Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:173

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3914
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

tussenuitspraak / gelijkheidsbeginsel / onvoldoende gemotiveerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/3914

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.R. Koppe),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2015 (het primaire besluit) heeft de woningcorporatie [naam] de aanvraag van eiser om een semi-stadsvernieuwingsurgentie afgewezen.

Bij besluit van 2 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

Eiser is geboren op [geboortedatum] en woont samen met zijn ouders op het adres Juliana van [adres] te [woonplaats] . In verband met renovatieplannen van de woningcorporatie [naam] (hierna: [naam] ) voor het complex [naam] , waar het adres van eiser onder valt, heeft [naam] een aanvraag voor een peildatum ingediend. Dit omdat de renovatiewerkzaamheden dusdanig ingrijpend zijn dat het niet in bewoonde staat kan plaatsvinden. Bij besluit van 14 juli 2014 heeft verweerder de peildatum vastgesteld op 1 juli 2014, waarin is opgenomen dat de renovatie volgens de planning zal aanvangen in januari 2016.

1.2

In verband met de geplande renovatie heeft eiser [naam] op 21 december 2016 verzocht om een semi-stadsvernieuwingsurgentie. Bij het primaire besluit heeft [naam] deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij ten tijde van de peildatum de leeftijd van 23 jaar dient te hebben bereikt.

1.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft vastgesteld dat het peildatumbesluit in rechte vaststaat en eiser anderhalf jaar na het nemen van dit besluit een aanvraag heeft ingediend, waardoor zijn aanvraag niet inhoudelijk beantwoord had hoeven te worden. Verder geldt voor het kunnen verkrijgen van een semi-stadsvernieuwingsurgentie onder andere de eis dat de aanvrager 23 jaar of ouder moet zijn en dat was eiser niet op het moment van het peildatumbesluit. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt volgens verweerder niet, omdat geen sprake is van identieke gevallen. In het verleden heeft een andere leeftijdsgrens gegolden. In juli 2014 gold een leeftijdsgrens van 23 jaar en in het jaar 2008 heeft, anders dan uit de door eiser overgelegde verklaringen blijkt, nooit een leeftijd voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie gegolden voor kinderen van 15 of 17 jaar. Ten slotte heeft verweerder geen aanleiding gezien om op grond van de hardheidsclausule een uitzondering op de regels te rechtvaardigen.

Wettelijk kader

2.1

Per 1 januari 2016 is de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (hierna: de Huisvestingsverordening) van kracht. Daarnaast gelden de Beleidsregels woonruimteverdeling en woonruimtevoorraad Amsterdam 2016, waarvan de beleidsregel wonen zonder huisvestingsvergunning bij sloop of verbetering (hierna: de Beleidsregels) een onderdeel is. Er is geen overgangsrecht opgenomen voor aanvragen die vóór 1 januari 2016 zijn ingediend of voor beslissingen op bezwaar tegen besluiten die vóór 1 januari 2016 zijn genomen. Op deze zaak is dan ook de thans geldende Huisvestingsverordening van toepassing.

2.2

Op grond van artikel 2.6.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening kan een urgentieverklaring worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.6.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager een woningzoekenden is waarvan de huidige woonruimte behoort tot een door burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid aangewezen complex.

2.3

Op grond van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders complexen aanwijzen waarvan de bewoners in verband met sloop of ingrijpende renovatie of herstructurering van het gebied waarin de complexen zijn gelegen, redelijkerwijs binnen twee jaar niet meer in hun huidige woonruimte kunnen blijven wonen. Burgemeester en wethouders stellen daarbij een datum vast met ingang waarvan de bewoners van de aangewezen complexen een SV-urgentieverklaring kunnen aanvragen.

2.4

Volgens de Beleidsregels – voor zover relevant – komt een thuiswonend kind in aanmerking voor vervangende huisvesting als semi-stadsvernieuwingsurgentie indien de woonduur op de peildatum meer dan 5 jaar is en de leeftijd 23 jaar of ouder is.

2.5

Op grond van artikel 2.6.11, eerste lid, van de Huisvestingsverordening is verweerder bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien een weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de Huisvestingsverordening onvoorziene, omstandigheden die, gelet op het doel van de Huisvestingsverordening, redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring kunnen zijn.

Beoordeling

3.1

Eiser heeft niet betwist dat hij niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie, maar heeft aangevoerd dat hem desalniettemin op grond van het gelijkheidsbeginsel een semi-stadsvernieuwingsurgentie dient te worden verstrekt. Hij heeft schriftelijke verklaringen van drie personen overgelegd waaruit blijkt dat zij wel een semi-stadsvernieuwingsurgentie van verweerder hebben gekregen, ondanks dat zij ook niet aan de destijds geldende leeftijdscriteria voldeden en meer dan zes maanden na de peildatum een verzoek daartoe hebben ingediend. Eiser voert aan dat het bestreden besluit niet rust op een deugdelijke motivering voor wat betreft eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting heeft eiser een aanvullende verklaring van [naam] overhandigd waarin staat dat hij samen met zijn ouders en broertje in een vierkamerwoning woonden en zijn ouders zijn verhuisd naar wederom een vierkamerwoning terwijl aan hem een semi-stadsvernieuwingsurgentie is toegekend. Dat de woningstichting [naam] (hierna: [naam] ) deze verzoeken heeft ingewilligd maakt het volgens eiser niet anders, nu het gaat om een mandaat dat met zich meebrengt dat deze besluiten aan verweerder dienen te worden toegerekend. Uit het verweerschrift blijkt dat het kennelijk is gebeurd op basis van bepaalde criteria die niet kenbaar en toetsbaar zijn, waardoor de door verweerder genoemde omstandigheden niet aan eiser kunnen worden tegenworpen. Juridisch gezien is volgens eiser sprake van gelijke gevallen die door verweerder ongelijk zijn behandeld. Dat sprake zou zijn van een gemaakte fout en het gelijkheidsbeginsel daarom niet kan slagen kan eiser evenmin volgen, omdat het hier gaat om drie gevallen die bij eiser bekend zijn en er bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel altijd sprake is van een fout van een bestuursorgaan.

3.2

Verweerder stelt zich op het volgende standpunt. Door verweerder is aan de directeuren dan wel hun directe plaatsvervangers van de corporaties, waaronder [naam] , de bevoegdheid gemandateerd tot het beslissen op aanvragen om een urgentieverklaring aan een huishouden dat woonruimte nodig heeft in verband met de sloop of ingrijpende renovatie van de huidige woning of bij herstructurering van het gebied waarin de woning is gelegen. Uit onderzoek is gebleken dat [naam] op basis van eigen afwegingen de urgentieverklaringen heeft afgegeven in de door eiser genoemde gevallen. Volgens [naam] was in deze gevallen sprake van bijzondere omstandigheden, maar dit rechtvaardigt echter nimmer een afwijking van de Huisvestingsverordening en de Beleidsregels. Er is volgens verweerder sprake van een door [naam] gemaakte grote fout waarbij zij buiten haar in mandaat gegeven bevoegdheid is getreden en verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft [naam] , alsook de [naam] , hierop aangesproken. Het gelijkheidsbeginsel strekt volgens verweerder niet zo ver dat een gemaakte fout moet worden herhaald. Dit zou, gelet op het aantal lopende projecten en wellicht ook in inmiddels afgesloten projecten, betekenen dat aan veel kinderen een urgentieverklaring zou moeten worden afgegeven en daar is de woningmarkt bezien de schaarste niet op berekend.

3.3.

De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser in beroep heeft aangevoerd en verweerder ter zitting heeft erkend dat het bestreden besluit niet rust op een deugdelijke motivering voor wat betreft eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank volgt eiser ook in zijn standpunt. Uit de door verweerder ter zitting gegeven toelichting blijkt dat [naam] in de door eiser genoemde gevallen semi-stadsvernieuwingsurgenties heeft verleend aan personen jonger dan de leeftijdsgrens terwijl zij meer dan zes maanden na de peildatum een verzoek daartoe hebben ingediend. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is door eiser op deugdelijke wijze gemotiveerd en onvoldoende door verweerder weerlegd. Gelet op het voorgaande vertoont het besluit een gebrek. Het is immers in strijd met het beginsel van draagkrachtige motivering, vastgelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om in twee individuele gevallen die een hoge mate van gelijkheid vertonen, verschillende beslissingen te nemen, zonder uiteen te zetten welke feiten en omstandigheden tot het verschil in uitkomst hebben geleid. Ter zitting heeft verweerder nader gemotiveerd dat het in de door eiser genoemde gevallen ging om grote huishoudens waarbij het moeilijk was om deze op korte termijn uit te plaatsen naar een grote woning. Er was daarbij sprake van druk omdat het de laatste uit te plaatsen families waren én de datum waarop met de sloop zou worden begonnen aanstaande was. Eiser heeft met de nadere verklaring van [naam] voldoende aannemelijk gemaakt dat er in de situatie van [naam] geen sprake was van een uithuisplaatsing van een groot huishouden, zodat met de uitleg van verweerder het voorgaande gebrek niet wordt weggenomen. Voor zover verweerder ter zitting heeft willen betogen dat zelfs als er sprake is van gelijke gevallen dit een ambtelijke misslag is geweest zodat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel om die reden al niet slaagt, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3677), is het uitgangspunt dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat een bestuursorgaan in een eenmaal gemaakte fout moet volharden. Uit de gegeven toelichting leidt de rechtbank af dat [naam] bij het nemen van de beslissingen in de door eiser genoemde zaken een weloverwogen keuze heeft gemaakt om een urgentieverklaring toe te wijzen. Gelet hierop heeft verweerder met de enkele stelling dat er sprake was van een fout niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een ambtelijke misslag. De stelling dat de omstandigheden in de zaken waarop eiser een beroep doet nimmer een afwijking van de Verordening en het daaraan gekoppelde beleid rechtvaardigen, zodat om deze reden al sprake is van een ambtelijke misslag, heeft verweerder ook onvoldoende aannemelijk gemaakt. Te meer niet omdat verweerder ter zitting heeft erkend dat er in de door eiser genoemde zaken sprake was van bijzondere omstandigheden. Tevens heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [naam] buiten de haar in mandaat gegeven bevoegdheid is getreden. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat het nemen van een besluit met overschrijding van de grenzen van het mandaat er niet per definitie toe leidt dat dit besluit niet aan de mandaatgever kan worden toegerekend.

4. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om, ter bevordering van de definitieve geschillenbeslechting, toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:51a van de Awb en verweerder in de gelegenheid te stellen dit motiveringsgebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

5. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

6. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

7. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.