Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1658

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
13/993500-14 ( ontneming )
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming. Openbaar ministerie niet ontvankelijk ten aanzien van de ontnemingsvordering voor zover deze is gebaseerd op van 1986 tot en met 2001 gepleegde belastingfraude. Ontneming wel mogelijk ter zake van het witwassen van vermogen dat door deze belastingfraude is verkregen. Bepaling omvang verkregen voordeel uit witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/993500-14 (ontneming)

Datum uitspraak: 18 januari 2017

Tegenspraak

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/993500-14, tegen:

[verdachte] , hierna te noemen [verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1946,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [plaats] .

Advocaten: mrs. W. de Vries en V.S. Huygen van Dyck-Jagersma

1 De vordering

De vordering van de officier van justitie van 25 september 2015 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 5.280.000,-.

Ter terechtzitting van 7 december 2016 heeft de officier van justitie zijn vordering gewijzigd in dier voege dat hij het maximumbedrag stelt op € 3.267.000,-.

2 Het procesverloop

Op 11 november 2015 heeft een eerste zitting plaatsgevonden in de ontnemingszaak, gelijktijdig met de behandeling van de onderliggende strafzaak. Op deze zitting is besloten om de behandeling van de ontnemingsvordering aan te houden en een schriftelijke ronde te gelasten.

Daarop zijn de volgende stukken gewisseld:

  • -

    de conclusie van eis van het Openbaar Ministerie van 21 augustus 2016;

  • -

    de als conclusie van antwoord ingediende brief van mr. De Vries van 2 juni 2016;

  • -

    de brief van mr. Huygen van Dyck-Jagersma van 30 september 2016, met bijlagen (producties 1-2);

  • -

    de gewijzigde conclusie van eis van het Openbaar Ministerie (ongedateerd stuk van 30 pagina’s, door de rechtbank per e-mail ontvangen op 14 november 2016);

  • -

    de schriftelijke reactie van mr. Huygen van Dyck-Jagersma van 23 november 2016 met bijlage (productie 3).

Op 7 december 2016 heeft het onderzoek op de terechtzitting plaatsgevonden. De officier van justitie mr. H.M. Pluimers en de raadslieden van [verdachte] hebben op deze zitting hun standpunten nader toegelicht.

3 Grondslag van de vordering

Bij vonnis van deze rechtbank van 25 november 2015 is [verdachte] , kort weergegeven, veroordeeld voor:

  1. gewoontewitwassen in de periode van 10 juni 2002 tot en met 10 juni 2014 van door belastingfraude verkregen vermogen, tot een bedrag van € 3.118.081,61;

  2. belastingfraude in de periode van 1 januari 2003 tot en met 14 maart 2014 door het verzwijgen van inkomsten en vermogen in Luxemburg.

De officier van justitie heeft in deze ontnemingsprocedure twee grondslagen aangevoerd voor zijn vordering:

  1. het hiervoor onder 1. genoemde feit waarvoor [verdachte] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld, te weten gewoontewitwassen van € 3.118.081,61 in de periode van 10 juni 2002 tot en met 10 juni 2014;

  2. een feit soortgelijk aan het hiervoor onder 2. genoemde feit waarvoor [verdachte] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld, te weten belastingfraude in de periode van 1986 tot en met 2001.

4 Ontvankelijkheid

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering, gelet op het bepaalde in artikel 74 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

Artikel 74 AWR luidt als volgt:

Ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten vindt artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing.

De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling zich verzet tegen een ontnemingsvordering op de hiervoor onder b) genoemde grondslag. Immers, de door [verdachte] van 1986 tot en met 2001 gepleegde fiscale delicten betreffen bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten, ter zake waarvan ontneming bij formele wet categoraal is uitgesloten.

Het standpunt van de officier van justitie dat de situatie van artikel 74 AWR zich in dit geval niet voordoet aangezien de Staat over de periode 1986 tot en met 2001 niet (langer) over een bijzonder wettelijk invorderingsinstrument beschikt – de Belastingdienst kan over deze periode geen navorderingsaanslagen meer opleggen – en dus geen sprake is van een situatie van “tweesporigheid”, is gebaseerd op een extensieve interpretatie van die bepaling, waarvoor de wet geen ruimte biedt.

Artikel 74 AWR verzet zich daarentegen niet tegen een ontnemingsvordering ter zake van het witwassen van vermogen dat door belastingfraude is verkregen (Hoge Raad 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:693). Dat betekent dat het Openbaar Ministerie in zijn vordering tot ontneming op de hiervoor onder a) genoemde grondslag, het witwassen van € 3.118.081,61 in de periode van 10 juni 2002 tot en met 10 juni 2014, ontvankelijk is. Het feit dat de misdrijven waarop het witwassen betrekking had – belastingfraude in de periode 1986 tot en met 2001 – inmiddels verjaard zijn, doet daaraan niets af. Anders dan door de verdediging is bepleit, staan het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel dan ook niet aan de ontnemingsvordering in de weg.

4 Wederrechtelijk verkregen voordeel

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen welk voordeel [verdachte] heeft verkregen door middel van of uit de baten van het witwassen van het Luxemburgse vermogen.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit witwassen moet worden geschat op het gehele Luxemburgse vermogen dat door vermenging als deels uit misdrijf afkomstig is aangemerkt, te weten een bedrag van € 3.118.081,61. Daartoe heeft de officier van justitie, onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad (HR 25 mei 1999, LJN AK1546) aangevoerd dat het strafbare feit witwassen weliswaar op zichzelf geen rechtstreeks voordeel oplevert, maar wel kennelijk ertoe strekt en geëigend is voordeel te genereren.

De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet. Zoals de Hoge Raad herhaaldelijk heeft geoordeeld (recent nog: HR 29 november 2016 ECLI:NL:HR:2016:2718), vormen geldbedragen die het voorwerp zijn van witwassen niet reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdachte moet daadwerkelijk voordeel hebben genoten door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen. Dat de witgewassen geldbedragen vermogensbestanddelen zijn die tot voordeel (kunnen) strekken vormt nog niet een toereikende motivering (HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HRLBY5217).

Subsidiair heeft de officier van justitie bepleit dat het voordeel moet worden begroot op het ten onrechte niet afgedragen bedrag aan belastingen (de rechtbank begrijpt: over de periode van 1986 tot en met 2001), door de bewezenverklaring begrensd op een bedrag van € 3.118.081,61. Het voordeel van [verdachte] bestaat immers uit het genot over het niet afgedragen bedrag aan belastingen, aldus de officier van justitie.

Ook het subsidiaire standpunt kan de rechtbank niet volgen. Niet in geschil is dat [verdachte] van 1986 tot 2001 ten onrechte geen belasting over zijn vermogen in Luxemburg heeft betaald. Het bedrag dat hij hiermee heeft bespaard – het voordeel dat hij heeft verkregen – is het resultaat van de door hem gepleegde belastingfraude. Zoals hiervoor al overwogen, is ter zake de belastingfraude ontneming ex artikel 36e Sr uitgesloten. Door in de daaropvolgende periode 2002-2014 zijn zwarte geld wit te wassen (onder meer door creditcard-uitgaven te doen en grote sommen contant geld op te nemen en naar Nederland te vervoeren) heeft [verdachte] weliswaar genoten van dit fiscale voordeel, maar dit genot betreft een immaterieel voordeel. Niet valt in te zien waarom dit immateriële voordeel getaxeerd zou moeten worden op een bedrag gelijk aan het fiscale voordeel.

Ten slotte heeft de officier van justitie gesteld dat het voordeel moet worden vastgesteld op het bedrag aan niet afgedragen belastingen, voor zover die ten voordele van [verdachte] zijn aangewend in het economisch verkeer. Ook dit betoog faalt. De rechtbank is van oordeel dat met het doen van bestedingen uit het Luxemburgse vermogen geen ander (geldelijk) voordeel is ontstaan dan het reeds verkregen fiscale voordeel. Dit zou anders kunnen zijn indien deze bestedingen [verdachte] daadwerkelijk voordeel zouden hebben gebracht, bijvoorbeeld door een waardevermeerdering van aangeschafte goederen. Hieromtrent is door het Openbaar Ministerie echter niets gesteld.

Het voorgaande brengt mee dat het Openbaar Ministerie niet aannemelijk heeft gemaakt, en ook anderszins niet is gebleken, welk concreet op geld waardeerbaar voordeel [verdachte] heeft genoten door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde witwassen in de periode van 2002 tot en met 2014.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en T.T. Hylkema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2017.