Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1656

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
13/650613-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag en wapenbezit. Schot gelost vanuit een parkeergarage in de Lange Leidsedwarsstraat, waarbij het zicht op de straat beperkt was. Daardoor bestond de aanmerkelijke kans dat hij een toevallige voorbijganger dodelijk had kunnen verwonden. 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650613-16 en 05/008138-16 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 2 februari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , gedetineerd in het [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van der Veen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. C.Y. Kekik naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 9 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet in een parkeergarage (in de directe nabijheid van een of meerdere perso(o)n(en)) met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd (onder meer in de richting van de openbare weg);

en/of

hij op of omstreeks 9 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] getoond en/of in een parkeergarage (in de directe nabijheid van een of meerdere perso(o)n(en)) met een vuurwapen een of meer kogels afgevuurd;

2.

hij op of omstreeks 9 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III onder 1, te weten een (getransformeerd) start/alarmpistool (BMM 315 Auto) en/of munitie van categorie III, althans een of meer patro(o)n(en) (Sellier & Bellot, kaliber 6.35 mm Browning) voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Bewijsmiddelen

4.1.1

De verklaring door verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 januari 2017, zakelijk weergegeven:

De voorzitter vraagt of ik op 9 oktober 2016 in een parkeergarage in Amsterdam met een vuurwapen heb geschoten. Dat klopt. Ik heb twee keer geschoten, één keer heb ik gericht op een bord. Ik wilde gewoon recht vooruit schieten.

4.1.2

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016219097-29 van 10 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] (doorgenummerde pagina’s 35-36).

Dit proces-verbaal houdt in als relaas van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 9 oktober 2016 werden de camerabeelden gevorderd van de [plaats delict] gelegen aan de Lange Leidsedwarsstraat te Amsterdam.

Camera 01 gericht op de betaalautomaat

Omstreeks 05:11 uur is te zien dat een man in beeld verschijnt die qua signalement overeenkomt met verdachte [naam verdachte] . Omstreeks 05:21:58 uur is verdachte alleen met de medewerker in de garage en loopt richting het voertuig. Verdachte loopt in de richting van het voertuig en heft zijn rechterarm iets omhoog. Er is dan 1 schot te zien. Direct daarop volgt een tweede schot. De schoten worden gelost in de richting van de uitgang van de parkeergarage, in de richting van de Lange Leidsedwarsstraat.

4.1.3

De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 19 januari 2017.

De rechtbank neemt op de in het vorige bewijsmiddel bedoelde camerabeelden waar dat 6 à 7 seconden voordat verdachte de schoten lost een vrouw zichtbaar is die in de richting van de uitgang van de garage aan de Lange Leidsedwarsstraat loopt.

4.1.4

Een proces-verbaal sporenonderzoek met nummer PL1300-2016219097-20 van 4 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsabtenaar 3] (doorgenummerde pagina’s 81-82).

Dit proces-verbaal houdt in als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 9 oktober 2016 zou in een parkeergarage in de Lange Leidsedwarsstraat een schietpartij hebben plaatsgevonden. Direct na het incident zou een verdachte zijn aangehouden in een voertuig. In dit voertuig werd door collega’s een vuurwapen aangetroffen. Het betrof een Citroën C3, kenteken [kenteken] . Gezien de ligging van de hulzen werd door ons het pand aan de overzijde van de straat onderzocht. Wij zagen in de ruit van het pand met nummer [huisnummer] een schotbeschadiging. Wij zagen dat achter de ruit een houten paneel geplaatst was. Wij zagen in het houten paneel een schotbeschadiging en op het kozijn zagen wij een kogel liggen.

4.1.5

Een proces-verbaal van 2e aanvullend relaas met nummer 2016219097 van

20 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 4] (doorgenummerde pagina 75)

Dit proces-verbaal houdt in als relaas van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

De Lange Leidsedwarsstraat is aan beide zijden toegankelijk voor voetgangers en bevindt zich binnen het uitgaansgebied rondom het Leidseplein. Het gedeelte waar bezoekers de parkeergarage inlopen om hun auto op te halen en de Lange Leidsedwarsstraat bevond zich in de kogelbaan van het schot dat insloeg op het raam. Het inschot in het raam bevond zich op lichaamshoogte.

4.1.6

Een proces-verbaal wapenonderzoek met nummer 2016219097 van 10 oktober 2016, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 5] (doorgenummerde pagina’s 61-64).

Dit proces-verbaal houdt in als relaas van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 9 oktober 2016 is te Amsterdam een personenauto Citroën C3 in beslag genomen. In het midden van het dashboard is het kapje verwijderd en werd een vuurwapen aangetroffen, merk BBM, model 315 Auto, kaliber 6.35 Browning (oorspronkelijk 8mm Knall). Na zijn transformatie is dit een voorwerp geschikt om projectielen door een loop af te schieten. Dit is van oorsprong een alarm- en/of startpistool. Dit pistool is een vuurwapen van categorie III onder 1e van de Wet wapens en munitie. Bij het uitnemen van het patroonmagazijn werden hierin twee nog niet verschoten patronen aangetroffen. Het pistool was dus niet alleen geladen, maar ook doorgeladen en voor onmiddellijk gebruik gereed. Aantal patronen: 3, kaliber 6.35 browning, merk Sellier & Bellot. Deze patronen zijn munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.

4.1.7

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016219097-8 van 9 oktober 2016, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6] (doorgenummerde pagina 10).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 9 oktober 2016 hoorde ik de melding dat er zou zijn geschoten in de parkeergarage aan de Lange Leidsedwarsstraat [...] te Amsterdam. Ik ben ter plaatse gegaan. Ik zag er in een voertuig een persoon zat die later bleek te zijn genaamd [naam verdachte] . Ik nam het voertuig, een Citroën C3, kenteken [kenteken] in beslag. Ik heb het kapje verwijderd van het midden van het dashboard en ik zag aldaar een vuurwapen liggen.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van alle ten laste gelegde feiten.

Poging tot doodslag dan wel zware mishandeling

Verdachte heeft twee schoten gelost, één richting het plafond en één richting de uitgang. Door het schieten tegen het plafond heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de kogel mogelijk zou afketsen en in de drukke parkeergarage iemand zou raken. De kogel in de richting van de uitgang van de parkeergarage is over een doorgaande drukke weg gegaan en ingeslagen in een ruit aan de overkant op romphoogte. De Lange Leidsedwarsstraat is op een zaterdagnacht om 5.00 uur een drukke straat, zodat verdachte ook bij dit schot bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er iemand die voorbij of langs liep of naar buiten ging, geraakt zou worden. Indien hij iemand had geraakt, had een schotwond zwaar lichamelijk letsel kunnen veroorzaken of zou dit zelfs de dood tot gevolg kunnen hebben. Nu de inslag van de kogel op romphoogte is, is de dood geen onaannemelijk gevolg, zodat poging tot doodslag kan worden bewezen.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Zowel getuige [slachtoffer 1] als getuige [slachtoffer 2] verklaren dat verdachte binnen komt en dan het wapen toont. [slachtoffer 2] verklaart ook dat verdachte met het wapen zwaait en dreigt en dat zij onder de tafel duikt. Dat de dreiging reëel was, blijkt ook uit het feit dat verdachte uiteindelijk daadwerkelijk heeft geschoten.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van poging tot doodslag en daartoe, onder meer onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT2760), aangevoerd dat verdachte geen opzet had op de dood van enig persoon, ook niet in voorwaardelijke vorm. Uit het bewijsmateriaal blijkt niet dat verdachte op mensen schoot. Getuige [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij niet het gevoel had dat verdachte bewust op mensen schoot of wilde schieten. Verdachte zelf heeft verklaard dat hij bewust niet op mensen richtte. Hij schoot om de personen die hem hadden willen beroven af te schrikken omdat hij bang was dat die mogelijk nog in de buurt waren. In de parkeergarage bevond zich niemand in de schotbaan en ook op straat en in de andere parkeergarage (met de ingang aan de Lange Leidsedwarsstraat) was er niemand. Subsidiair heeft de verdediging ontslag van alle rechtsvervolging bepleit omdat sprake was van een absoluut dan wel relatief ondeugdelijk middel om het feit te plegen ten aanzien van de garage aan de overkant, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat de kogel zelfs niet door het houten paneel kon doordringen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Vrijspraak van het onder 1, tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het dossier niet is gebleken dat getuige [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij met het vuurwapen werd bedreigd en er geen aanwijzingen zijn dat hij zich bedreigd voelde. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, blijkt uit geen van beide processen-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 1] dat hij heeft verklaard dat verdachte hem het wapen heeft getoond of dat hij het wapen heeft gezien op een ander moment dan toen verdachte terugliep naar zijn auto en de twee schoten loste.

De rechtbank stelt verder vast dat de verklaring van getuige [slachtoffer 2] , die erop wijst dat het rond het moment van het schieten nog druk was in de parkeergarage met vechtende mensen bij de betaalautomaat, geen steun vindt in (de beschrijving van) de camerabeelden. Dat de getuige [slachtoffer 2] zich enkel door het horen van de schoten bedreigd heeft gevoeld, acht de rechtbank ook onvoldoende om te concluderen dat van een bedreiging jegens haar sprake is geweest, nu uit de stukken niet is gebleken dat verdachte zich op enig moment verbaal of anderszins tegen haar heeft gericht. Evenmin is uit de stukken gebleken dat onbekend gebleven personen door verdachte door het tonen van of door het schieten met het vuurwapen zijn bedreigd. De rechtbank acht daarom niet bewezen wat onder 1, tweede alternatief/cumulatief is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.4.2

Het oordeel over het onder 1, eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegde

Op basis van de verklaring van verdachte en de resultaten van het sporenonderzoek is vast komen te staan dat één van de door verdachte afgevuurde kogels op lichaamshoogte is ingeslagen in de ruit aan de overzijde van de Lange Leidsedwarsstraat, dat deze vervolgens is afgeketst op het achterliggende houten paneel en op het kozijn terecht is gekomen. Op de camerabeelden is zichtbaar dat verdachte dit schot, naar eigen zeggen het als tweede door hem afgevuurde, vanaf armhoogte afschiet. Zoals in het 2e aanvullende proces-verbaal van relaas is vermeld (onder 4.1.5), bevindt de parkeergarage waar het schietincident plaatsvond zich in een uitgaansgebied en het gedeelte waar bezoekers de parkeergarage inlopen om hun auto op te halen en de Lange Leidsedwarsstraat bevinden zich in de kogelbaan van het schot dat insloeg op het raam aan de overzijde van de straat. Aan de orde is de vraag of de aanmerkelijke kans bestond dat deze kogel een (willekeurig) persoon had kunnen raken en wel dusdanig dat deze persoon daardoor had kunnen komen te overlijden.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit het geval is. Nog afgezien van het feit dat verdachte volgens zijn eigen verklaring behoorlijk dronken was en het feit dat de rechtbank op de camerabeelden heeft waargenomen dat verdachte achteloos voor zich uit lijkt te schieten, slaagt zijn verweer niet omdat de omgevingsfactoren het naar het oordeel van de rechtbank onmogelijk maken om zeker te stellen dat door het afvuren van een dergelijk schot niemand fataal geraakt wordt. Verdachte bevond zich in de parkeergarage op enige afstand van de uitgang. Vanuit die positie is alleen het gedeelte van de Lange Leidsedwarsstraat zichtbaar dat zich voor de uitgang van het pand bevindt en eventueel nog een klein gedeelte van het raam. Personenverkeer dat door de straat gaat, is pas zichtbaar wanneer het dit straatdeel passeert. Behalve mensen die de parkeergarage hadden kunnen komen inlopen, hadden ook toevallige voorbijgangers – voetgangers of fietsers die door de straat kwamen – door deze kogel kunnen worden geraakt. Verdachte moet zich hiervan, ondanks zijn lichte verstandelijke beperking, bewust zijn geweest. De stelling van verdachte dat het schot als waarschuwing was bedoeld en hij zeker had gesteld dat hij geen personen kon raken, treft geen doel omdat het gezien de positie waar hij zich bevond feitelijk onmogelijk was om daarvan een adequate inschatting te maken. De rechtbank acht de kans dat verdachte met deze kogel een willekeurige voorbijganger had kunnen raken daarom aanmerkelijk. Gezien de hoogte van de baan van de kogel, was de kans dat de kogel een vitaal deel van een lichaam had geraakt eveneens aanmerkelijk.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de tenlastegelegde poging tot doodslag bewezen. Het verweer dat het middel absoluut dan wel relatief ondeugdelijk was ten opzichte van mogelijke personen aanwezig in het pand aan de overzijde van de straat behoeft daarom geen bespreking.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.1 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 9 oktober 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een onbekend gebleven persoon van het leven te beroven, met dat opzet in een parkeergarage met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd in de richting van de openbare weg;

2.

op 9 oktober 2016 te Amsterdam een wapen van categorie III onder 1, te weten een getransformeerd start/alarmpistool (BBM 315 Auto) en munitie van categorie III, patronen Sellier & Bellot, kaliber 6.35 mm Browning, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, eerste en tweede alternatief/cumulatief, en de onder 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 16 januari 2017. Daarnaast heeft de officier van justitie toewijzing gevorderd van de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel, opgelegd door de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 10 maart 2016 (parketnummer 05/008138-16 ).

8.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat een toename van de ernst van de gepleegde feiten niet zonder meer meebrengt dat jeugdstrafrecht niet meer aangewezen is, maar dat gekeken moet worden naar de concrete omstandigheden van de verdachte. In dit geval verzoekt de raadsman rekening te houden met zwakbegaafdheid van verdachte en wijst hij erop dat het voor zich spreekt dat iemand met een dergelijk strafblad niet zo snel vooruitgang boekt. Van belang is dat het vertrouwen gewonnen wordt en dat er nu een band is met de behandelaar. De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat een hoge straf niet bij verdachte past en wijst erop dat het om een omgebouwd alarmpistool gaat, een licht kaliber vuurwapen. Ten slotte verzoekt de raadsman de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf primair buiten behandeling te laten omdat het geen verband met de onderhavige zaak heeft en subsidiair om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en verboden wapenbezit door ’s nachts rond 5.00 uur vanuit een parkeergarage in een uitgaansgebied schoten te lossen met een omgebouwd alarmpistool. Verdachte heeft zelf verklaard dat de schoten bedoeld waren om personen af te schrikken van wie één hem korte tijd daarvoor had gepoogd te beroven. Deze verklaring vindt echter onvoldoende steun in het dossier. Weliswaar zijn er aanwijzingen dat verdachte ruzie heeft gehad met een voor hem onbekend persoon in zijn auto, maar getuige [slachtoffer 1] bevestigt niet dat verdachte dit gemeld heeft en uit diens verklaringen blijkt enkel dat verdachte veelvuldig vloekte omdat hij zijn autosleutels niet snel terugkreeg omdat zijn parkeerkaart kwijt was. Ook de verklaring dat het pistool door de overvaller in de auto van verdachte was achtergelaten, acht de rechtbank niet aannemelijk, evenals de verklaring van verdachte dat hij nog nooit eerder met een vuurwapen had geschoten. Van de door hem gestelde eigen schrikreactie na het vuren blijkt bijvoorbeeld niet op de camerabeelden. Nog los daarvan kunnen deze verklaringen, naar de rechtbank begrijpt kennelijk bedoeld als verzachtende omstandigheden, het handelen van verdachte niet rechtvaardigen, nu gesteld noch gebleken is dat sprake was van een noodweer(exces)situatie.

Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens is naar zijn aard gevaarlijk voor iedere burger die met het gebruik ervan zou kunnen worden geconfronteerd. Het voorhanden hebben van vuurwapens bevordert het gebruik ervan en daarom dient daartegen uit oogpunt van generale preventie streng te worden opgetreden. Daarnaast weegt het voor de rechtbank zwaar dat verdachte in de openbare ruimte en bovendien in een uitgaansgebied een vuurwapen voorhanden heeft gehad en daarmee twee schoten heeft gelost, waarvan één mogelijk een willekeurige voorbijganger fataal had kunnen raken. Met zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank verder acht geslagen op de straffen die zij in vergelijkbare gevallen hanteert, hetgeen resulteert in een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd, en heeft zij rekening gehouden met de zwakbegaafdheid van verdachte, als ook met het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 16 januari 2017. De rechtbank sluit zich aan bij dit advies en ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om adolescentenstrafrecht toe te passen. Het betoog van de raadsman, dat bij die beoordeling geen rekening mag worden gehouden met de toenemende ernst van de gepleegde delicten, maar enkel gekeken moet worden naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, vindt geen steun in het recht. Verder is gesteld noch gebleken welke persoonlijke omstandigheden van verdachte dermate zwaarwegend zijn dat hij volgens de regels van het adolescentenstrafrecht zou moeten worden bestraft. De rechtbank ziet aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van aanzienlijke duur.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde feiten.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 17 oktober 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 05/008138-16 , betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 10 maart 2016 van de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 2 (twee) weken niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

Nu de rechtbank als straf in de hoofdzaak een gevangenisstraf heeft opgelegd van aanzienlijke duur, ziet zij om dezelfde reden dat in die zaak geen adolescentenstrafrecht is toegepast, aanleiding om in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de resterende 2 (twee) weken jeugddetentie, met toepassing van artikel 77d, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 2 (twee) weken gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 1, tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, eerste alternatief/cumulatief en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1

poging tot doodslag

2

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

4. dat veroordeelde zich na onherroepelijk worden van dit vonnis binnen twee werkdagen tussen 10 en 12 uur moet melden bij Reclassering Nederland, [locatie reclassering] , telefoonnummer: [telefoonnummer] en dat hij zich houdt aan de afspraken en aanwijzingen zo lang als de reclassering dat nodig acht;

5. dat veroordeelde zal meewerken aan een behandeling of begeleiding gericht op het vergroten van inzicht in de consequenties van zijn gedrag indien zulk een behandeling of begeleiding geïndiceerd is. Veroordeelde zal daartoe voor een intakeprocedure worden aangemeld bij een (forensische) instelling voor mensen ,et een verstandelijke beperking..

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis van 10 maart 2016 van de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem met parketnummer 05/008138-16 , de tenuitvoerlegging van 2 (twee) weken gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. van Eunen, voorzitter,

mrs. M.E.B. Nyman en M.C. Eggink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 februari 2017.