Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:162

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7506
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Art. 8:81 Awb, WVW, alcoholtolerantie, diagnose alcoholmisbruik in ruimere zin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/7506

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2017 in de zaak tussen

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker

en

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Kleijbeuker).

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2017. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Aanleiding voor het besluit

2.1

Op 20 november 2015 is verzoeker als bestuurder van een motorrijtuig aangehouden met een te hoog ademalcoholgehalte 635 ugl (1,461 promille). Dit heeft geleid tot een mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) en het CBR heeft aan verzoeker een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd.

Het (eerste) onderzoek naar de geschiktheid heeft plaatsgevonden op 23 juli 2016 en is uitgevoerd door [naam 1] , arts en [naam 2] , psychiater. Het onderzoek heeft bestaan uit lichamelijk, psychiatrisch en laboratoriumonderzoek.

2.2

In het verslag van bevindingen heeft de psychiater geconcludeerd dat er voldoende aanwijzingen aanwezig zijn om te kunnen concluderen dat er ten tijde van de aanhouding op 20 november 2015 op basis van alle relevante gegevens, de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld kan worden.

Bij het onderzoek zijn de volgende afwijkende bevindingen vastgesteld:

- Verzoeker is als jong bestuurder met verhoogd promillage van 1,461 aangehouden. Hierbij is geen sprake van sociaal alcoholgebruik en vormt een aanwijzing voor alcoholmisbruik.

- Verzoeker had het rijbewijs nodig voor het werk en door toch te rijden na inname alcohol riskeerde hij problemen met betrekking tot het werk. Dit is volgens de psychiater ook een aanwijzing voor alcoholmisbruik.

- Verzoeker heeft met een verhoogd promillage een flinke afstand gereden (10 km). Dit is een aanwijzing voor verhoogde alcoholtolerantie.

- Het door verzoeker opgegeven sociaal gebruik van alcohol strookt niet met het promillage wat tijdens de aanhouding is vastgesteld. De alcoholanamnese is hierdoor onbetrouwbaar, aldus de psychiater.

- Verzoeker heeft een tolerantie opgebouwd die niet kan worden verklaard uit het opgegeven alcoholgebruik, maar is zeer waarschijnlijk het gevolg van onderrapportage.

- Verzoeker heeft een verhoogde bloeddruk wat kan wijzen op chronisch overmatig alcoholgebruik, maar kan ook door een aantal andere reden zijn verhoogd.

- Hoewel verzoeker aangeeft dat het een speciale gelegenheid betrof, blijft de tolerantie niet verklaarbaar uit het opgegeven matig alcoholgebruik. Volgens de psychiater is dus sprake van onderrapportage van het opgegeven gebruik.

Het besluit

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat uit het onderzoek is gebleken dat verzoeker niet aan de gestelde eisen van geschiktheid voldeed op het moment dat hij werd aangehouden. Het rijbewijs van verzoeker moet daarom ongeldig worden verklaard. Verweerder heeft daarbij gewezen op artikel 134 van de Wvw en paragraaf 8.8. van de Regeling eisen geschiktheid 2000. Daarin staat dat personen die misbruik maken van alcohol zonder meer ongeschikt zijn en een gevaar opleveren voor de verkeersveiligheid.

Het verzoek

4. Verzoeker voert aan afhankelijk te zijn van zijn rijbewijs. Volgens verzoeker is bij hem sprake van sociaal gebruik van alcohol. Het enkel aantreffen van 1.461 promille is onvoldoende om misbruik in ruimere zit aan te nemen. Bij een ervaren bestuurder ligt een dergelijk percentage veel hoger. Dat hij geen incidentele drinker zou zijn met een dergelijk promillage acht verzoeker gelet op het rapport van de politie niet juist. In dat rapport staat namelijk dat hij slingerde en met dubbele tong sprak. Hij bestrijdt de conclusie dat hij een verhoogde tolerantie heeft wat duidt op misbruik. Het enkel feit van de verhoogde bloeddruk, zonder dat er andere aanwijzingen zijn kan evenmin de conclusie dragen dat er sprake zou zijn van alcoholmisbruik. Kortom verzoeker meent geen alcoholtolerantie te hebben opgebouwd.

Beoordeling van het verzoek.

5.1

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding voor het niet in stand laten van het bestreden besluit indien het rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat verweerder zich daarop niet heeft mogen baseren. Aan de rapportage komt dan ook een zeer belangrijke betekenis toe. De voorzieningenrechter wijst op een uitspraak van de ABRvS van 26 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:297).

5.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat de rapportage gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig is of anderszins niet of niet voldoende concludent is. Zo is de psychiater uitgegaan van de juiste afstand die is gereden, het juiste promillage dat - zoals door verzoeker is erkend - neerkomt op negen glazen alcohol. Dit brengt mee dat verweerder zich heeft mogen baseren op deze rapportage.

5.3

Het standpunt van verzoeker dat bij hem als beginnend bestuurder bij een lager alcoholpromillage al alcoholmisbruik wordt aangenomen dan bij een ervaren bestuurder is niet juist. Bij een beginnend bestuurder als verzoeker wordt op grond van artikel 23 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 bij een aangetroffen promillage van 1.3 een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. Bij een ervaren bestuurder ligt dat promillage op 1.8. Dit is een dwingendrechtelijk criterium dat wordt gehanteerd bij het opleggen van een onderzoek naar alcoholmisbruik bij houders van een rijbewijs. Dat een beginnend bestuurder in vergelijking tot een ervaren bestuurder eerder aan een dergelijk onderzoek moet meedoen is ingegeven door de omstandigheid dat beginnende bestuurders meer ongelukken veroorzaken. Het onderzoek moet vervolgens uitwijzen of er inderdaad sprake is van alcoholmisbruik.

5.4

Verzoeker bestrijdt dat bij hem sprake was van verhoogde alcoholtolerantie. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de omstandigheid dat verzoeker, na het drinken van negen glazen alcohol in de loop van drie uur, in staat was om tien kilometer te rijden een aanwijzing is dat verzoeker goed tegen drank kan. Deze alcoholtolerantie is opgebouwd door meer dan alleen sociaal te drinken. Niet valt in te zien dat verweerder zich niet op de conclusie over alcoholtolerantie van de psychiater heeft kunnen baseren. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat de psychiater in de omstandigheden dat, zoals in het rapport staat vermeld, verzoeker is aangehouden wegens afwijkend rijgedrag en verzoeker heeft verklaard zich niet nuchter te voelen tijdens het rijden en te dronken was om een juiste beslissing te nemen geen aanleiding gezien om tot een andersluidend oordeel te komen. Nu verzoeker geen deskundigenrapport heeft ingebracht ziet de voorzieningenrechter in het aangevoerde geen reden te twijfelen aan de conclusie van de psychiater over alcoholtolerantie.

5.5

Het feit dat uit het bloedonderzoek geen alcoholmisbruik is te herleiden betekent niet dat er geen alcoholmisbruik in ruime zin kon worden vastgesteld. Gelet op de afstand die is gereden en de ingenomen hoeveelheid, biedt het rapport naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aanknopingspunten voor de gestelde diagnose.

Conclusie

6. Uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek, ondanks het gestelde belang, om een voorlopige voorziening af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Coll:EvM