Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:160

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4384
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die de verlening van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Zo’n bijzondere omstandigheid kan zijn dat iemand er pas later bekend mee is geworden dat al op een eerdere datum de uitkering die tot dan toe werd genoten niet meer wordt uitgekeerd. Vervolgens moet die persoon de aanvraag om een bijstandsuitkering dan wel zo snel mogelijk alsnog indienen. Dat laatste heeft eiseres niet gedaan. De rechtbank gaat er vanuit, dat is ook niet betwist door verweerder, dat eiseres pas op 23 of 24 oktober 2015 bekend is geraakt met de sanctie vanuit de WIA. Haar aanvraag is daarna niet onverwijld, maar pas op 26 november 2015 bij verweerder ingediend. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat haar dat niet kan worden verweten. Voor zover haar telefonisch is gezegd dat haar aanvraag geen kans van slagen had, bleef ze om toch aanspraak te maken op een uitkering, zelf de verantwoordelijkheid houden om die aanvraag onverwijld in te dienen. Als zo’n aanvraag wordt afgewezen, kunnen daarna immers rechtsmiddelen tegen de afwijzing worden ingesteld om de juistheid ervan te laten toetsen. De rechtbank is, ondanks de door eiseres gestelde en aannemelijk gemaakte medische problemen, ook niet gebleken dat zij daardoor niet in staat was haar aanvraag onverwijld in te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/4384

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2017 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) een bijstandsuitkering toegekend.

Bij besluit van 25 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2016. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiseres heeft op 26 november 2015 een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend vanaf 1 oktober 2015.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres vanaf 26 november 2015 een bijstandsuitkering toegekend.

2.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ingangsdatum van de uitkering in beginsel de dag van de melding is. Bij verweerder is geen eerdere meldingsdatum bekend dan 26 november 2015. Volgens verweerder zijn er geen bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht per 1 oktober 2015 een uitkering toe te kennen. Abusievelijk is aan eiseres bijstand toegekend vanaf 26 november 2015, dit had eigenlijk per 1 februari 2016 moeten zijn, omdat eiseres voor laatstgenoemde datum nog recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering).

2.2

Eiseres wil alsnog bijstand over de periode van 1 oktober 2015 tot 26 november 2016. Zij ontving tot 1 oktober 2015 een WIA-uitkering van haar werkgever via het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Met ingang van 1 oktober 2015 heeft haar ex-werkgever haar een sanctie opgelegd, waarbij haar WIA-uitkering gedurende 4 maanden 100% is gekort. Het UWV had haar daarover niet ingelicht. Zij kwam er pas achter toen de betaling van haar WIA-uitkering op 23 oktober 2015 uitbleef. Om die vier maanden te overbruggen heeft eiseres op 24 oktober 2016 geprobeerd digitaal een bijstandsuitkering aan te vragen. Door haar afwijkende situatie kon zij het formulier niet goed invullen. Zij heeft dezelfde dag het op de website opgegeven contactnummer gebeld en toen is haar verteld dat zij niet in aanmerking kwam voor een bijstandsuitkering, omdat haar als gevolg van haar eigen handelen een sanctie was opgelegd. Op 22 november 2015 heeft eiseres alsnog een aanvraagformulier ingevuld, omdat dit nog de enige weg was die overbleef, aldus eiseres. Zij is van mening dat het besluit moet worden herzien. Volgens haar heeft zij alle mogelijke inspanningen verricht ondanks de foute informatie van verweerder en het gebrek aan informatie.

3.1

De rechtbank gaat uit van het volgende juridische kader.

3.2

In artikel 44 van de Pw is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

3.3

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), zie onder andere de uitspraak van 8 september 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:3082), wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4. De rechtbank overweegt het volgende. De periode in geschil is 1 oktober 2015 tot 26 november 2015. Over deze periode is het de vraag of verweerder een bijstandsuitkering is verschuldigd aan eiseres.

5.1

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die de verlening van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Zo’n bijzondere omstandigheid kan zijn dat iemand er pas later bekend mee is geworden dat al op een eerdere datum de uitkering die tot dan toe werd genoten niet meer wordt uitgekeerd. Vervolgens moet die persoon de aanvraag om een bijstandsuitkering dan wel zo snel mogelijk alsnog indienen. Dat laatste heeft eiseres niet gedaan. De rechtbank gaat er vanuit, dat is ook niet betwist door verweerder, dat eiseres pas op 23 of 24 oktober 2015 bekend is geraakt met de sanctie vanuit de WIA. Haar aanvraag is daarna niet onverwijld, maar pas op 26 november 2015 bij verweerder ingediend. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat haar dat niet kan worden verweten. Voor zover haar telefonisch is gezegd dat haar aanvraag geen kans van slagen had, bleef ze om toch aanspraak te maken op een uitkering, zelf de verantwoordelijkheid houden om die aanvraag onverwijld in te dienen. Als zo’n aanvraag wordt afgewezen, kunnen daarna immers rechtsmiddelen tegen de afwijzing worden ingesteld om de juistheid ervan te laten toetsen. De rechtbank is, ondanks de door eiseres gestelde en aannemelijk gemaakte medische problemen, ook niet gebleken dat zij daardoor niet in staat was haar aanvraag onverwijld in te dienen.

5.2

Het voorgaande betekent dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om de uitkering van eiseres met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2015 te verstrekken. De vraag of eiseres, als zij wel onverwijld een aanvraag zou hebben ingediend, wel of geen recht zou hebben gehad op bijstand van 1 oktober 2015 tot 26 november 2015 kan verder buiten bespreking blijven.

6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat verweerder haar persoonlijke lening, die zij heeft moeten afsluiten om de periode van de sanctie te overbruggen, aflost. Nu verweerder niet onjuist heeft gehandeld kan het verzoek van eiseres alleen al daarom niet worden toegewezen. Voor zover zij schade heeft geleden omdat haar WIA-uitkering onterecht is gekort, kan die schade aan de orde komen in een procedure tegen de aan eiseres opgelegde korting. Verweerder staat buiten die procedure.

7. Ook wil eiseres dat verweerder afziet van verrekening van de verleende bijstand, als de WIA-uitkering alsnog mocht worden uitbetaald. Een dergelijke verrekening heeft niet plaatsgevonden en betreft daarom een onzekere toekomstige gebeurtenis die de rechtbank niet kan beoordelen. Op het moment dat verrekening plaatsvindt kan eiseres de rechtmatigheid daarvan alsnog aanvallen.

8. Eiseres heeft nog gesteld dat door [betrokkene] , medewerker bij verweerder, tijdens de hoorzitting in bezwaar is gezegd dat alles in orde zou komen. Een dergelijke opmerking, voor zover deze is gemaakt, is niet zo duidelijk en ondubbelzinnig dat eiseres er daarom op mocht vertrouwen dat haar met terugwerkende kracht een uitkering zou worden verleend. Het verslag van de hoorzitting van 30 maart 2016 biedt ook geen aanknopingspunten dat aan eiseres een ondubbelzinnige toezegging is gedaan.

9. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag om bijstand voor de periode van 1 oktober 2015 tot 26 november 2015 op goede gronden heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van H.C. Hagen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.