Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1683

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
17/265
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift artikel 182 lid 6 Sv deels gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/845051-14

RK: 17/265

Beschikking op het bezwaarschrift ex artikel 182 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:

[verdachte]

gevestigd op het adres [adres 1] ,

te dezen woonplaats kiezend op het adres van raadsman, mr. P.J. van Hagen [adres 2] ,

verdachte.

Procesgang

Het bezwaarschrift is op 12 januari 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft op 28 februari 2017 de gemachtigde raadsman van verdachte en de officier van justitie, mr. D. Kruimel, in besloten raadkamer gehoord.

De inhoud van het bezwaarschrift

De raadsman heeft op 30 augustus 2016 de rechter-commissaris (hierna: RC) verzocht een aantal onderzoekshandelingen te verrichten, te weten het horen als getuigen van [getuige 1] , werkzaam bij de Belastingdienst, [getuige 2] , eveneens werkzaam bij de Belastingdienst. Daarnaast is verzocht om kennisneming van de stukken die betrekking hebben op het selectieoverleg (hierna: SO) van 7 januari 2014 en het tripartieteoverleg (hierna: TPO) van 16 januari 2014, alsmede om het horen als getuige van de boetefraudecoördinator.

Het bezwaarschrift richt zich tegen de beslissing van de RC van 30 december 2016, inhoudende de weigering de door verdachte gewenste onderzoekshandelingen te verrichten.

De beschikking van de rechter-commissaris

De beschikking van de rechter-commissaris, waarbij deze verzoeken zijn afgewezen, houdt voor zover van belang het volgende in.

De verzoeken tot het horen van de drie getuigen wordt afgewezen. Of door de brief van 7 november 2013 (D-033), waarbij een voornemen tot het opleggen van een vergrijpboete werd medegedeeld, een gerechtvaardigd vertrouwen kan zijn gewekt dat geen

strafvervolging zou worden ingesteld, is ter beoordeling aan de zittingsrechter. Over de beweegredenen van de gevraagde getuigen voor het versturen van deze brief zijn geen relevante vragen te stellen. Blijkens de toelichting van de officier van justitie betreft dit een interne aangelegenheid binnen de Belastingdienst en heeft het Openbaar Ministerie geen enkele bemoeienis gehad met het versturen van deze brief. Eerst na het TPO van 22 april 2014 is een vervolgingsbeslissing door de officier van justitie genomen. Van een wijziging van standpunt van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) is geen sprake geweest. Om dezelfde reden heeft de verdediging geen gerechtvaardigd belang bij verstrekking van de stukken met betrekking tot het SO en TPO, zodat deze verzoeken worden afgewezen.

Het standpunt van de verdediging

In raadkamer heeft de raadsman verwezen naar het bezwaarschrift en zijn brief van 20 februari 2017 met een aanvulling van de gronden. Verdachte kan zich niet verenigen met de beslissing van de RC, aangezien daaruit een benadeling van haar verdediging voortvloeit. De raadsman heeft gevraagd [getuige 1] als getuige te horen, om na te gaan op grond van welke feiten en omstandigheden zij als vertegenwoordiger van de Belastingdienst heeft besloten [verdachte] de brief te sturen van 7 november 2013 waarin een (bestuurlijke) vergrijpboete werd aangekondigd, en op grond van welke feiten en omstandigheden deze aankondiging bij brief van 14 november 2013 is ingetrokken. Niet kan worden uitgesloten dat de brief van 7 november 2013 het resultaat is geweest van een voorafgaand overleg tussen de Belastingdienst, de boetefraudecoördinator, de FIOD en (vertegenwoordigers van) het OM, waarin is beslist de zaak bestuurlijk af te laten doen door de belastingdienst. De verdediging wil onderzoeken welke communicatie tussen welke ambtenaren/functionarissen is voorafgegaan aan het versturen van de brief van 7 november 2013. Hebben de belastingambtenaren [getuige 1] en [getuige 2] de zaak aangemeld bij de boetefraudecoördinator en is dat voor of na de aankondiging van 7 november 2013 geweest? Dat is van belang om te kunnen toetsen of de Richtlijnen aanmelding en afhandeling fiscale delicten, douane- en toeslagen delicten (hierna: AAFD-richtlijnen) zijn nageleefd. Meer in het bijzonder moet kunnen worden nagegaan of [verdachte] reeds als verdachte was aangemerkt ten tijde van het eindgesprek boekenonderzoek op 11 maart 2014.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verzochte onderzoekshandelingen van belang zijn voor de beoordeling van de zaak, voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het OM, alsook (subsidiair) voor de straftoemeting, en dus voor enige op de voet van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar de op schrift gestelde standpunten in de brieven van 20 oktober 2016 en 11 november 2016, op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond moet verklaard.

Het horen van de gevraagde getuigen is niet relevant voor enige te nemen beslissing. De AAFD-richtlijnen hebben een duidelijk regime. Het SO is een intern overleg tussen de verschillende onderdelen van de Belastingdienst (FIOD, contactambtenaar en de boetefraudecoördinator). Als een zaak daartoe aanleiding geeft, wordt deze verwezen naar het TPO, alwaar naast de contactambtenaar en de boetefraudecoördinator een officier van justitie aanwezig is. Er heeft voor 7 november 2013 geen TPO plaatsgevonden. De beslissing tot vervolging is genomen op het TPO van 22 april 2014. De aankondiging van belastinginspecteur [getuige 1] kan niet aan het OM worden toegerekend en kan geen gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat de zaak fiscaal zou worden afgedaan. Hoewel [getuige 1] bevoegd was deze aankondiging te verzenden, heeft zij deze kennelijk ingetrokken, nadat zij er achter kwam dat niet de juiste procedure was gevolgd. Er is geen sprake van een beslissing op grond van artikel 243 Sv, maar slechts een kennisgeving van een voornemen om een geldboete op te leggen. Het OM heeft aangeboden om door een van de belastingambtenaren of door de boetefraudecoördinator schriftelijk te laten bevestigen dat voor de aankondiging van 7 november 2013 geen TPO heeft plaatsgevonden.

De beoordeling

Het bezwaarschrift is op 12 januari 2017 ter griffie van deze rechtbank ingediend. Dat is binnen de in artikel 182, lid 6 Sv, genoemde termijn van veertien dagen na de beschikking van de rechter-commissaris. Verdachte kan worden ontvangen in haar bezwaar.

De rechtbank Amsterdam is bevoegd van het bezwaarschrift kennis te nemen.

Op grond van de stukken en de behandeling in raadkamer overweegt de rechtbank als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de RC verzoeken als de onderhavige afwijst indien de gevraagde onderzoekshandelingen niet kunnen bijdragen aan enige door de rechtbank in deze zaak te nemen beslissing in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv. De rechtbank zal moeten toetsen of de beslissing van de RC in het licht daarvan kan standhouden.

De raadsman heeft onder meer gevraagd belastinginspecteur [getuige 1] als getuige te horen, om na te gaan op grond van welke feiten en omstandigheden zij als vertegenwoordiger van de Belastingdienst heeft besloten verdachte de brief te sturen van 7 november 2013 waarin een (bestuurlijke) vergrijpboete werd aangekondigd, en waarom deze aankondiging bij brief van 14 november 2013 is ingetrokken.

De AAFD-richtlijnen spelen in de fiscaal-strafrechtelijke praktijk een belangrijke rol. De procedurele voorschriften (wie besluit, wanneer en waarover) en materiële voorschriften (welke criteria worden bij die besluiten gehanteerd) worden onderscheiden in rubriek 103.3.2.2. van deze richtlijnen.

Door het OM is niet betwist dat de belastinginspecteur aanvankelijk niet conform de geldende AAFD-richtlijnen heeft gehandeld, welke richtlijnen recht vormen in de zin van artikel 79 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie.

Anders dan de RC en het OM, is de rechtbank – in het licht van het voorgaande – van oordeel dan niet op voorhand kan worden gesteld dat de verklaring van [getuige 1] niet kan bijdragen aan enige door de rechtbank in deze zaak te nemen beslissing. Daarbij speelt de zogenoemde sfeerovergang tussen bestuurlijke en strafrechtelijke afhandeling van de zaak een rol. Meer in het bijzonder kan het voor de strafzaak in enigerlei vorm van belang zijn wat de status van verdachte was ten tijde van het eindgesprek boekenonderzoek op 11 maart 2014 (D 035). In dat licht roepen de brieven van [getuige 1] van 7 en 14 november 2013 vragen op.

De rechtbank overweegt dat [getuige 1] voorafgaand aan dit verhoor bij de RC in de gelegenheid moet worden gesteld zich voor te bereiden op onder meer de volgende vragen:

  • -

    op grond van welke feiten en omstandigheden heeft u als vertegenwoordiger van de Belastingdienst besloten [verdachte] de brief te sturen van 7 november 2013 waarin een (bestuurlijke) vergrijpboete werd aangekondigd, en waarom heeft u deze aankondiging op 14 november 2013 ingetrokken;

  • -

    met wie heeft u gecommuniceerd over het schrijven van deze brief en wat hield deze communicatie in;

  • -

    met wie heeft u gecommuniceerd over het intrekken van deze brief en wat hield deze communicatie in;

  • -

    is er voorafgaand aan het intrekken van de brief op 14 november 2013 overleg of een andere vorm van communicatie geweest over deze zaak met een officier van justitie of een andere medewerker van het openbaar ministerie;

  • -

    zo ja, wat hield dat overleg of die communicatie in;

  • -

    op welke datum of - indien dit meer dan eenmaal is geschied - op welke data is de zaak aangemeld bij de boetefraudecoördinator;

  • -

    kunt u uitleg geven over de status van [verdachte] ten tijde van het eindgesprek boekenonderzoek op 11 maart 2014 en hoe hiermee door u is omgegaan.

Het bezwaar wordt voor wat betreft de getuigen [getuige 2] en de boetefraudecoördinator afgewezen. Verdachte wordt hierdoor bij de huidige stand van zakengezien de toewijzing van de getuige [getuige 1] , redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.

Het bezwaar voor wat betreft de stukken van het SO (7 januari 2014) en TPO (16 januari 2014) wordt op dezelfde grond afgewezen. Deze stukken zijn, voor zover beschikbaar, redelijkerwijs niet relevant, nu deze betrekking hebben op een andere verdachte en/of dateren van latere datum dan de brieven van 7 en 14 november 2013.

In het geval het verhoor van getuige [getuige 1] daartoe aanleiding heeft, kan de RC alsnog beslissen tot het overleggen van deze stukken en/of tot het verhoor van de getuigen [getuige 2] en/of de boetefraudecoördinator over te gaan. In zoverre wordt de zaak open teruggestuurd naar de RC.

De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond met betrekking tot het horen van getuige [getuige 1] .

Bepaalt dat de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, als getuige zal horen belastinginspecteur [getuige 1] , werkzaam bij de Belastingdienst, kantoor [plaats] .

Laat de beslissing of er, naar aanleiding van het horen van [getuige 1] , verdedigingsbelang bestaat bij het horen van [getuige 2] en/of de boetefraudecoördinator dan wel tot het doen voegen van stukken met betrekking tot het SO (7 januari 2014) en het TPO (16 januari 2014) over aan de rechter-commissaris.

De rechtbank verklaart het bezwaar, met inachtneming van het vorenstaande, voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. M.E. Leijten, rechter,

mrs. P.B. Martens en F.W. Pieters, rechters

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier

en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2017.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker geen rechtsmiddel open.