Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1592

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
13/730046-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opiumwet, voorhanden hebben in een woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730046-16 (Promis)

Datum uitspraak: 9 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedag] 1985,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Hoekstra en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.I. Bloch naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 augustus 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 27,46 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of 21.75 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, in elk geval middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 22 augustus 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 4.12 kilogram hasjies, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjies), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op of omstreeks 22 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een voorwerp, te weten:

- een geldbedrag van (ongeveer) 3.635,- euro; en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 10.599,- euro, althans 98.000,- Noorse Kronen en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 17.137,- euro,

heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) (van (ongeveer) 3.635,- euro en/of 10.599,- euro en/of 17.137,- euro) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomst haar op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, behoudens het onder feit 3 genoemde geldbedrag van € 17.137,00. Hiervoor heeft zij partieel vrijspraak gevraagd omdat dit geldbedrag is aangetroffen in de fouillering van [medeverdachte 1] en niet te herleiden is tot verdachte..

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft onder verwijzing naar zijn pleitnota, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de middelen en geldbedragen die zijn gevonden in de verborgen ruimtes van de slaapkamers kan niet worden vastgesteld dat deze zich binnen de machtssfeer van verdachte hebben bevonden. De wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woonkamer kan evenmin worden aangetoond. Er zijn in de woning geen sporen van verdachte aangetroffen die hem koppelen aan de drugs en het hebben van een sleutel van de woning, of het verblijven in een woning zijn onvoldoende voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van het onder 2 en 3 tenlastegelegde

De rechtbank acht niet bewezen wat onder feit 2 en 3 is ten laste gelegd. Zowel de onder feit 3 ten laste gelegde geldbedragen als de onder feit 2 ten laste gelegde hasjiesj zijn gevonden in afgesloten of verborgen ruimtes waarvan niet vastgesteld kan worden dat verdachte wetenschap heeft gehad van deze ruimtes of de inhoud daarvan. Daarom kan, ondanks zijn verblijf in de woning, niet worden bewezen dat verdachte deze goederen voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van het bedrag dat bij medeverdachte [medeverdachte 1] is aangetroffen kan evenmin worden aangetoond dat verdachte het voorhanden heeft gehad. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder feit 2 en 3 tenlastegelegde.

4.3.2

Het oordeel over het onder 1 tenlastegelegde

Volgens de rechtbank staat vast dat verdachte op 22 augustus 2016 langere tijd in de woning aan [adres] te Amsterdam heeft verbleven. Het observatieteam houdt die dag de woning in de gaten vanaf 11.13 uur. Het observatieteam heeft niet gezien dat verdachte de woning in is gegaan, maar vlak voordat het arrestatieteam diezelfde dag om 14.33 uur de woning binnen wil treden komt verdachte naar buiten. Daarbij gooit hij een sleutelbos weg waarvan één van de sleutels op het slot van de voordeur van [adres] blijkt te passen. In de woonkamer van deze woning zijn op de tafel en de bank vele pakketten met cocaïne en heroïne gevonden alsmede drie plastic tassen met daarin eveneens pakketten cocaïne. Ook worden een sealmachine, op een tafel in de woonkamer, en een aantal rollen bruine tape aangetroffen waarmee drugs kunnen worden verpakt. De totale hoeveelheid heroïne en cocaïne in de woonkamer bedraagt 44,25 kilo.

In de woning zijn na het binnentreden door de politie geen andere personen aangetroffen. De overige personen die het observatieteam naar binnen heeft zien gaan, zijn allemaal naar buiten gekomen. Hiermee kan niet alleen worden vastgesteld dat verdachte als laatste in de woning heeft verbleven, maar ook dat hij de persoon is geweest die de deur voor medeverdachte [medeverdachte 2] open heeft gedaan, nadat die de rode plastic tas van Dirk van den Broek met daarin blokken cocaïne vlak voor de woning had aangenomen van een ander en naar binnen wilde gaan.

Verdachte heeft zich zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting beroepen op zijn zwijgrecht zodat er geen mogelijk ontlastende verklaring van verdachte voor ligt die de rechtbank op geloofwaardigheid of aannemelijkheid moet toetsen. Uit het dossier blijkt dat de grote hoeveelheden drugs die zijn aangetroffen open en bloot op de bank lagen.

De hele situatie in de woning, zoals die is aangetroffen, wijst er verder op dat er sprake is van een werkplek waar drugs worden verpakt. Daarnaast heeft verdachte de sleutel van een pand dat bij de politie als drugspand bekend staat en heeft hij deur opengedaan voor iemand die met een tas met drugs naar binnen kwam. Naar het oordeel van de rechtbank kan het daarom niet anders zijn dan dat verdachte heeft geweten van de drugs in de woonkamer en dat verdachte feitelijke zeggenschap over de drugs had. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Eveneens kan bewezen worden dat verdachte dit heeft begaan tezamen en in vereniging met anderen nu zowel de hem bekende medeverdachte [medeverdachte 2] als medeverdachte [medeverdachte 3] met hem in de woning, in de situatie zoals hiervoor beschreven, hebben verbleven.

Niet bewezen kan worden dat verdachte de blokken met cocaïne die in slaapkamer 3 lagen voorhanden heeft gehad, omdat deze blokken zijn gevonden in een verborgen ruimte. Niet bewezen kan worden dat verdachte wetenschap heeft gehad van deze ruimte of de inhoud daarvan. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage I vervatte bewijsmiddelen en de in rubriek 4.3.2. vervatte bewijsoverwegingen bewezen dat verdachte

op 22 augustus 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 22,5 kilogram cocaïne, en ongeveer 21,75 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert zij de verbeurdverklaring van het bij verdachte in beslag genomen geld en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de telefoons.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft onder verwijzing naar de pleitnota aangevoerd dat de eis van de officier van justitie in het geval van een bewezenverklaring dient te worden gematigd. Verdachte heeft namelijk geen strafblad in Nederland. Daarnaast zijn er in soortgelijke zaken door rechtbanken in Nederland lagere straffen opgelegd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in een woning een grote hoeveelheid cocaïne en heroïne voorhanden gehad. Die hoeveelheid vertegenwoordigt een aanzienlijke waarde en duidt er op dat deze cocaïne en heroïne bestemd waren voor verdere verspreiding en handel. Cocaïne en heroïne zijn voor de volksgezondheid schadelijke stoffen en met de verboden handel - die veel slachtoffers maakt - worden grote winsten gemaakt. Daarenboven gaan de verspreiding van en handel in cocaïne en heroïne gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft daaraan bijgedragen door deze middelen voorhanden te hebben. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit.

De rechtbank ziet aanleiding bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, omdat de bewezenverklaarde hoeveelheid verdovende middelen kleiner is dan waar de officier van justitie bij haar eis vanuit gaat. Bovendien spreekt de rechtbank verdachte vrij van de hem onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De rechtbank zoekt aansluiting bij de straffen die in soortgelijke zaken, bij soortgelijke hoeveelheden verdovende middelen zijn opgelegd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van 42 maanden passend en geboden.

9 Beslag

Onder verdachte is een aantal voorwerpen in beslag genomen, zoals weergegeven in de als bijlage II opgenomen beslaglijst op naam van verdachte.

Verbeurdverklaring

Onder verdachte is een geldbedrag van € 800,00 in beslag genomen, genoemd onder nummer 1. Dit geld is verkregen als opbrengst van enig misdrijf en wordt daarom verbeurd verklaard.

Bewaren ten behoeve van de rechthebbende

Het is niet duidelijk of de bij verdachte in beslag genomen telefoons, genoemd onder nummers 2, 3 en 5 tot en met 8, en het papier genoemd onder 4 aan verdachte toebehoren. Deze telefoons en dat papier worden daarom bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen

  • -

    33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    2 en 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

- Handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beslag:

  • -

    Verklaart verbeurd het voorwerp genoemd op de aangehechte beslaglijst onder nummer 1;

  • -

    Bewaart ten behoeve van de rechthebbende de voorwerpen genoemd op de aangehechte beslaglijst onder nummers 2 tot en met 8.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en B.M. van Heemst, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.J. van der Putte, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 maart 2017.