Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1563

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
13/706345-16 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming na hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/706345-16 (ontneming)

Datum uitspraak: 10 maart 2017

Tegenspraak

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/706345-16, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1966,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 24 februari 2017.

2 Vordering

Onderzoek van de zaak

De vordering van de officier van justitie van 25 november 2016 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 9.949,06.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor [verdachte] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3 Grondslag van de vordering

[verdachte] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2016 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld.

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B en C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

4 Wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ van 10 augustus 2016, opgemaakt door [deskundige] (hierna: ontnemingsrapport), moet worden vastgesteld op een bedrag van € 9.949,06 en dat [verdachte] moet worden verplicht dat bedrag aan de Staat te betalen.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van [verdachte] heeft bepleit dat een lager bedrag aan wederrechtelijk voordeel moet worden vastgesteld. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat uitgegaan dient te worden van een opbrengst van ongeveer € 3.280,00, nu de twee oogsten niet geheel zijn geslaagd. Verder heeft de raadsman bepleit dat, naast de in het ontnemingsrapport genoemde variabele kosten, ook de energiekosten, huurkosten van de woning en investeringskosten van € 3.000,00 dienen te worden afgetrokken.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de [verdachte] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de baten van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden die in het ontnemingsrapport zijn vervat en op de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 24 februari 2017.

4.3.1.

Ontnemingsrapport

In het ontnemingsrapport, dat mede is gebaseerd op het BOOM-rapport van 1 november 2010 (hierna: BOOM-rapport) dat als bijlage bij het ontnemingsrapport is gevoegd, is het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt berekend.

Opbrengsten

Het aantal hennepplanten per kweek bedroeg 56. Dit levert een gemiddelde van 9,72 meter plant per vierkante meter op. Uit het BOOM-rapport blijkt dat de gemiddelde opbrengst per plant in dat geval 30,6 gram is, per oogst. Er is sprake geweest van 2 oogsten. Nu de gemiddelde verkoopprijs van hennep niet bekend is, wordt uitgegaan van de in het BOOM-rapport gehanteerde prijs van € 3,28 per gram hennep.

Gelet op het voorgaande bedraagt de totale opbrengst 56 x 30,6 x 2 x € 3,28 = € 11.241,22.

Kosten afschrijving duurzame investeringen

Uit het BOOM-rapport volgt dat de gemiddelde afschrijvingsperiode van duurzame investeringen 4 jaar betreft. Voor een hennepplantage met een hoeveelheid van minder dan 200 planten blijkt dat een gemiddelde investering van € 3.000,00 nodig is. De afschrijving van dit bedrag komt derhalve neer op € 750,00 per jaar en (uitgaande van vijf oogsten per jaar) op € 150,00 per oogst. Nu er sprake is van twee oogsten in twee verschillende kamers zijn de afschrijvingskosten € 600,00.

Variabele kosten

De variabele kosten, bestaande uit kosten voor stekken, kweekmedium, water en voedingsstoffen, zijn overgenomen uit het BOOM-rapport en bedragen € 6,18 per plant. Hieruit volgt dat de totale variabele kosten 56 x 2 x € 6,18 = € 692,16 bedragen.

Conclusie

Het voorgaande brengt mee dat de totale kosten € 1.292,16 bedragen, waardoor het wederrechtelijk verkregen voordeel € 9.949,06 bedraagt, zo luidt de conclusie van het ontnemingsrapport.

4.3.2.

Oordeel rechtbank

Opbrengsten

[verdachte] heeft verklaard dat hij hennep heeft gekweekt en dat hij twee oogsten heeft gehad van 56 hennepplanten per oogst. Volgens [verdachte] heeft de eerste oogst 300 tot 400 gram hennep opgeleverd en de tweede 600 tot 700 gram. [verdachte] verklaarde niet meer te weten welk bedrag hij met de verkoop van de hennep heeft verdiend.

De rechtbank overweegt dat de stelling dat beide oogsten minder hebben opgeleverd dan de hoeveelheid die volgens het BOOM-rapport gemiddeld is, op geen enkele wijze door [verdachte] is onderbouwd. De rechtbank acht deze verklaring van [verdachte] niet aannemelijk en zij zal hem hierin dan ook niet volgen. Bij het bepalen van de hoeveelheid die beide oogsten hebben opgeleverd wordt uitgegaan van hetgeen hierover in het ontnemingsrapport is gesteld.

De rechtbank gaat daarom uit van een totale opbrengst van € 11.241,22.

Kosten duurzame investeringen

[verdachte] heeft verklaard dat hij ongeveer € 3.000,00 heeft uitgegeven aan onder meer lampen en afzuigers. De raadsman heeft bepleit dat dit gehele bedrag dient te worden afgetrokken, omdat [verdachte] ook daadwerkelijk € 3.000,00 aan kosten heeft gemaakt en de investering niet langer kan worden terugverdiend, zodat niet met een langere terugverdien of afschrijvingstijd rekening dient te worden gehouden.

De rechtbank stelt vast dat, nu [verdachte] dit heeft verklaard en het ontnemingsrapport ook uitgaat van een duurzame investering van € 3.000,00, [verdachte] daadwerkelijk dit bedrag aan kosten heeft gemaakt toen hij de hennepkwekerij startte. Nu [verdachte] bij de ontruiming van de hennepkwekerij de betreffende goederen kwijt is geraakt, is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat het gehele bedrag van € 3.000,00 als kosten afgetrokken dient te worden. Er is geen grond om rekening te houden met een langere terugverdien- of afschrijvingstijd, nu die tijd er niet is.

Kosten huurwoning

Ten aanzien van de woning waar de hennepkwekerij zich in bevond heeft [verdachte] verklaard dat hij deze huurde voor ongeveer 400 euro per maand en dat hij deze zelf niet bewoonde. Deze stelling van [verdachte] wordt deels onderbouwd door een betalingsherinnering van woningstichting [naam] (dossierpagina 58). Hieruit blijkt een bedrag van € 410,53 aan maandelijkse huur. Nu de woning een tweekamerwoning betrof en in beide kamers hennep werd gekweekt, acht de rechtbank het aannemelijk dat [verdachte] elders woonde en hij deze woning niet verhuurde aan een onderhuurder. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de huur die [verdachte] gedurende de kweekperiode van zes maanden heeft betaald, als kosten aftrekken. In totaal betreft dit een bedrag van € 2.463,18.

Kosten energie

De raadsman heeft bepleit dat ook de kosten die [verdachte] ten aanzien van de energie aan [benadeelde partij] moet betalen, afgetrokken dienen te worden. Immers heeft [benadeelde partij] een opeisbare vordering op [verdachte] en als dit bedrag niet wordt afgetrokken zou hij dit mogelijk dubbel moeten betalen.

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] de energierekening van [benadeelde partij] niet heeft betaald. Op de terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en daarmee voor [benadeelde partij] moeilijk te bereiken is. Kennelijk doet [verdachte] geen enkele moeite om de rekening bij [benadeelde partij] te betalen, integendeel, hij houdt zich voor [benadeelde partij] onbereikbaar en onvindbaar. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat deze post niet als kosten van het te ontnemen bedrag dient te worden afgetrokken, nu hoogst onzeker lijkt dat de rekening van [benadeelde partij] ooit door [verdachte] zal worden betaald; hij doet er zelf in ieder geval kennelijk alles aan om dat te voorkomen.

Variabele kosten

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de variabele kosten, conform het ontnemingsrapport, een bedrag van € 692,16 als kosten afgetrokken moet worden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de totale kosten bedragen:

€ 3.000,00 + € 2.463,18 + € 692,16 = € 6.155,34.

Conclusie

Het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt:

€ 11.241,22 - € 6.155,34 = € 5.085,88.

Bewijsmiddelen

De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 Verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 5.085,88.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 5.085,88.

Legt op aan [verdachte] de verplichting tot betaling van € 5.085,88 (zegge: vijfduizendvijfentachtig euro en achtentachtig eurocent) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.F. Ferdinandusse, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en J.M. Hoogveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2017.

mr. J.M. Hoogveld is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.