Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1648

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
05-04-2017
Zaaknummer
15/7525
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke Strafontslag voor ambtenaar van de Belastingdienst vanwege ernstig plichtsverzuim. Aan eiser wordt verweten het ten onrechte ontvangen van kinderopvangtoeslag en het doen van onjuiste aangiftes IB. Daarnaast de ten uitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag vanwege een nieuw loonbeslag en de schorsing van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0926
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 15/615, AMS 15/903 en AMS 15/7525

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. D.F.L. van der Hout),

en

De staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. A.A.W.M. van Gerwen).

Procesverloop

AMS 15/903

Bij besluit van 12 augustus 2013 heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar.

Bij besluit van 7 januari 2015 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen het voorwaardelijk strafontslag ongegrond verklaard.

AMS 15/615

Bij besluit van 4 augustus 2014 heeft verweerder eiser geschorst in het belang van de dienst.

Bij besluit van 5 november 2014 heeft verweerder het besluit van 4 augustus 2014 vervallen verklaard en eiser geschorst op grond van de hem inmiddels aangezegde tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag. Daarnaast heeft verweerder gedurende deze schorsing één derde van het salaris van eiser ingehouden.

Bij de beslissing op bezwaar van 18 december 2014 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiser gericht tegen de schorsing ongegrond verklaard.

AMS 15/7525

Bij besluit van 8 januari 2015 heeft verweerder eiser de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag met ingang van 10 januari 2015 aangezegd.

Bij besluit van 15 oktober 2015 (het bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag ongegrond verklaard.

AMS 15/615, AMS 15/903 en AMS 15/7525

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten I, II en III afzonderlijk beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016.

Eiser was aanwezig en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was namens verweerder [de persoon] aanwezig op de zitting.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten.

1.2.

Eiser was werkzaam voor verweerder, laatstelijk als [functie] bij [de afdeling] van [bedrijf] te [plaats] .

1.3.

Bij e-mail van 12 juli 2011 heeft verweerder aan eiser bericht dat hij met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 in aanmerking komt voor een hogere functieschaal en daarmee een verhoging van zijn salaris.

1.4.

Op 7 oktober 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en zijn leidinggevenden waarin een opgelopen belastingschuld bij Belastingdienst Toeslagen als gevolg van teveel genoten kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 en een achterstand in de betaling van de inkomstenbelasting aan de orde zijn gekomen.

1.5.

Bij brief van 20 november 2011 heeft verweerder eiser het voornemen tot het opleggen van voorwaardelijk strafontslag vanwege ernstig plichtsverzuim, kenbaar gemaakt.

1.6.

Bij dwangbevel van 1 december 2011 heeft de Belastingdienst Toeslagen vastgesteld dat eiser een achterstand heeft opgelopen in de betaling van de terugvordering kinderopvangtoeslag 2008 en is een bevel aan eiser gegeven tot betaling van de vordering.

1.7.

Bij uitspraak van 24 januari 2012 ( Awb 11/5121) heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van eiser gericht tegen de nihil stelling van de kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009 ongegrond verklaard.

1.8.

Bij brief van 8 mei 2012 heeft de Belastingdienst Toeslagen eiser bericht dat zij loonbeslag op het salaris van eiser hebben laten leggen voor de achterstand in de betaling van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag over 2008.

1.9.

Bij brief van 15 augustus 2012 is verweerder geïnformeerd over het opgelegde loonbeslag met ingang van juli 2012.

1.10.

Bij brief van 18 april 2013 heeft de Belastingdienst Toeslagen aan eiser bericht dat hij niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor uitstel van betaling voor het terug te vorderen bedrag ten aanzien van de kinderopvangtoeslag over 2009 en dat eiser daarmee gehouden is de gehele terugvordering van kinderopvangtoeslag over 2009 in één keer te voldoen. Bij brief van 23 april 2013 heeft de Belastingdienst Toeslagen aan eiser bericht dat de loonvordering voor 2009, die eerder is gelegd, zal worden gecontinueerd.

1.11.

Bij brief van 19 april 2013 is aan eiser het voornemen medegedeeld dat voorwaardelijk strafontslag zal worden opgelegd. Bij brief van 13 juni 2013 heeft eiser op dit voornemen gereageerd. Op 25 juni 2013 heeft een hoorzitting plaatsgevonden naar aanleiding van dit voornemen.

1.12.

Op 23 juni 2013 is de nabetaling van het salaris van eiser, als gevolg van zijn salarisverhoging met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008, uitgekeerd en direct verrekend met het gelegde loonbeslag.

1.13.

Bij het besluit van 12 augustus 2013 is eiser in verband met het ten onrechte ontvangen van kinderopvangtoeslag over de periode van 1 maart tot en met 31 december 2008 en geheel 2009, het onbetaald laten van een grote belastingschuld en het uiteindelijke loonbeslag op zijn salaris, ernstig plichtsverzuim verweten. Ten aanzien van het opvoeren van aftrekposten in voorlopige belastingaangiften die in de definitieve aangiften niet meer voorkomen, is eiser eenvoudig plichtsverzuim verweten. Gelet op de aard, omvang en ernst van het plichtsverzuim is aan eiser de straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd, met dien verstande dat de straf van ontslag niet ten uitvoer wordt gelegd indien eiser gedurende een periode van twee jaar zich niet schuldig maakt aan soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim. Tevens is eiser de bijkomende straf van de inhouding van 40 vakantie uren van het jaarlijkse recht op vakantie opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend.

1.14.

Bij deurwaardersexploot van 23 april 2014 is, ter uitvoering van een verstekvonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 11 oktober 2013 (2385108 CV EXPL 13-24376), met ingang van mei 2014 beslag gelegd op het salaris van eiser. Dit loonbeslag is gelegd op verzoek van [bedrijf 1] ) en is het gevolg van het niet voldoen van de zorgpremie in augustus en september 2012.

1.15.

Bij brief van 4 augustus 2014 heeft verweerder de beslaglegging op het salaris van eiser door [bedrijf 1] als zeer ernstig plichtsverzuim aangemerkt en het voornemen geuit eiser voor te dragen voor het ten uitvoer leggen van het eerder opgelegde voorwaardelijk strafontslag.

1.16.

Bij besluit van 4 augustus 2014 is eiser per dezelfde datum geschorst in het belang van de dienst (eerste besluit tot schorsing) en is hem de toegang tot de gebouwen en zijn werk ontzegd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend.

1.17.

Bij brief van 5 november 2014 heeft verweerder aan eiser het voornemen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim kenbaar gemaakt.

1.18.

Bij besluit van 5 november 2014 heeft verweerder het eerste schorsingsbesluit van 4 augustus 2014 vervallen verklaard en eiser geschorst nu hem het voornemen tot de ten uitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag te kennen is gegeven. Gedurende de eerste zes weken is daarbij één derde van het salaris van eiser ingehouden, daarna het volledige salaris. Verweerder heeft aan deze schorsing dezelfde gronden ten grondslag gelegd als aan het eerste schorsingsbesluit. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.19.

Eiser is uitgenodigd voor een hoorzitting op 28 november 2014.

1.20.

Bij brief van 24 november 2014 heeft eiser gereageerd op de uitnodiging voor de hoorzitting. Eiser stelt in deze brief dat door het uitblijven van een reactie op zijn bezwaarschrift gericht tegen het besluit tot voorwaardelijk strafontslag van 12 augustus 2013, zijn bezwaren akkoord zijn bevonden en het voorwaardelijk strafontslag geen werking heeft gekregen. Ook stelt eiser dat nu er geen gemotiveerd bezwaar ligt er ook geen hoorzitting kan plaats vinden.

1.21.

In een schriftelijke reactie van 28 november 2014 heeft verweerder meegedeeld dat verweerder de brief van 24 november 2014 van eiser heeft opgevat als een mededeling dat eiser niet gehoord wenst te worden.

1.22.

Bij brief van 7 december 2014 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het schorsingsbesluit van 5 november 2014 en de inhouding van één derde van zijn bezoldiging.

1.23.

Bij besluit van 18 december 2014 is het bezwaar van eiser tegen de eerste schorsing ongegrond verklaard. Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft verweerder de bezwaren van eiser gericht tegen het voorwaardelijk strafontslag ongegrond verklaard.

1.24.

Bij het besluit van 8 januari 2015 heeft verweerder eiser wegens ernstig plichtsverzuim de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag aangezegd met ingang van 10 januari 2015. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [bedrijf 1] op 23 april 2014 opnieuw loonbeslag op eisers salaris heeft gelegd en eiser hierover geen enkele openheid heeft betracht richting zijn werkgever, die zich hiermee geconfronteerd zag na een signaal in P-Direkt.

1.25.

Bij uitspraak van 8 mei 2015 (AMS 15/2022 en AMS 15/2023) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen afgewezen.

1.26.

In het besluit van 15 oktober 2015 heeft verweerder de bezwaren van eiser gericht tegen de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de gevolgde procedure

2.1.

Eiser stelt in beroep dat hij niet in de gelegenheid is gesteld de gronden van zijn bezwaar tegen het voorwaardelijk strafontslag aan te vullen. Nu hij hiertegen geen gronden in bezwaar heeft ingediend, had het op de weg van verweerder gelegen om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van gronden. Ook is eiser niet in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten. Zijn brief van 24 november 2014 voldoet, aldus eiser, niet aan de in artikel 7:3, lid c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde eisen. Verweerder had er niet van uit mogen gaan dat eiser geen hoorzitting wenste. Voorts stelt eiser dat, nu het bezwaar tegen het voorwaardelijk strafontslag niet is behandeld, verweerder ook niet had kunnen over gaan tot de tenuitvoerlegging daarvan.

2.2.

De rechtbank stelt vast dat in juli 2012 loonbeslag is gelegd op het salaris van eiser. Verweerder is hier bij brief van 15 augustus 2012 over geïnformeerd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder er in deze brief op gewezen is dat in overeenstemming met de interne richtlijn loonbeslagen aan eiser via de bedrijfsmaatschappelijk werker schuldhulpverlening kan worden aangeboden. De rechtbank kan uit de stukken niet opmaken of dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Verder stelt de rechtbank vast dat het loonbeslag van juli 2012 pas op 12 augustus 2013, meer dan een jaar later, tot het besluit van voorwaardelijk strafontslag heeft geleid.

2.3.

Eiser heeft op 15 augustus 2013 (voorlopig) bezwaar gemaakt tegen het besluit tot voorwaardelijk strafontslag en verzocht om een termijn voor het indienen van de gronden van het bezwaar. Bij deze brief heeft eiser een bijlage gevoegd. In deze bijlage heeft eiser zijn visie gegeven op het voorwaardelijke strafontslag. De in deze visie genoemde argumenten kunnen naar het oordeel van de rechtbank als gronden van bezwaar worden aangemerkt. Verweerder heeft het bezwaar van eiser terecht ontvankelijk verklaard en inhoudelijk kunnen behandelen.

2.4.

Ook de behandeling door verweerder van het bezwaar tegen het voorwaardelijk strafontslag heeft meer dan een jaar op zich laten wachten. Het verwondert de rechtbank dan ook dat verweerder bij brief van 28 november 2014 heeft aangenomen dat eiser zijn voorlopig bezwaar niet meer wenste aan te vullen en zou afzien van de wens om te worden gehoord. De rechtbank volgt eiser in diens stelling dat verweerder uit de brief van 24 november 2014 niet had kunnen afleiden dat hij afzag van het recht om in bezwaar te worden gehoord en zijn gronden niet meer wenste aan te vullen. Zulks blijkt niet expliciet uit de inhoud van deze brief. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren nu eiser in het vervolg van de procedure in ruime mate in de gelegenheid is gesteld zijn standpunten naar voren te brengen en toe te lichten.

2.5.

Doordat verweerder eerst op 7 januari 2015 bij het bestreden besluit I een beslissing heeft genomen op de bezwaren van eiser, heeft dat er wel toe geleid dat de procedures van het voorwaardelijk strafontslag en de tenuitvoerlegging daarvan tegelijkertijd en veelal ook door elkaar lopen. Dat verweerder, ondanks dat het voorwaardelijk strafontslag nog niet onherroepelijk was, heeft besloten tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag, kan verweerder echter niet worden tegengeworpen. Op grond van artikel 6:16 van de Awb leidt het maken van bezwaar of het instellen van beroep immers niet tot schorsing van rechtswege van het bestreden besluit.

2.6.

Gelet op het voorgaande moet geconcludeerd worden dat de door verweerder gevolgde procedure onzorgvuldig is verlopen en dat dit, met name gelet op het tijdsverloop, onzekerheid voor eiser met zich mee heeft gebracht. Gelet op het belang van eiser, het betreft hier immers zijn baan, kan de rechtbank zich goed voorstellen dat dit tot gevoelens van onvrede aan de zijde van eiser heeft geleid. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om hier verdere gevolgen aan te verbinden.

Ten aanzien van het voorwaardelijk strafontslag

3. Eiser heeft in beroep tegen het voorwaardelijk strafontslag aangevoerd dat zijn kinderen heel 2008 en 2009 wel degelijk kinderopvang hebben genoten, maar dat hij als gevolg van het faillissement van het gastouderbureau de overeenkomst niet meer kan aantonen. Eiser verwijst naar de beslissing op bezwaar van 7 april 2011 van de Belastingdienst Toeslagen, waaruit blijkt dat aan de bezwaren van eiser voor de kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2008 volledig tegemoet gekomen is. Voorts stelt eiser dat verweerder wist van de nog uit te keren nabetaling van zijn salaris als gevolg van de plaatsing in een andere functieschaal. Een spoedigere uitbetaling hiervan had de financiële problemen van eiser kunnen voorkomen. Ten aanzien van het ten onrechte opvoeren van aftrekposten in de (inkomsten)aangifte privé voert eiser aan dat de aftrekpost studiekosten automatisch is ingevuld in de aangifte nadat hij deze kosten in 2006 heeft opgevoerd in zijn voorlopige aangifte en dat hij niet gezien heeft dat deze zijn blijven staan. Het betreft hier dus geen actief handelen maar een nalaten. Voorts voert hij aan dat het niet zijn eigen aanslagen betreffen maar die van zijn vrouw, tevens fiscaal partner. Ook stelt eiser dat het bedrag van € 41,25 aan voordeel per maand, verwaarloosbaar is. Bovendien heeft eiser als gevolg van de nabetaling van zijn salaris juist alsnog belasting moeten betalen.

4.1.

Op grond van artikel 50, eerste lid van het Algemeen Rijksambtenaren Reglement (ARAR) is de ambtenaar gehouden de plichten die uit zijn functie voortvloeien nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.

4.2.

In artikel 80 van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Voor het opleggen van een disciplinaire straf is vereist dat het plichtsverzuim de ambtenaar kan worden toegerekend. De straf dient voorts evenredig te zijn aan het gepleegde verzuim.

4.3.

Op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l van het ARAR is de disciplinaire straf, welke kan worden opgelegd, ontslag.

Op grond van het derde lid kan bij het opleggen van een straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Volgens vaste jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 24 februari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP5986), moet in ambtenarenzaken de bestuursrechter bij een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vaststellen of de betrokken ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten kunnen ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het besluit. Voorts dient het plichtsverzuim aan de ambtenaar te zijn toe te rekenen en dient de genomen maatregel in verhouding te staan tot het plichtsverzuim.

7.1.

Ten aanzien van de ten onrechte genoten kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de ter beschikking staande stukken over 2008 en 2009 genoegzaam dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden voor de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag, nu hij geen overeenkomst of betalingsbewijzen kan overleggen. De rechtbank gaat daarbij voorbij aan de beslissing op bezwaar van 7 april 2011, te meer omdat uit het verdere dossier blijkt dat uiteindelijk niet volledig is tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiser voor wat betreft het toeslagjaar 2008. In de uitspraak van deze rechtbank van 24 januari 2012 (zie rechtsoverweging 1.7) is daarnaast geoordeeld dat eiser de kinderopvangtoeslag over 2009 ten onrechte heeft ontvangen, omdat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Het ten onrechte ontvangen van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 levert naar het oordeel van de rechtbank ernstig plichtsverzuim op, welke aan eiser is toe te rekenen. Dit geldt te meer nu eiser bij [bedrijf] als [functie] werkzaam is, met alle verantwoordelijkheden die bij een dergelijke specifieke functie horen. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder terecht hoge eisen stelt aan de integriteit van ambtenaren van [bedrijf] , in het bijzonder wanneer het fiscale aangelegenheden betreft, zoals in het geval van eiser.

7.2.

Voor wat betreft het gelegde loonbeslag als gevolg van het niet betalen van de terugvordering van de Belastingdienst Toeslagen overweegt de rechtbank dat verweerder in juli 2011 eiser een salarisverhoging heeft toegezegd met terugwerkende kracht. Blijkens de gespreksnotitie van 7 oktober 2011 waren eisers leidinggevenden vanaf dat moment op de hoogte van de belastingschuld van eiser. Desondanks is verweerder niet overgegaan tot het uitbetalen van de nabetaling. Verweerder is bij brief van 15 augustus 2012 geïnformeerd over het opgelegde loonbeslag op het salaris van eiser. Ondanks herhaalde verzoeken van eiser om de uitbetaling van zijn salarisverhoging (met terugwerkende kracht) zo spoedig mogelijk te verrichten om zo zijn schulden te kunnen beperken, heeft verweerder pas in juni 2013 de nabetaling uitgekeerd. Waarom dit niet eerder is gebeurd, heeft verweerder niet afdoende kunnen verklaren. Gelet op deze specifieke gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat verweerder het gelegde loonbeslag uit juli 2012 niet in redelijkheid een jaar later als (ernstig) plichtsverzuim aan eiser kan tegenwerpen. Het loonbeslag was immers mogelijk niet nodig geweest als verweerder niet zo lang had gewacht met de nabetaling, waardoor het gelegde loonbeslag niet enkel eiser valt te verwijten.

7.3.

Ten aanzien van het ten onrechte opvoeren van aftrekposten in de (inkomsten)aangifte privé van 2007 tot en met 2011, oordeelt de rechtbank dat is gebleken dat eiser meermaals een onjuiste voorlopige aangifte heeft gedaan. De gevolgen van het indienen van een onjuiste aangifte komen, ook nu eiser de belastingaangifte van zijn echtgenote heeft ingevuld, gelet op de uitspraak van de Raad van 31 juli 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BD9714), voor het risico van eiser. Van ambtenaren van [bedrijf] mag een verhoogde graad van zorgvuldigheid worden verlangd op het punt van het nakomen van de eigen fiscale verplichtingen. Het maakt geen verschil of het hier een actief handelen of een nalaten betreft. Dat dit komt doordat sommige posten automatisch werden ingevuld en eiser dit niet heeft opgemerkt, maakt dit niet minder ernstig. De omstandigheid dat eiser met zijn handelen geen dan wel minimaal financieel voordeel heeft verkregen leidt ook niet tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat deze handeling als plichtsverzuim moet worden aangemerkt en aan eiser is toe te rekenen.

7.4.

De rechtbank is van oordeel dat, nu eiser zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim, verweerder bevoegd was eiser disciplinair te straffen. De aan eiser opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag kan niet als onevenredig aan de aard en ernst van het door eiser gepleegde plichtsverzuim worden aangemerkt.

Ten aanzien van de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafontslag

8. Eiser heeft in beroep tegen de tenuitvoerlegging van het strafontslag aangevoerd dat hij heel 2012 iedere maand € 100,- heeft overgemaakt aan [bedrijf 1] zodat geen sprake kan zijn van een betalingsachterstand. Eiser heeft dit ook willen aantonen door over het jaar 2012 van iedere maand de betreffende bankafschriften te overleggen. Gelet hierop is er geen sprake van een betalingsachterstand en is er ten onrechte beslag gelegd op zijn salaris, aldus eiser.

9. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2637, en 13 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3738) moet bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke disciplinaire maatregel van ontslag worden beoordeeld of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke disciplinaire maatregel rechtvaardigt. Naast die beoordeling is geen plaats voor een evenredigheidstoetsing. Beoordeeld moet dus worden of de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging is vervuld en, zo ja, of het bestuursorgaan de voor die tenuitvoerlegging in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en in redelijkheid tot die tenuitvoerlegging heeft kunnen komen.

10.1.

Bij het voorwaardelijk strafontslag is bepaald dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd indien eiser zich gedurende een periode van twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim. De rechtbank ziet zich daarmee voor de vraag gesteld of met het door [bedrijf 1] gelegde loonbeslag sprake is van soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim. Dat dit loonbeslag plaats heeft gevonden binnen twee jaar na oplegging van het voorwaardelijk strafontslag is immers niet in geschil.

10.2.

De rechtbank stelt vast dat uit de stukken blijkt dat, naar aanleiding van een vonnis van de kantonrechter van 11 oktober 2013 (zie rechtsoverweging 1.14), op 23 april 2014 namens [bedrijf 1] beslag op het salaris van eiser is gelegd. Verweerder heeft daarin aanleiding gezien over te gaan tot tenuitvoerlegging van het strafontslag. Dat het loonbeslag is gelegd door [bedrijf 1] wordt door eiser ook niet ontkend. Eiser stelt echter dat dit beslag ten onrechte is gelegd, nu hij maandelijks zijn premie heeft voldaan. Nu er feitelijk wel loonbeslag is gelegd en dit naar aanleiding van een vonnis van de kantonrechter is gebeurd, is het aan eiser om zijn standpunt over de juistheid van dat loonbeslag te onderbouwen. In deze zaak heeft eiser dat enkel gedaan door bankafschriften van die betalingen te overleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter niet voldoende. Indien eiser daadwerkelijk geen betalingsachterstand bij [bedrijf 1] had gehad, had het op de weg van eiser gelegen om contact op te nemen met [bedrijf 1] om duidelijkheid te verkrijgen over het al dan niet bestaan van die schuld. Na een eerder foutief door [bedrijf 1] gelegd loonbeslag, heeft [bedrijf 1] eiser immers een brief gestuurd waarin [bedrijf 1] verklaart dat het loonbeslag ten onrechte had plaatsgevonden. Een vergelijkbare brief is in dit geval niet door [bedrijf 1] afgegeven, terwijl eiser tot aan de zitting de tijd heeft gehad om die verklaring van [bedrijf 1] te verkrijgen. Ook heeft eiser op de zitting desgevraagd niet kunnen onderbouwen hoe het kan dat hij ondanks de betalingen volgens de overgelegde bankafschriften toch door de kantonrechter is veroordeeld alsmede dat er beslag is gelegd op het salaris van eiser. Nu eiser op er dit punt niet in is geslaagd zijn stelling met bewijsstukken te onderbouwen, zal de rechtbank uitgaan van de juistheid van het door [bedrijf 1] gelegde loonbeslag.

10.3.

Nu opnieuw loonbeslag is gelegd, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat sprake is van soortgelijk plichtsverzuim. Immers, eiser heeft opnieuw een schuld laten ontstaan en heeft hij zijn financiële zaken niet goed op orde gehad, terwijl dit juist vanuit zijn werkzaamheden bij [bedrijf] van eiser verwacht mocht worden. De rechtbank is verder van oordeel dat de verweten gedraging hem valt aan te rekenen. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat eiser op geen enkele wijze actie heeft ondernomen om de loonbeslagen te voorkomen dan wel verweerder hierover actief en uit eigen beweging te informeren.

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf heeft kunnen besluiten.

Ten aanzien van de schorsing

12. Eiser heeft in beroep tegen de schorsing naar voren gebracht dat er geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden naar het loonbeslag door [bedrijf 1] alvorens hij geschorst is. Eiser stelt dat hij als gevolg van de inhouding van zijn salaris verder financieel in de problemen is gekomen.

13. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder hangende het bezwaar gericht tegen het schorsingsbesluit (in het belang van de dienst; het eerste schorsingsbesluit), het schorsingsbesluit (wegens het voornemen tot het tenuitvoerleggen van het voorwaardelijk strafontslag; het tweede schorsingsbesluit) heeft genomen. Uit dit tweede besluit blijkt dat verweerder de gronden voor de schorsing heeft gehandhaafd en alleen een andere juridische grondslag aan de schorsing heeft gegeven. Daarnaast is verweerder in dit tweede schorsingsbesluit overgegaan tot (gedeeltelijke) inhouding van het salaris van eiser. Anders dan verweerder in zijn besluit van 18 december 2014 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel, dat het bezwaar van eiser, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, ook gericht is tegen het tweede schorsingsbesluit. Nu met dit besluit niet tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiser - de schorsing is immers gecontinueerd- ziet het bezwaar van eiser zowel op het eerste als het tweede schorsingsbesluit. Het besluit van 18 december 2014 is dan ook een beslissing op bezwaar die deze beide schorsingsbesluiten omvat. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om ook in beroep de gehele periode van schorsing te bezien en zich eveneens uit te laten over hetgeen eiser hierover aanvoert.

14.1.

Artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het ARAR, luidt: onverminderd het bepaalde in artikel 81, eerste lid onder k, kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst wanneer hem door het daartoe bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd.

Op grond van onderdeel c van dat artikel kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst wanneer, naar het oordeel van het bevoegde gezag, het belang van de dienst zulks vordert.

14.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4418) is een concrete verdenking van plichtsverzuim in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel, als aan de integriteit van de betrokken ambtenaar moet worden getwijfeld en het in hem te stellen vertrouwen zozeer is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werk blijft doen.

15.1.

Ten aanzien van de eerste schorsing (in het belang van de dienst), ingaande op 4 augustus 2014 en lopend tot en met 6 november 2014, oordeelt de rechtbank dat de op dat moment voorhanden zijnde gegevens met betrekking tot het door [bedrijf 1] gelegde loonbeslag een toereikende grondslag vormden voor een schorsing in het belang van de dienst, in afwachting van de bevindingen van verder onderzoek.

15.2.

Ten aanzien van de voorzetting van de schorsing met ingang van 7 november 2014, overweegt de rechtbank dat nu uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot de ten uitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag, verweerder ook heeft kunnen overgaan tot de continuering van de schorsing van eiser.

Ten aanzien van de inhouding van het salaris

16.1.

Verweerder heeft aan de inhoudingen van het salaris artikel 92, eerste lid, van het ARAR ten grondslag gelegd. Daarin is bepaald dat tijdens de schorsing de bezoldiging voor één derde gedeelte kan worden ingehouden en dat na verloop van zes weken een verdere inhouding, ook van het volle bedrag van de bezoldiging, kan plaatsvinden. Ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid voert verweerder het beleid dat in beginsel van de bevoegdheid tot inhouding van het volle gebruik wordt gemaakt indien de verstoring van de interne orde in overwegende mate aan de betreffende ambtenaar valt toe te rekenen en dat dit slechts anders is indien uit de personeelsadministratie of anderszins blijkt dat het volle gebruik van de bevoegdheid tot inhouding tot onoverkomelijke financiële problemen leidt. Uit vaste jurisprudentie van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3185 en 27 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4118 ) volgt dat dit beleid blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling en dus in redelijkheid door verweerder kan worden toegepast.

16.2.

Eiser heeft gewezen op zijn betalingsverplichtingen en de onmogelijkheid daaraan te voldoen bij gebrek aan inkomsten als gevolg van de inhouding van zijn inkomsten. Een concrete onderbouwing van onoverkomelijke financiële problemen als gevolg van de volledige inhouding van zijn salaris heeft eiser niet gegeven.

16.3.

Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim en de omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde inhouding van de bezoldiging niet onevenredig is aan het plichtsverzuim. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen besluiten tot inhouding van de bezoldiging. De beroepsgronden van eiser ten aanzien van de inhouding van de bezoldiging kunnen dan ook niet slagen.

17. De rechtbank zal de beroepen van eiser ongegrond verklaren.

18. Nu de rechtbank de beroepen van eiser ongegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of een vergoeding van de griffierechten.

19. Tenslotte heeft eiser aangevoerd schade te hebben geleden. De rechtbank wijst dit verzoek af nu de beroepen ongegrond worden verklaard.

Beslissing

In de zaken AMS 15/903, AMS 15/615 en AMS 7525

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bachrach, voorzitter, mr. B.C. Langendoen en mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden, in aanwezigheid van mr. A. Mol, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.