Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:166

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
AMS 17/196
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft beschikkingen genomen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/196

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2017 in de zaak tussen

[verzoekers] , te Amsterdam, verzoekers

(gemachtigde: mr. A. Bakker),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Op 31 januari 2016 heeft verweerder beschikkingen genomen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 29 december 2016 heeft verweerder verzoekers data voorgesteld voor een hoorzitting in het kader van bezwaarprocedures.

Naar aanleiding van de brief van 29 december 2016 hebben verzoekers de voorzieningen-rechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.1.

De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure – hier de bezwaarprocedure – niet kan worden afgewacht. Hij let daarbij op de belangen van partijen, waarbij hij een afweging moet maken tussen aan de ene kant het belang van de verzoekende partij dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant de belangen bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure.

1.2.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder behandeling ter zitting uitspraak doen, onder meer indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter maakt van deze bevoegdheid gebruik.

2.1.

Naar aanleiding van de door verzoekers gemaakte bezwaren heeft verweerder hen bij brief van 29 december 2016 data voorgesteld (te weten: 16 januari 2017 om 10.00 uur, 17 januari 2017 om 13.00 uur of 18 januari 2017 op 10.00 uur) voor het houden van een hoorzitting. Vervolgens zijn tussen de gemachtigde van verzoekers en het bestuursorgaan over een weer voorstellen gedaan voor alternatieve data en tijdstippen voor het houden van een hoorzitting. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in een e-mail van verweerder van 6 januari 2017 waarbij de hoorzitting voor alle bezwaren is bepaald op 13 januari 2017, 10.00 uur.

2.2.

Het verzoek strekt er toe verweerder te verplichten de hoorzittingen in het kader van de bezwaarprocedure te laten plaatsvinden op 25 januari 2017 vanaf 08.00 uur (of mogelijk eerder) tot en met 10.00 uur, op 26 januari 2017 vanaf 11.00 uur voor een vijftal zaken, op 30 januari 2017 vanaf 13.00 uur voor een vijftal zaken, 8 februari 2017 om 11.00 uur een vijftal zaken en op 20 februari 2017 om 11.00 uur een zestal zaken.

3.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een bezwaarmaker in beginsel het recht heeft om te worden gehoord in het kader van een bezwaar tegen een besluit van een bestuursorgaan. Om dat recht te kunnen laten gelden dient een bezwaarmaker echter ook beschikbaar te zijn om daadwerkelijk door het bestuursorgaan gehoord te kunnen worden. In beginsel is het aan verweerder om te bepalen wanneer een hoorzitting gehouden wordt, waarbij zo veel als mogelijk rekening gehouden dient te worden met verhinderdata. Het opgeven van verhinderdata dient wel zodanig redelijk te zijn dat dit niet leidt tot een situatie waarin een adequate behandeling van het bezwaar wordt verstoord. Verweerder heeft als bestuursorgaan met meer bezwaarmakers te maken en kan daarom, om de procedurele gang van zaken te waarborgen, de wijze waarop het horen wordt gepland, binnen redelijke grenzen, zelf regisseren. Daarmee strookt niet een verzoek om verweerder te verplichten op de door verzoekers gewenste data hoorzittingen te plannen. Of de bezwaarprocedure (de hoorzitting daaronder inbegrepen) uiteindelijk voldoende zorgvuldig is verlopen, kan aan de orde kan worden gesteld bij de bestuursrechter als beroep is ingesteld tegen de beslissing die volgt op de bezwaren.

3.2.

Het verzoek zoals dat nu door verzoekers is gedaan, is niet materieel connex aan de gemaakte bezwaren. De gemaakte bezwaren hebben immers betrekking op verweerders vaststelling van WOZ-waarden. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft daar geen betrekking op, maar is bedoeld om verweerder bepaalde processuele stappen te laten zetten, namelijk hem te verplichten tot hoorzittingen op een door verzoekers gewenste data. Dat heeft geen betrekking tot het bestreden besluit. Het verzoek voldoet daarom niet aan het connexiteitsvereiste en is niet-ontvankelijk.

4. Voor het vergoeden van de door verzoekers gemaakte proceskosten of het door hen betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening

niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier, en bekendgemaakt door verzending op de hieronder vermelde datum.

de griffier

de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.