Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:159

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7857
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:206, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8:86 Awb, Huisvestingsverordening, urgentieverklaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 16/7857 (verzoek) en AMS 16/7271 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2017 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. B.G. Meijer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen de weigering hem een urgentieverklaring te verstrekken ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft nadien de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2017. Verzoeker en verweerder hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

De aanvraag om een urgentieverklaring

2. Op 10 maart 2016 heeft verzoeker een urgentieverklaring aangevraagd. Verzoeker is gescheiden en heeft twee kinderen die bij zijn ex-partner verblijven. Hij heeft tot mei 2015 gewoond in een woning met tijdelijke huur. Verzoeker heeft medische problemen. Daarom wil hij in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring voor een woning.

Het besluit om de aanvraag af te wijzen

3. Naar aanleiding van de aanvraag heeft verweerder de GGD om advies gevraagd. De GGD-arts is in de rapportage van 19 mei 2016 tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van psychosociale of medische problematiek die een urgentie voor huisvesting noodzakelijk maken. Verweerder heeft, mede op basis van dit advies, de aanvraag afgewezen op 30 mei 2016. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft verweerder de zaak nogmaals laten bekijken door de GGD-arts. De GGD-arts is in het rapport van 20 september 2016 tot de conclusie gekomen dat in het bezwaarschrift geen nieuwe feiten staan die aanleiding geven voor een andersluidend advies. Vervolgens heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen en het bezwaar tegen de weigering een urgentieverklaring te verstrekken ongegrond verklaard. Volgens verweerder is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem, omdat verzoeker op dit moment onderdak heeft. Verzoeker kan zelf zijn huisvestingsprobleem oplossen door bijvoorbeeld een kamer te huren of via tijdelijke huur via HVO, zoals verzoeker dat momenteel doet. Er is geen reden om de hardheidsclausule toe te passen. De GGD-arts heeft voldoende gemotiveerd waarom in verzoekers situatie geen voorrang boven andere woningzoekenden gerechtvaardigd is.

De beroepsgronden van verzoeker

4. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij medische problemen heeft, zoals pijnklachten aan nek, arm en knie. Om de pijnklachten te verlichten heeft hij rust en warm water nodig. Dit is alleen mogelijk in een reguliere woning. Hij heeft ter ondersteuning van zijn standpunt verwezen naar een aantal brieven van zijn behandelend artsen en begeleider van HVO-Querido. Hij woont nu op een kamer in een passantenhotel en moet daar binnenkort uit.

Beoordeling van het beroep

5.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder het uitgangspunt hanteert dat het gemeentelijk voorrangsbeleid bij het verkrijgen van een woning met name is gericht op gezinnen die dakloos zijn of dat dreigen te worden. Een urgente huisvestingssituatie doet zich hier niet voor. Verzoeker beschikt immers over een kamer. In dat geval weigert verweerder op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (de verordening) de urgentieverklaring, omdat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. In het bestreden besluit heeft verweerder daar dan ook terecht op gewezen.

5.2

Dat mogelijk binnenkort zich een huisvestingsprobleem voor kan doen is voor verweerder ook geen reden om verzoeker met voorrang te behandelen. Ter zitting heeft de gemachtigde daarover opgemerkt dat er dan via de Wet maatschappelijke ondersteuning naar een oplossing kan worden gezocht. Ook zou verzoeker een kamer kunnen zoeken. De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt van verweerder. Dit brengt mee dat verweerder terecht het bepaalde in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder c, van de verordening verzoeker tegenwerpt. Daarin is bepaald dat een urgentieverklaring wordt geweigerd als de aanvrager het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op andere wijze kan oplossen.

5.3

De GGD adviezen spelen een rol in het kader van de hardheidsclausule. De GGD-arts heeft onderzocht of de medische situatie van verzoeker als gevolg van een weigering om een urgentieverklaring te verstrekken tot een schrijnende situatie zal leiden. Deze GGD-arts heeft verzoeker gesproken en zowel bij de aanvraag als naar aanleiding van het bezwaar van verzoeker de medische situatie van verzoeker beoordeeld. Ook heeft de GGD-arts daarbij de medische informatie van de artsen van verzoeker meegenomen, waaronder die van de neuroloog en de anesthesioloog. De GGD-arts is echter tot de conclusie gekomen dat de klachten van verzoeker in samenhang met een weigering voor hem geen schrijnende situatie oplevert.

5.4

Zoals uit vaste jurisprudentie is af te leiden (Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1550), mag het bestuursorgaan, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, indien het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Niet gebleken is dat de adviezen van de GGD niet aan deze voorwaarden voldoen. Verweerder heeft dus deze adviezen aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

5.5

Verzoeker heeft weliswaar serieuze medische problemen die ook worden onderschreven door zijn behandelend artsen. Verweerder heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze problemen bij een gebrek aan een eigen woning niet dermate bijzonder zijn dat de hardheidsclausule had moeten worden toegepast. Ook de meest recente informatie van de arts anesthesioloog Berry geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van verweerder. De informatie bevat een beschrijving van de (pijn)klachten van verzoeker. Voorts is aangegeven dat de slechte psycho-sociale situatie belemmerend zou kunnen werken voor een succesvolle behandeling. Deze medische informatie is nog door de GGD-arts bekeken. In de brief van 3 januari 2017 schrijft de GGD-arts dat deze informatie niet tot een ander oordeel leidt.

5.6

De voorzieningenrechter verklaart het beroep dan ook ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep heeft beslist wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

5.7

Voor een proceskostenveroordeling en de teruggave van het griffierecht door verweerder, bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Coll:JvB