck [persoon 4] .
[opgeëiste persoon] accused [persoon 3] of hitting his girlfriend which [persoon 3] denied and left the address. [persoon 3] subsequently telephoned [opgeëiste persoon] to explain but [opgeëiste persoon]

threatened [persoon 3] , saying he was a dead man. A few minutes after the call, [opgeëiste persoon] attended at [persoon 3] ’s home address and ordered [persoon 3] upstairs. [opgeëiste persoon] punched [persoon 3] to the right eye, removed his shirt and goaded [persoon 3] to hit him
punched [persoon 3] to the face several more times before leaving, threatening “this ain’t over not by a long shot, if I had a knife you’d be dead, don’t walk down any dark alleys at night” As a result of the assault, [persoon 3] sustained multiple fractures to his jaw.

Uit eerdergenoemde e-mail van 26 januari 2017 blijkt dat ook voor dit laatste feit als pleegplaats geldt Hinckley, graafschap Leicestershire.

4. Strafbaarheid

4.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten, aangeduid als ‘conspiracy to cause grievous bodily harm with intent’ en ‘inflicting grievous bodily harm’, waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Deze feiten vallen op deze lijst onder nummer 14, te weten: moord en doodslag, zware mishandeling

4.2

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit, aangeduid als ‘escape from lawful custody’ niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat het feit waarvoor de opgeëiste persoon naar Brits recht kan worden vervolgd, naar Nederlands recht niet strafbaar is en zal de verzochte overlevering voor dit feit weigeren.

5 Een beroep op artikel 6, lid 5 OLW

Standpunt raadsman
De opgeëiste persoon dient gelijk gesteld te worden met een Nederlander en kan om die reden niet worden overgeleverd. Hij heeft duurzaam verblijf in Nederland en kan als ingezetene met een Nederlander gelijkgesteld worden. Bovendien heeft het Verenigd Koninkrijk er geen belang meer bij dat de straf aldaar ten uitvoer wordt gelegd.
De raadsman heeft verwezen naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 juli 2008, C-66/08 en van 5 september 2012, C 42/11.

Standpunt officier van justitie

De opgeëiste persoon komt niet in aanmerking voor gelijkstelling. Daarvoor zou hij, als burger van de Europese Unie, vijf jaar ononderbroken en rechtmatig verblijf in Nederland moeten hebben. Dit is de invulling van het arrest van datzelfde Hof van 6 oktober 2009, C 123/08.


Oordeel rechtbank

Onder verwijzing naar haar uitspraak van 25 juni 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:3852 overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van artikel 6, tweede lid, OLW wordt de overlevering van een Nederlander niet toegestaan, indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.
Artikel 6, vijfde lid, OLW stelt voor de toepassing van artikel 6, tweede lid en derde lid, OLW op een vreemdeling de volgende - cumulatieve - voorwaarden:

1. deze vreemdeling is in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

2. deze vreemdeling kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen en

3. ten aanzien van deze vreemdeling bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Deze bepaling is ook van toepassing, indien het EAB strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf (Rb. Amsterdam 23 januari 2007, LJN AZ7032).

Bij de toepassing van artikel 6, vijfde lid, OLW op vreemdelingen die onderdaan zijn van een andere lidstaat van de Europese Unie, zoals de opgeëiste persoon, heeft de rechtbank de eerste voorwaarde van artikel 6, vijfde lid, OLW kaderbesluitconform uitgelegd.
De rechtbank hanteert in plaats van het vereiste van het bezit van een formele vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd (en afgezien van de overige in dat artikellid vermelde criteria), als criteria de materiële voorwaarden om voor een dergelijke vergunning in aanmerking te komen. Uitzonderingen daargelaten is de belangrijkste materiële voorwaarde een ononderbroken en rechtmatig verblijf in Nederland van ten minste vijf jaren (zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 2 december 2009, LJN BK5504).

De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon aan deze laatste voorwaarde niet voldoet.
De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij sinds augustus 2015 in Nederland woont en hier staat ingeschreven.

De opgeëiste persoon heeft aangetoond dat hij nu reeds beschikt over een zekere mate van integratie in de Nederlandse samenleving, maar dit is onvoldoende om het op basis van het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2009, C 123/08 (het ‘Wolzenburg’-arrest) geformuleerde vereiste opzij te zetten.

Dat het Verenigd Koninkrijk geen belang meer zou hebben bij de verzochte overlevering wordt weersproken door het feit dat een EAB is uitgevaardigd door een Britse justitiële autoriteit en dat dit EAB gehandhaafd is. Bovendien ziet het EAB niet alleen op (verdere) tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf maar ook op de vervolging ter zake van een strafbaar feit. Dat voor dit laatste feit de overlevering wordt geweigerd doet daar niet aan af.

8 Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten 2 en 3 waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Justice of the Peace (Magistrates’ Court) sitting at Northampton Magistrates’ Court (Verenigd Koninkrijk) ten behoeve van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beide vrijheidsstraffen – in totaal 388 dagen – , te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, die zijn opgelegd wegens a) conspiracy to cause grievous bodily harm with intent en b) inflicting grievous bodily harm.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het feit omschreven als ‘escape from lawful custody’.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. J. Edgar en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 9 maart 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.